MEDITATIE
Wij hebben ook in den weg Uwer gerichten, U, o Heere! verwacht; tot Uwen Naam en tot Uwe gedachtenis is de begeerte onzer ziel". Jesaja 26 vers 8.
De woorden onzer overdenking zijn genomen uit een lied, door Jesaja vervaardigd, dat in Israël gezongen zou worden, als het volk uit de Babylonische gevangenschap verlost zou zijn.
Het is een beurtzang, waarbij het eene koor het andere vervangt om Israels verlossing uit Babel door des Heeren sterke hand te bezingen in prachtige taal. Een heerlijk lied.
Het zal gezongen worden in het land van Juda. In Babel. hadden zij de harpen aan de wilgen gehangen en gezegd : hoe zouden wij een lied des Heeren zingen in een vreemd land ? Maar wedergekeerd in hun eigen land, waar de vijand in trotschen overmoed zijn teekenen tot teekenen gezet had, mogen zij vroolijk en verzekerd wonen. Zij mogen weer zingen als in de dagen harer jeugd.
Terwijl Babel tot een steenhoop geworden is, roemen de wedergekeerde kinderen Sions in het bezit van een sterke stad. De Heere Zelf is een vurige muur ronddm Zijn Jeruzalem. Van boven klinkt een stem : „Doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk daarin ga, hetwelk de getrouwigheden bewaart''. Zij waren wel door het verlaten van den Heere van hunne onafhankelijkheid beroofd. Maar zij, die door de kastijding der ballingschap gelouterd waren, mochten binnentreden. De werkers der ongerechtigheid daarentegen zouden niet worden toegelaten.
In de woorden onzer overdenking wordt ons nu geteekend de zielsgesteldheid van het ware Israël onder de gerichten des Heeren, waarmede Hij Zijn volk bezocht. Jesaja kent hier den geloovigen bepaalde werkzaamheden des geloofs toe. De vraag is maar, of ze die ook gedurende hun ballingschap in beoefening brengen. Zoo verstaan het ook onze kantteekenaren.
Wij hebben ook in den weg Uwer gerichten, U, o Heere! verwacht".
Zelfs nu, nu Gij ons zoo zwaarlijk tehuis zoekt door de Babyloniërs, wachten en hopen wij evenwel op Uw hulp. Het woordje „ook" vraagt in dit verband onze aandacht. Oorspronkelijk staat het voorop. Ook nu, nu vooral zult Gij ons pad, hoe hobbelachtig het ook lijke, effen maken. Ook nu, nu vooral zult Gij onzen gang, hoe zwaar ook, waar we gaan en weenen langs Babylons : stroomen, gansch recht maken, o, Heere! Gij zult maken, dat ons lot en onze staat met Uw wijsheid en goedheid overeenstemmen.
Nu maakt het wel een groot verschil, of we uit den druk verlost zijn, dan of we nog in den druk verkeeren. Of ons levens scheepje, overladen van gunstbewijzen, haast zinkt en we temidden van den voorspoed gunstige gedachten van den Heere koesteren, dan of de Heere met ons in tegenspoed wandelt, in den weg Zijner gerichten. Met Zijn gerichten in uw persoon, in uw gezin, met Zijn oordeelen over land en volk. En dan is het verschil zeer groot, hoe we onder die gerichten des Heeren werkzaam zijn, of we daarin onze ongerechtigheden opmerken, of die willens voorbijzien. Of wij den Heere in den weg Zijner gerichten verwachten, of niet. De Heere kwam ook tot ons land en volk in den weg Zijner gerichten. Hij had gehoord het verschrikkelijk misbruik van Zijn heiligen Naam. Hij had gezien het misbruik van Zijn heiligen dag, door aanzienlijken en geringen, en de verachting van Zijn heilig Woord bij tienduizenden. Gezien de onbekeerlijkheid van hart en de onverschilligheid voor het heilig recht der waarheid. Gezien het steunen op eigen kracht, het zich warmen bij de spranken van eigen vuur.
Toen zeide de Heere: „Dit volk heeft een afvallig en wederspannig hart". En in weinige dagen tijds, waarin zich vreeselijke dingen afspeelden, hadden wij verloren onze macht, onze rust en onze onafhankelijkheid. Hebben wij toen gezegd : „Wij hebben in den weg Uwer gerichten, U, o Heere! verwacht ? " Was er toen schuldbesef onder de slaande roede Gods en was dat schuldbesef algemeen ? Was er wederkeering naar dien God, Die ons had grootgemaakt en van Wien wij trouweloos waren afgevallen ?
Welgelukzalig gij, die den Heere in den weg Zijner gerichten moogt verwachten. Het woord wil eigenlijk zeggen: den geest op iets spannen, vurig verlangen. Alleen als de verwachte terugkeert, zijt gij voldaan. Zoolang kunt gij ook wachten, onderschraagd door de lijdzaamheid. Zoolang kunt gij rusten onder Zijn aanbiddelijken wil. Zoolang kunt gij Gods slaande hand jegens u aanmerken als die van een liefhebbend Vader, Die u kastijdt uit liefde. „Wij hebben ook in den weg Uwer gerichten U, o Heere ! verwacht".
Alleen geef, dat we onder Uwe oordeelen onze ongerechtigheden erkennen, onze schulden belijden, ook die van kerk en land en volk.
Alleen geef Uwe ontfermimgen in Christus ons, die veel zwaardere gerichten ons hebben waardig gemaakt.
Ontferming van schuldvergeving. Ontferming van matiging en heiliging van onze beproevingen.
Ontferming van bekwaamheid, om als Aaron stil te zwijgen onder de snerpende slagen. Om offeraars te worden. Om van elk verlies een offer te maken. Om bij elke smart een altaar te bouwen. Om Gode te geven, wat Hij neemt. Omdat Hij de Souvereine Heere is. Hij alleen.
Ziet, dat is het, waartoe alleen Gods ontfermingen in Christus u bekwamen : „Wij hebben ook in den weg Uwer gerichten, U, o Heere! verwacht''. En dat die verwachting niet beschaamd wordt, waarborgt hun de Naam des Heeren, de rijkdom van Gods zelfopenbaring. Vandaar, dat er volgt: „tot Uwen Naam en tot Uwe gedachtenis is de begeerte onzer ziel".
Die begeerte is het kenmerk van het nieuwe leven in de geloovigen. Hare afwezigheid beteekent óf krankheid, óf volstrekt genomen, de dood.
Die begeerte is het kenmerk van alle innige vroomheid en is tevens het geheim van de standvastigheid der geloovigen onder het kruis. Calvijn zegt: „zonder vrome en ernstige overpeinzingen, die met deze begeerte gepaard gaan, zou onze kennis van den hemelschen Vader niets meer zijn dan een ijdele waan".
Tot die zelfopenbaring Gods is het hartelijkst verlangen van het aan God verkleefd gemoed. Dien Naam willen zij in gedaehtenis houden. Want anders zijn zij weg. Maar om dien Naam verlost de Heere hen van eiken vijand. Om dien Naam zal de Heere Zijn erfdeel nooit verlaten. Daarom zingen zij ook onder de gerichten des Heeren: „Ik zal Uwen Naam verwachten, want hij is goed voor Uwe gunstgenooten". En wederom : „De Naam des Heeren is een sterke toren; de rechtvaardige zal daarhenen loopen en in een hoog vertrek gesteld worden".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's