NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 62) . .
„Is hier volk ? " klonk daar buiten een stem als van iemand, die met een dubbele tong sprak. „Doe dan de schuurdeur eens open", werd bevolen, 't Gelaat van boer Santema werd paars, „'t Is maar beter, dat ik er in den nacht niet heenga, " zei hij tegen Tjerk, wat meteen voor dezen een wenk was. 't Volgend oogenblik strompelde Gabe de schuur binnen. Hoe was 't mogelijk, dat de man op zijn motorwiel geen ongeluk kreeg, 't Mocht wel waar wezen, wat Krijn, de wagenmaker, placht te zeggen, dat kleine kinderen en dronken menschen bewaard werden, want anders was Gabe Santema al lang in een sloot terecht gekomen of had zich ergens tegen te pletter gereden. „Zoo b....be beste jongen, w.wat is er n.nau a.aan de h.hand ? " stotterde hij.
Maar Tjerk vond niet noodig hiervan uitleg te geven. „Maak maar, dat je onder de dekens komt, " zei hij, en ging de staldeur weer in, waar thans zijn hulp noodig Was. Met een vloek tusschen de tanden, ging Gabe naar zijn slaapstee, om daar nog na te brommen over zoo'n kwezel, die altijd thuis zat.
Een kwartier later lag een pasgeboren kalfje, bibberend in het stroo. Voor Sijke was het weer geleden.
„Is alles goed afgeloopen ? " vroeg de boerin haar man, toen hij weer in de kamer kwam, bizonder den nadruk leggende op dat woordje „alles".
.Ja, ten minste met het vee. Een mooi koekalf. Net Sijke. Over de rest zullen wij maar niet meer spreken."
Toen begreep de moeder wel. Eerst toen het begon te dagen, viel zij in een lichte sluimering.
HOOFDSTUK XI.
ZUSTER INA.
Zacht bewoog zij zich tusschen de lange rijen bedden, waar onder sneeuwwitte lakens de patiënten lagen. Een spaarzaam nachtlichtje was sterk genoeg om degenen, die hulp noodig hadden, deze te verleenen en hinderde de anderen niet, die in den slaap hun beste medicijn mochten vinden. Af en toe kwam een zware zucht of een niet te smoren snik uit het een of ander ledikant van de zieken, die de naweeën van de doorgestane operatie nog voelden, of die nog vóór de groote gebeurtenis stonden, welke over hun leven beslissen zou. Van allerlei leeftijd lagen er; vrouwen, wie het aan te zien was, dat zij al heel wat hadden doorgemaakt; die als een schip, dat een storm had moeten trotseeren, met gescheurd of gehavend want, uit den strijd van het leven kwamen en nu maar één begeerte hadden : het veege lijf nog een weinig op te kalefateren, óók meisjes, nog in de lente van 't leven, sommige ternauwernood den kinderschoenen ontwassen, eens met den blos der gezondheid op de kaken, nu, in dit groote Bethesda van de hoofdstad des lands, genezing zoekend voor de menigerlei kwalen, waarmede men bevangen was. En schier dagelijks wisselde hier het uiterlijk aanzien, omdat de eene ging, 't zij ten leven of ten doode, en de andere kwam, uit allerlei kring, van allerlei stand, niet zelden uit allerlei streek. Is Amsterdam niet de groote slok-op, waar de duizenden, uit alle oorden des lands, om allerlei oorzaak, de toevlucht zoeken, hun woning bouwen, hun toekomst vormen ? Ook de plaats waar, gelijk in elke groote stad, talloos velen ondergaan, gekend of niet ge kend, betreurd of niet betreurd, gemist, of ook wel zonder nagedachtenis, omdat hun heengaan een verlossing is ?
Geen wonder dus, dat de groote ziekenhuizen den terugslag daarvan gevoelen, zoowel ten opzichte van de sterke wisseling onder de verpleegden, als ook van de kwalen, waarmede zij behept zijn en hun aantal, zoodat soms ternauwernood ruimte gevonden wordt om allen, die op medisch advies dienen opgenomen te worden, te herbergen.
Onder al de patiënten evenwel, die hier langer of korter tijd op de „groote vrouwenzaal'' hebben doorgebracht, zal er wel niet één gevonden worden, die niet met groote liefde en hoogachting spreekt over Zuster Ina. Dat was die lange; natuurlijk, als al die andere verpleegsters, gekleed in een eenvoudig katoenen japonnetje met witte schort en dito manchetten, maar dan met dat blonde krulhaar om die mooie blauwe oogen, zoo open en klaar en dien vriendelijken glimlach om de lippen, waartusschen een dubbele rij tanden, blank als ivoor. En met die zachte stem en die vaardige hand en bovenal dat onvermoeide geduld, waarvoor niets te veel of te zwaar, of te lang of te lastig scheen te zijn.
Zuster Ina was een juweeltje onder de verpleegsters. Dat zeiden de doktoren, die haar natuurlijk allen kenden en voor wie zij bij dag en bij nacht de rechterhand was; dat zeiden niet het minst de patiënten, die zij hielp. Daarvan getuigden de tallooze woorden van dank, welke zij voor en na in ontvangst te nemen had, zoowel van degenen, die bij ervaring wisten wat een liefdevolle behandehng in een ziekenhuis beteekende, als van hun familieleden en het wonderlijkste van alles was, dat Zuster Ina dat alles met dienzelfden glimlach aannam, zonder dat zij: daardoor ijdel werd.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's