De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de kerkelijke Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de kerkelijke Pers.

13 minuten leestijd

De jeugd vraagt.==Vastheid en ideaal.--Heilige onverschilligheid.

De jeugd vraagt.

In het jaar 1937 is er een boekje verschenen getiteld „De Jeugd vraagt ''. Dit werkje bevat eenige antwoorden naar aanleiding van een enquête onder jonge menschen en is samengesteld door Ds J. C. Koningsberger. Gehandeld wordt o. a. over: Bij ons thuis ; Wat is gelooven eigenlijk ; Hoe blijft mijn geloof levend, enz. enz. Verschillende vragen, die bij de jeugd leven, worden aan de orde gesteld. Vragen waarin geloof. Kerk, Bijbel, gebed een belangrijke plaats innemen. We wijzen hierop, niet om de inhoud van bovengenoemd boekje te gaan beoordeelen, maar omdat deze vragen ook nü zeker niet minder, niet alleen bij de jongeren, maar ook bij de ouderen leven. In bewogen tijden slaan sommige dezer vragen zelfs als een laaiende brand naar buiten. Denk maar eens aan vragen over geloof en Godsbestuur in onze dagen. Nu ligt het voor de hand dat sommige dezer vragen ons meer beroeren in onze jonge dagen dan op ouderen leeftijd. Vandaar wordt ook de belangstelling voor de jeugd, welke reeds algemeen te noemen is, zeker thans niet minder. De jeugd van nu vormt zoo straks de mannen en vrouwen, welke op alle gebied midden in het leven hebben te staan, 't Is dan ook waarlijk geen uitzondering, wanneer we in meer dan één blad enkele kolommen aan de jeugd zien gewijd. En ik twijfel er niet aan of menige oudere zal bij het lezen zich gesteld zien voor eigen vragen en moeilijkheden, ook al zijn de jongelings- en jongedochtersjaren reeds lang voorbij. In enkele nummers van De Vaandrager van den laatsten tijd heeft de eindredacteur, de heer Noteboom, gewezen op de jeugd en de Kerk, de jeugd en de catechisatie. Prof. Hepp heeft in zijn artikelenreeks in Credo de jeugd ter sprake gebracht. En in 't Algemeen Weekblad van 23 Aug. '40 komt een artikel voor van M. L. W. Schoch: Vragen van de tegenwoordige jeugd. In dit artikel wordt er op gewezen, dat de vragen die we bij de jongeren ontmoeten vragen zijn, geboren uit de druk van dezen tijd. De vraag is er : Wat zegt de Bijbel nu over deze dingen ? Men wil van den Bijbel een soort orakelboek maken, waarin te lezen is, wat er verder zal gebeuren. Het antwoord kan zijn, dat de Bijbel inderdaad over al het gebeuren spreekt. De Bijbel laat zien dat God zegeviert, 't Wordt gezien als een zegen van dezen tijd, dat er met jongeren zoo diep over deze vragen kan worden gesproken. En heerlijk wordt het gevonden, dat er nog jongeren zijn, die vragen naar wat God hen door de Bijbel heeft te zeggen. Zoo velen zijn er, die langs Kerk en Evangelie Iheenleven. Men wil niet nadenken. Het idealisme is weg. De vraag wat men moet worden kan al niet beantwoord worden. De ouderen kunnen geen houvast geven. Velen worden meegesleurd door klinkende leuzen. Anderen leven onverschillig verder. Weer anderen zijn fel tegen de Kerk. „Als het resultaat van 2000 jaar Christendomi deze oorlog is, dan is het evangelie niet goed. We moeten de Bijbel maar eens wat gaan veranderen, daar zal de wereld meer baat bij vinden". Het zien van verscheurdheid in kerkelijke kringen doet al twijfelen aan de waarheid. Te midden van dit alles kan dan alleen worden getuigd.

De jongeren moeten iets kunnen zien door ons leven. Het Christen-zijn moet getoond worden. Christenen mogen niet ontmoedigd zijn. We hebben 't geloof aan een goddelijke roeping. Er wordt niet gestreden voor menschelijke zaken en idealen. De vragen van de jongeren komen hierop neer : geef ons een vastheid buiten onszelf, waardoor ons leven een zin krijgt; geef ons een ideaal waarvoor het de moeite waard is te leven. Kort gezegd gaat het dus om:

Vastheid en ideaal.

Inderdaad zijn dit zaken, die in het geheele leven worden begeerd. De antwoorden, welke op deze vragen gegeven worden, zullen echter zeker wel verschillen. Want ook nu, evenals in alle tijden, worden weer „vastigheden" en idealen aangeprezen, welke ijdel zullen blijken te zijn. De Kerk des Heeren heeft hier een klaar en duidelijk antwoord te geven. Meer dan ooit hebben we het ondervonden dat zooveel, waar wij op leunden, waar wij vastheid van wachtten, onverwacht kan weggebroken worden. Dat moest ons niet verwonderen. Met den verloren zoon hebben wij den Vader vaarwel gezegd en het Vaderhuis verlaten. De levensband hebben wij doorgesneden en wij hebben ons opgemaakt om andere verbanden te leggen. De verloren zoon zoekt het in de wereld, bij de vrienden. Maar al deze door ons gelegde verbanden voeren ons niet toe de levenssappen, die onze ziel noodig heeft. Integendeel, onze laatste levenskracht vloeit er nog door weg.

Want bij dit alles willen we bouwen op een vastheid, die toch weer uit den mensch moet komen. En dat kan geen vastheid zijn, want in ons is geen kracht en in alles wat wij maken evenmin. Wij komen met dit alles niet boven onszelf uit. Er moet een vastheid zijn buiten onszelf, niet door ons, maar door God zelf gelegd. Deze vastheid nu is er. Dat is de prediking, welke de Kerk Gods mag doen uitgaan en moet verkondigen.

Hiervan getuigt de gansche Schrift. De profeten profeteeren. De psalmisten zingen. De apostelen getuigen. En allen hebben ze 't over het door God gelegde fundament, Christus Jezus. Dat is onwankelbaar. Dat kan niet bewogen worden. Dit kan niet ondergraven worden. Dat is bestand tegen ieder bombardement. Met die boodschap moet de Kerk staan midden in het verscheurde leven en midden in de fel bewogen ziel. Alleen in deze door God gelegde vastheid is het veilig.

„Heilig, heilig, nog eens heilig. Driemaal Heilig, eer zij God. Buiten God is t nergens veilig...."

Dat moet verkondigd worden naar de belijdenis der Kerk. In dit getuigenis mag geen verschil zijn. Want dan wordt de onzekerheid en de onvastheid nog vermeerderd. Het werk van den Drieëenigen God moet uitgedragen worden in het midden der wereld. Gewezen moet worden op het Lam Gods, dat de Vader Zichzelf verschaft, dat zich vrijwillig ten offer overgeeft, dat door den Heiligen Geest wordt toebereid en bekwaamd. Vastheid is er alleen in het borgtochtelijk werk van den Zoon, in de verzoening door het bloed des Lams. Want alleen daardoor wordt het „levensverband" gelegd met den Heere Zelf. Alleen daardoor komt er vereeniging met den Vader. Met minder kan niemand toe. Maar dan moeten we wèl verstaan dat we er niet „vanzelf" zijn, nu er eenmaal zoo'n vastheid buiten ons is. Deze vastheid buiten ons moet in ons gekend worden. Wat zal het ons anders baten. Dan vergaan we in de kokende golven. Dan vergaat óók onze jeugd. Al zouden we dan ook voor dit leven nog zooveel idealen koesteren en najagen. Dan wordt het eind : teleurstelling, mislukking. In de Schrift wordt voor zonde o.a. een woord gebruikt dat wijst op het missen van het doel. Dat wordt het dan. Het missen van het door God gestelde doel. Om voor Hem te leven. Om Zijn deugden te verkondigen. Om ons werk als voor Hem te verrichten. Om eeuwig Hem te loven en te prijzen. Dat is tenslotte het ideaal, neen, dat is van het begin af het ideaal, dat ons moet beheerschen. En dat zal ons beheerschen als de vastheid Gods in ons wordt gekend.

Dat is van onschatbare waardij ook voor dit leven met zijn moeite en smart, met zijn vreugden en blijdschap, met zijn hoogten en diepten. Dan wordt de groote vraag in ons leven, wat het ook voor Paulus werd: Hoe we Christus' welbehaaglijk zullen leven. Dan wordt het onze grootste zaligheid Gods oog in gunst op ons te voelen rusten. Dan wordt het ons een wonder, dat Hij ons onze plaats aanwijst en daar op die plaats ons bezig wil zien als voor Zijn Aangezicht. Bij alles wat wegvalt en vergruizeld wordt, blijft dan steeds het Koninkrijk Gods, dat is en komt. Want de Heere zet Zijn werk voort. En Hij doei: Zijn Rijk dwars door alles heen komen. Dan is inderdaad de toekomst aan ons. Want Christus heeft de toekomst. En wie van Christus is heeft in Hem de toekomst. Dan behoeft er geen gebrek te zijn aan idealen. Er zijn er veel op te noemen.

In het dagelijksch werk den Heere dienen.

Bij de „opbouw" voor den Heere leven.

In de moeiten het kruis Christus vroolijk nadragen.

Op het ziekbed toonen dat de Heere toch goed is.

In het gansche leven laten zien wat Gods werk in Christus voor een zondaar beteekent.

In het kerkelijk leven najagen wat de Heere van ons vraagt.

Doen wat de hand vindt om te doen tot het verkrijgen van een gereformeerd kerkelijk leven. Trouw onze plaats innemen onder de bediening des Woords.

Niet verzuimen op catechisatie.

Een actief lid der vereeniging zijn. Wanneer deze arbeid in den Heere geschiedt, neen, dan is ze niet ijdel.

We verstaan, dat de vraag opkomt: Wie is tot deze dingen bekwaam ? Niemand uit zichzelf. Hier geldt het, dat we door den Geest moeten worden herboren. En herboren door dien Geest moeten opwassen en moeten wandelen in een nieuw godzalig leven. Dit zal alleen gaan in de weg der

Heilige onverschilligheid.

Het Hervormd Zondagsblad heeft hierover een stukje overgenomen uit het „Gron. Kerkblad". Zoo vaak wordt gezegd : „Nu kan mij dan alles ook nieis meer schelen! Dit is in de grond der zaak een uiting van moedeloosheid, die de tegenspoed niet kan verwerken, een uiting van ongeduld, dat niet wachten kan en niet kan volhouden. Deze onverschilligheid is geen fraai beeld, geen nobele levenshouding, geen waardig antwoord op de moeilijkheden van ons bestaan. Maar : heilige onverschilligheid is zeer gewenscht. Ons leven is immers een gestadig sterven (doopformulier). Er is doorloopend slijtage, afbraak en dus wegruimen van wat verouderd is. Loslaten ! Dat gebod komt telkens in andere vormen tot ons. Wie dat betracht heeft in zijn leven iets van de houding van Paulus : „Ik acht op geen ding en houd mijn leven niet dierbaar voor mijzelven". Dat geschiedt doordat God ons de dingen afneemt of laat afnemen. Dan leeren we erkennen geen recht te hebben op de dingen. Dan houden wij niet krampachtig meer vast, maar gaan we wonderlijk losgemaakt door de wereld. Deze heilige onverschilligheid komt voort uit de innerlijke vrijheid van dien mensch, die uit de schatten Gods put. Luther's woord wordt aangehaald, dat zoo'n mensch is „een vrij heer over alle dingen en niemand onderdanig'', en tegelijk „een dienstbaar knecht van alle dingen en ieder onderdanig". — Dit geldt voor een ieder, ook voor onze jonge menschen.

De weg naar de kennis der ware vastheid en het ideaal mogen we de jeugd niet een beetje gemakkelijker en wat naar onze smaak bijgewerkt voorzetten. Ook de jeugd moet afgesneden worden van den eersten Adam en overgeplant worden in den tweeden Adam, Christus. Ook de jeugd heeft noodig dien levendmakenden Geest, die doordringt tot in de binnenste deelen van een mensch, om een doode levend te maken, het gesloten hart te openen, het harde te vermurwen. (Art. tegen de Remonstranten). Ook voor onze jeugd komt de eisch van geloof en bekeering. Daarmee moet in de eerste plaats ernst worden gemaakt. Dr Adolf Maurer heeft in zijn boek : „Vanwaar en Waarheen, Honderd vragen en één antwoord", gezegd : „Mogen wij ons de luxe veroorloven ons met vragen te vermaken? Nu ja, het is het voorrecht van de jeugd problemen op te werpen, de witte rand van de bladzijde vol vraagteekens te zetten, aan de fundamenten te wrikken. Maar ook zij moet leven, moet in deze hoogst problematische wereld leven. Daarom moet het ons in laatster instantie niet om de vraag, maar om het antwoord te doen zijn". Dat antwoord zullen we dan eerst werkelijk verstaan kunnen, als wij niet alleen en allereerst bezig zijn met de vragen die wij stellen, maar met de vragen die God ons stelt. God vraagt ons, „voor Wiens vragen al de mijne instorten". Laten we ons daarmee eens bezig houden, met wat God ons vraagt, óók in onze jeugd. „Mijn zoon, mijn dochter, geef Mij uw hart". Als dat ons ernst wordt, dan houd ik voorloopig maar één vraag meer over : „Heere, neem Gij mijn hart, opdat ik het U mag geven. Wederbaar mij door Uw Geest". Neen, voor zoo iets kunnen we nooit te jong zijn. Al? we dat denken, zoo heeft iemand eens gezegd, dan zal het straks blijken, dat we er een eeuwigheid te oud voor zijn.

Ook voor de jongeren geldt wat de Catechismus zegt over de drie stukken, die gekend moeten worden om welgetroost te leven en eenmaal zalig te sterven. We moeten met Christus gekruisigd worden om met Hem te leven.

Hier ligt het zwaartepunt van de roeping, welke wij als ouderen, als Kerk tegenover onze jeugd hebben. Deze dingen moeten de jeugd op een bij haar passende wijze worden voorgesteld. Deze weg moeten de ouderen de jongeren voorleven, om het zoo eens uit te drukken. Dan verstaan wij wel waarin wij onszelf als ouderen ernstig hebben te onderzoeken. Of wij de vastheid, Gods vastheid kennen en het door Hem gestelde ideaal najagen. Of wij kunnen zeggen tot de jeugd: Kom, ga met ons, en doe als wij.

Dan hebben wij als ouderen onszelf af te vragen of wij ook in het kerkelijk leven staan naar een leven, hetwelk met het Woord Gods en de belijdenis dier Kerk in overeenstemming is. Als ouderen zitten wij misschien met tal van vragen in verband met de jongeren, omdat die jongeren ons ter harte gaan. Uitstekend. Maar in dat alles bewijzen wij onze jeugd, ook onze kerkelijke jeugd, den besten dienst door ernst te maken met de vraag, welke de Heere ons stelt. Deze vraag : Hoe is het met u ? Waar zijt gij ? Waar is uw schat ? Want wat hebben wij noodig? Menschen, die als zondaren uit Gods vastheid leeren leven. Menschen, die als goddeloozen leeren gelooven in Hem, Die den goddelooze rechtvaardigt. Dan eerst verstaan we ook de roeping Gods voor dit leven. En kunnen we door Gods Geest geleid en bekrachtigd voortgaan, al weenende wellicht, maar toch voortgaan en zaaien. Dat is niet de weg „naar het vleesch". Ik weet het. Als Calvijn voor de tweede maal naar Geneve geroepen wordt — aldus Doumergue in zijn „Calvijn als mensch en Hervormer, dan „beeft hij van ontzetting". Hij schreef: „wat mijn zielstoestand aangaat zij is deze : wanneer ik de keus had, deed ik alles liever dan naar Geneve terugkeeren. Maar wetende dat ik niet mijn eigen meester ben, bied ik mijn hart ten offer aan God".

Dat alleen is de Godegevallige weg. Want Christus zegt: „Zoo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij". Dit geldt voor de jeugd en ook voor de grijsheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit de kerkelijke Pers.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's