UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.
De rechtvaardigheid is uit het geloof: niet uit de werken. Wie zijn Abrahams kinderen ? Vers 6—14. (IV).
Hoofdstuk III.
Vervolg vers 7.
Paulus strijdt dus tegen den trots der Joden, die hoogmoedig pochten, zeggende: wij zijn het zaad Abrahams. Inderdaad zijn zij dat. „Abraham is besneden, en beeft de Wet gehouden; wij doen dat ook". Toegegeven ! Maar nu verder! Denkt ge daardoor gerechtvaardigd en zalig te worden ?
Dat zal allerminst het geval zijn....
Laten wij liever tot den patriarch Abraham zelf gaan, en zien, op welke wijze hij gerechtvaardigd en zalig geworden is. Zeker niet om zijn voortreffelijke deugden en zijn werken van heiligheid ; ook niet, omdat hij z'n vaderland, zijn verwanten en zijns vaders huis heeft verlaten; evenmin omdat hij besneden is, en de Wet gehouden heeft; en ten slotte ook niet, omdat hij op Gods bevel zijn zoon Izaak wilde offeren, om welke daad hij de belofte omtrent een nakomelingschap kreeg.
Gerechtvaardigd en zalig is Abraham geworden, omdat hij in God geloofd heeft. Alleen door het geloof is hij gerechtvaardigd. Door niets anders!
Wanneer gij Joden, door de Wet gerechtvaardigd wilt worden, — hoeveel te meer zou dat uw vader Abraham zijn mogelijk geweest. Doch ook hij zou nimmer gerechtvaardigd zijn, of vergeving van zonden en den Heiligen Geest ontvangen hebben, wanneer hij niet geloofd had.
Daar nu dit, naar het getuigenis der Heilige Schrift, waar is, — waarom strijdt gij, Joden, dan nog voor de Wet en de besnijdenis. En waarom beweert gij, dat ge daardoor de gerechtigheid en zaligheid kunt deelachtig worden. Abraham toch, uw vader, van wien ge afstamt, en die uw hoofd is, — Abraham toch, op wien ge u zoo beroemt, is ook alleen door het geloof gerechtvaardigd en zalig geworden.
Zoo komt Paulus er toe, om te zeggen : die uit het geloof zijn, zijn Abrahams kinderen. Relaties van vleesch en bloed maken voor God een mensch niet tot een kind van Abraham.
Het is als wil de apostel zeggen : niemand, die van dezen Abraham, den knecht Gods, welken God uitverkoren heeft, en die door het geloof gerechtvaardigd is, afstamt, wordt door God op grond van zijn vleeschelijke geboorte voor een kind van Abraham aangezien. Kinderen van Abraham zijn voor God slechts diegenen, die werkelijk aarden naar hun vader.
Abraham was een vader des geloofs, en dat hij gerechtvaardigd is, en Gode aangenaam was, vindt zijn oorzaak niet in het feit, dat hij kinderen, heeft voortgebracht, of dat hij de besnijdenis en de Wet had, doch een en ander ligt in zijn geloof in God.
Wie dus een kind van den geloovigen Abraham zijn wil, die moet eveneens gelooven ; want anders is hij geen kind van den uitverkoren, door God aangenomen en gerechtvaardigden Abraham, doch slechts de nakomeling van een gewoon mensch, die in zonden ontvangen en geboren is, en onder de zonden besloten ligt, zonder vergeving van die zonden, zonder geloof, zonder den Heiligen Geest, en veroordeeld, gelijk een ieder. Het roemen: „wij zijn Abrahams zaad" is dan ook op zichzelf ijdel, en van geen nut.
Daar nu alles uitgesloten is, zoo wil Paulus zeggen, namelijk 's menschen rede, de Wet, de werken, afstamming, enz. — zoo kunt ge uit dit voorbeeld van Abraham, en uit het klaar getuigenis der Heilige Schrift opmaken, dat zij Abrahams kinderen zijn, die uit het geloof leven: hetzij ze Joden, dan wel heidenen zijn.
Niet door de Wet, maar door de gerechtigheid des geloofs heeft Abraham de belofte gekregen, dat hij de aarde erfelijk zou bezitten, en dat in zijn zaad alle geslachten zouden gezegend worden, en hij een vader van vele volken heeten zou.
En opdat de Joden het woord „volken'' niet valschelijk alleen op zichzelf zouden betrekken, heeft de Heilige Schrift, voor een goede interpretatie zorg dragend, niet maar gezegd: een vader van „volken"; maar van een „menigte" volken. (Genesis 17 vers 5). Abraham is dus niet alleen een vader der Joden, maar óók die der heidenen.
Uit dit alles blijkt duidelijk, dat „kinderen Abrahams" niet kinderen naar het vleesch zijn, want naar het vleesch is Abraham geen vader der heidenen. Bedoeld zijn kinderen naar het geloof, gelijk Paulus verklaart in Romeinen 4 vers 17 :
„Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld, voor Hem, aan welken gij geloofd hebt".
Bijgevolg maakt Paulus onderscheid tusschen tweeërlei Abraham : een Abraham naar het vleesch, en een Abraham, die gelooft.
Het voorbeeld van Abraham sluit tegelijk de gansche leer der Heilige Schrift in zich, die zegt, dat wij alleen door het geloof voor rechtvaardig gerekend worden.
En de Schrift, tevoren ziende, dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft tevoren aan Abraham, het Evangelie verkondigd, zeggende: in u zullen al de volken gezegend worden. Vers 8.
Dit behoort bij het voorgaande betoog van den apostel, die als het ware wil zeggen : gij Joden, gij geeft wel wat hoog op van de Wet, en ge verheerlijkt Mozes wel bovenmate met uw wonderbaarlijke lofprijzingen, omdat God met hem gesproken heeft in het brandende braambosch.
Ook de Joden van tegenwoordig pochen zoo tegen ons, christenen, (ik heb het meer dan eens gehoord). In grooten overmoed spreken zij pochend tot ons : jelui, christenen, hebben apostelen, den paus, bisschoppen, enz. Wij, Joden, daarentegen hebben God zelf, die met ons in het brandende braambosch gesproken heeft, op den berg Sinaï, waar hij ons de Wet gaf, in den tempel enz. Wanneer ge kunt, moet ge ook eens een dergelijk heerlijk getuigenis tegenover het onze stellen.
Hierop antwoordt Paulus, de apostel der heidenen : uw pralen en snoeven doet niets ter zake; de Schrift is u vóór, die, reeds lang voordat de Wet er was, leerde, dat de heidenen niet door de Wet gerechtigheid zouden verkrijgen, doch door den zegen van het zaad Abrahams, welke hem vierhonderd en dertig jaren voordat de Wet er was beloofd is.
Deze belofte aan Abraham gedaan, kon door de Wet, die eerst zooveel later kwam, niet verzwakt of opgeheven worden, doch zij blééf van kracht, en zal van kracht blijven tot in eeuwigheid.
Wat kunnen de Joden hierop zeggen ? Krachtens een belofte Gods is Abraham gesteld tot een vader van een menigte volken, en in hem wordt het erfelijk bezit der wereld zijn kinderen gegeven : vóórdat de Wet er was.
Klaar toont Paulus aan, dat Abraham door het geloof gerechtvaardigd is, zonder de besnijdenis, en nog voordat deze bestond, te weten vierhonderd en dertig jaren vóór de Wet. Wanneer nu de vader van het gansche Joodsche volk zonder de Wet en voordat deze er was, gerechtvaardigd is, — hoeveel te meer zullen de kinderen op gelijke wijze als hun vader rechtvaardigheid verkrijgen. Derhalve is de gerechtigheid uit het geloof, en niet door de Wet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's