Uit de kerkelijke Pers.
Levensernst
Het is zeker niet alleen aan ónzen tijd eigen, dat er geschreven wordt over levensernst. Trouwens, in alle tijden en onder alle omstandigheden kan dit onderwerp en moet dit onderwerp aan de orde gesteld worden. Niet alleen om op de ware ernst te wijzen, wat broodnoodig is, maar ook om deze te stellen tegenover de oppervlakkigheid welke in alle kringen wordt aangetroffen. Prof. W. J. Aalders schrijft in één zijner werken: „Vroeger zou men zich er voor schamen, als men geen ernst maakte, of althans niet voorwendde ernst te maken met de geheimen van leven en dood, van verantwoordelijkheid en oordeel, van hemel en hel. Het examen mortis, het examen van den dood, werd voor meer werkelijk gehouden dan het examen vitae, het examen van het leven.
Maar in elk geval geloofde men aan het beslissende examen. Men geloofde, dat de mensch, zooals hij is en leeft, afhankelijk is van hooger gezag, opgenomen in eeuwigheidverband. Daaraan ontleende het leven zijn diepgang, zijn spanning, zijn onmetelijke waarde. Wat blijft hiervan over, als de bodem, die 't leven draagt, niet meer in rekening wordt gebracht en de mensch z.g. op zichzelf wordt genomen, zijn bewustzijn, zijn ik, zijn individualiteit ? " Dat de goddelijke levensgrond voor velen niet meer bestaat, wordt als volgt aangetoond : „Men bedenke voor hoevelen kerk en Bijbel, gebed en sacrament volkomen denkbeeldige grootheden zijn. In hun persoonlijk, huiselijk en maatschappelijk leven beschrijven zij niet de geringste plaats. Van eenige godsdienstoefening is geen sprake. Elke gebedsvorm, des morgens of des avonds, als wijding van den dag, ontbreekt. Evenzoo het tafelgebed, dat het natuurlijke leven opheft tot de Bron van alle leven. In de plaats van het dagelijksche gebed is, zooals Nietzsche zegt, de krant gekomen. De Zondag dient voor ontspanning en gezelligheid alleen. Dat hij bedoelt den inkeer van den mensch tot zichzelf en den terugkeer tot God, dringt tot hem niet door. De Bijbel, het kerkboek, de godsdienstoefening, als leiding gevend aan de gedachten en gevoelens, als waardoor de mensch gebracht wordt in de gemeenschap met God en de gewijde geschiedenis ; ook met de groote gemeenschap van geloovigen, die voor en na God hebben gezocht en gevonden; ook met het voorgeslacht, als de natuurlijke verwantschap geestelijk is verdiept, welks geestelijke erfenis men heeft aanvaard en tracht hoog te houden, alle deze geestelijke opvoedingsmiddelen liggen ongebruikt". Ook thans is er alle oorzaak de ware
Levensernst
onder aller aandacht te brengen. G. wijdt hieraan een artikel in het Noord-Holl. Kerkblad. Opgemerkt wordt dat de Bijbel het leven zoo in elk opzicht teekent, gelijk het is. Der vromen zonden worden niet verbloemd. Den Christen worden verdrukkingen voorspeld. Er is ongebroken levensernst. Aan zeer velen ontbreekt deze. Schrijver denkt dan speciaal aan eigen Kerken (Gereformeerd). Een deel doet alsof er niets is gebeurd, 't Komt wel weer terecht. De wereld draait nog. Bij een ander deel is alleen angst en vrees. Overal worden gevaren gezien. Slechts een klein gedeelte weet te dragen in het geloof, de toekomst van persoon en volk, land en kerk rustig stellende in 's Heeren Hand. Duidelijk blijkt derhalve dat er gebrek is aan geloof. En zónder geloof is er geen vastheid, geen Gode welbehagelijk leven. De weg tot verbetering is daarom de weg van dit gebed: Heere, vermeerder ons het geloof. Dit is eene zaak van de eerste orde. Een zaak van de tweede orde is het gebrek aan levensernst, het gebrek aan het zien van de dingen, zooals de Schrift ons dat leert. Levensernst wordt dan gezien als ernst maken met het leven, zooals de Schrift ons daarin voorgaat. De tegenwerping wordt nu gemaakt, dat men geen ernst kan maken met het leven, omdat men zoo weinig weet. Zoo weinig verstaat van wat er gebeurt. Dan wordt echter de ware ernst niet verstaan. Want ernst beteekent niet de hoop koesteren om alle moeilijkheden te boven te komen. Het beteekent heel het menschelijk leven zien in het licht van Gods Woord, 't Is loslaten van eigen beschouwing, om te vragen wat God wil dat we van het leven zullen oordeelen. Dan komen we weer uit bij het geloof. Velen zijn oppervlakkig, omdat men zich over de dingen heenzet of geen narigheid kan hebben of tevreden is met eigen voorspoed. Dan wordt bij slagen de teleurstelling des te grooter. Bij de anderen is er de vrees, omdat ze niet uitkomen boven de krantenberichten en geruchten. Ze komen niet boven 't menschelijke uit. Schriftuurlijke levensernst staat tegenover oppervlakkigheid en angst.
Voor onzen tijd mogen we zeker woorden over levensernst en dan speciaal Schriftuurlijke levensernst wel onderstrepen. Met opzet wijzen wij op dat Schriftuurlijk. Want in tegenstelling met de velen, die Prof. Aalders in hun oppervlakkigheid teekende en die alle levensernst missen, zijn er ook die niet gaarne onder dezulken gerekend wenschen te worden. Men is op eigen wijze ernstig. Maar dit is niet een ernst, geboren uit ware vreeze Gods, integendeel, men heeft een eigengemaakte ernst, bij welke men een eigengemaakte God en een eigengemaakte Schrift laat aanpassen.
Van het Christendom wordt iets heel gemakkelijks gemaakt. In één van zijn lezingen heeft Ds G. J. A. Jonker eens gezegd: „Wij hebben van het teeken der schande (het Kruis) een teeken der eere gemaakt, het tot den dienst der ijdelheid en der mode opgeroepen, het nagemaakt van goud en omzet met brillanten. We meesmuilen wat om dien onnoozelen Heinrich Seuse, die onder zijn monnikspij op den rug een kruis droeg met dertig scherpe nagels ; die toen hij den eersten keer de pijn voelde, bezweek en met een steen de spitsen der spijkers ietwat omboog, maar spoedig zich schaamde en ze weer scherp vijlde en daarna het kruis droeg dag en nacht, acht jaren lang. Wij maken het ons niet meer zoó moeilijk, wij weten het ons wel gemakkelijk te maken''. Verder wordt er op gewezen, dat „de geest van de vooruitgang" op ons verzoek ons een mooi huis, electrisch licht, enz. gegeven heeft. Ja, ook prachtige kerken, welsprekende dominees, preeken van 25 minuten. Van de duivel werd niet meer gesproken, de hel werd zelfs aangenaam gemaakt. Zoo zorgde de geest van de vooruitgang voor een gemakkelijke godsdienst. Nu kon de mensch zich in zijn gemakkelijke stoel languit achterover werpen en geeuwend zeggen : nu is de godsdienst zoo gemakkelijk gemaakt, idat ik er mij niets van behoef aan te trekken.
Zoo kan het óók. Zoo komt het óók voor. Gelijk hebt ge echter, wanneer ge zegt dat dit toch in onze kringen zóó niet zal aangetroffen worden. Volkomen waar. Maar, dat wil nog geenszins zeggen, dat we daardoor dan reeds de ware levensernst zouden bezitten. Wij willen onder ons niet tornen aan de Schriften Gods. Wij willen óók niet, dat anderen er aan tornen. Men zal laten staan, wat geschreven is. Maar verder ? Dan zijn er honderden die leven alsof het Getuigenis Gods hèn niet aangaat. Met alle „respect" voor den Bijbel is het nog nooit verstaan dat die Bijbel zegt: Gij zijt die man. Oppervlakkig wil men echter niet graag heeten. Men leest toch de Schrift. Zegt toch dat de Heere regeert. Gaat noig ter kerk, enz. enz. Kreeg men echter eens bericht, dat de Bijbel van a tot z onjuist was, 't zou wellicht wat vreemd aandoen, wat moeilijk zijn zich aan deze gedachte te wennen, maar de levenshouding en inhoud zou er totaal niets door gewijzigd worden. Want het etiket op het leven heeft alleen een christelijk tintje, maar de levensrichting is aan Gods Woord geheel vreemd. Naast dezen zijn echter nog heel wat andere „ernstige" menschen te bespeuren. Inderdaad zijn er, die zekere indrukken hebben van de Majesteit Gods en de eigen geringheid. Van 's Heeren heiligheid en eigen slechtheid. Er is een zeker opmerken van de oordeelen des Heeren. De vreeze voor dood en eeuwigheid kan aangrijpen. Er is, uitwendig althans, een nauwkeurig betrachten van sommige geboden des Heeren. Want men weet, dat de Heere aan Zijn eere moet komen in het leven. Deze verschillen weer in zeker opzicht van hen, die bepaalde „ernst" zeggen te maken met een gedeelte van de waarheid Gods. Men heeft het steeds over eigen diepe val en ongehoorzaamheid. Over algeheele bedorvenheid en vijandschap. Over verlorenheid en schuld. Maar men is in deze „ernst"' verder zeer rustig en zelfgenoegzaam. Men vertoont het onzinnige beeid van iemand, die zich in een brandend huis bevindt en daar rustig blijft spreken over de hitte van het vuur en het vreeselijke van te moeten verbranden. Over de onmacht komt men niet uitge sproken. Terwijl de onwil niet wordt genoemd en men aan de eischen sn rechten des Heeren in het geheel niet toekomt. Daarmee wordt geen „ernst" gemaakt. Zondag 3 van den Heid. Catechismus heeft dan meer bijval dan Zondag 4. Daartegenover treffen we nu hèn aan, die zoogezegd weer volle „ernst" maken met de rechten en eischen des Heeren. We moeten voor Hem leven. We moeten heilig zijn. We moeten ons bekeeren. Inderdaad is dit zoo. Men is altijd met een ongebroken hart in eigen kracht bezig den Heere te behagen. Zelfs kan er een ijver tot God zijn, die geweldig is, doch zonder verstand. Want uit de eischen des Heeren besluit men niet alleen tot zijn verplichting om deze eischen te vervullen, maar men doet ailsof we het nu ook wel vermogen. Van algeheele verdorvenheid en geneigdheid tot alle kwaad wil men liever niet hooren. Men stoot zich aan de noodzakelijkheid der „wedergeboorte". Als men 't woord onmacht beluistert, staat men onmiddellijk gereed met de beschuldiiging van lijdelijkheid. In al deze gevallen, welke talloos vele zijn, is geen sprake van de ware levensernst. Het eene moge sympathieker zijn dan het andere, het eene mag „beter" zijn, dan het andere, ze vallen allen onder het oordeel Gods. Daarop hebben wij wel te letten. Want in al deze vormen van „ernst' is geen sprake van ware ernst met al wat God ons: in Zijn Getuigenis zegt over onszelf, over Zijn openbaring in Christus , Iezus, over de weg der zaligheid, over onze roeping in dit leven. En de waarachtige bezigheid daarmee zal alleen aanspraak kunnen maken op de naam van ware levensernst. Dan komen wij bij de werken Gods. Hij heeft alles goed gemaakt. Dan komen we bij ons werk. Wij zijn door moedwillige ongehoorzaamheid van God afgevallen en onbekwaam' geworden tot eenig goed, tenzij, wij door den Geest Gods wederomgeboren worden. Maar nu komen we ook bij dien God, Die recht heeft te eischen. Die het 'geroofde terugvraagt. Nu wordt ons getoond dat werk Gods in Christus Jezus, waardoor verzoening teweeggebracht wordt voor doodschuldige zondaren. De verkondiging gaat uit dat de zaligheid alléén uit den Heere is, naar Zijn vrijmachtige verkiezing. We mogen het wel zóó uitdrukken: Ons wordt getoond in alles de heilige ernst Gods. We kunnen in onze dagen wel eens beluisteren de uitroep : Als er nu toch een God was Die ernst met Zijn schepsel maakte, dan zou het toch wel anders en beter loopen. Daar hebt ge weer het bewijs, hoe wij alles onderstboven keeren. Want het is zooals Hellmuth Frey opmerkt in „Das Buch der Anfange", dat God juist in Zijn oordeelen Zijn Neen uitspreekt over onze ongerechtigheid. Dat is de ernst, welke God maakt met onze afval, met onze schuld. Hij maakt daar zulk een bloedige ernst mee, zulk een ernst tot het bittere einde, dat Hij nog eerder het Kruis opricht voor Zijn Eigen, Eeniggeboren, Heilig Kind Jezus, dan dat Hij de zonde ongestraft laat. Maar daardoor komen we ook te staan midden in de ernst die God maakt met het werk der verlossing. Hij betaalt Zichzelf. Neen, Hij ziet niets door de vingers, maar Hij zorgt Zélf voor het Lam ten brandoffer. En nu is het, zooals de artikelen tegen de Remonstranten zoo schoon zeggen : als degenen die door de bediening des Evangelies geroepen worden, komen en bekeerd worden, dan moet dat niet aan den mensch worden toegeschreven, maar alleen aan God. De velen echter die, hoewel door de bediening des Evangelies geroepen, niet komen, kunnen de schuld niet zoeken in het Evangelie, noch in Christus, noch in God. Maar de schuld ligt in die geroepen worden. Want „zoovelen als er door het Evangelie geroepen worden, die worden ernstiglijk geroepen. Want God betoont ernstiglijk en waarachtiglijk in Zijn Woord, wat Hem aangenaam is; namelijk dat de geroepenen tot Hem komen. Hij belooft ook met ernst allen, die tot Hem komen, en gelooven, de rust der zielen en het eeuwige leven". Door dit alles wordt de ware ievensernst bepaald. Het werk des Geestes openbaart zich dan ook hierin dat er ware ernst gemaakt wordt met de onmacht. Deze wordt dan gekend.als schuld voor God. Met het recht Gods om de volbrenging Zijner geboden te eischen. Met het recht te straffen. We leeren er onder buigen en het billijken. Dit werkt de ware vernedering en ootmoed. Maar dan komt ook de ware ernst met het aanbod der genade. Met de weg der zaligheid in Christus. Dan wordt die worsteling geboren om te komen tot het geloof in Hem. En als uit het geloof in Hem geleefd mag worden, dan is er de ware Ievensernst met Gods geboden, om te doen wat den Heere welbehagelijk is. Daarbij wordt dan ook gevonden de ware ernst met de beloften Gods. Dat Hij getrouw blijft en Zijn Kerk in stand houdt. In die Ievensernst leeren wij het licht zien in Gods licht. Leeren wij ook de ware ernst kennen in verband met onze roeping als kind, als Vader en Moeder, als lid der gemeente. Dan wordt de godsdienst niet gemakkelijk gemaakt of afgeschaft. Maar dan is onze godsdienst ware vreeze des Heeren, een liefdedienst die nooit verdriet.
Aan de gemeente Gods, die te Vlaardingen is
Ds G. Grootjans te Vlaardingen schrijft in de (Hervormde) „Zondagsbode" van den ring Schiedam en het Westland over het eenheidsstreven. Hij zegt daarbij onder meer het volgende :
Ge hebt gelezen van de actie van iemand, die de Hervormde en Gereformeerde kerk weer wilde samenbrengen tot een kerkelijke eenheid. In dat verlangen zal iets van het heimwee van Gunning zitten naar de Una Sancta. Inderdaad, de gescheidenheid is maar al te groot, droef groot. Stel u eens voor, dat de apostel Paulus een brief had geschreven: Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, aan de gemeente Gods, die te Vlaardingen is.
Waar had die brief bezorgd moeten worden? Aan welk adres had de post zich moeten vervoegen? Bij de kerkeraad van de Hervormde gemeente, of bij de Gereformeerde kerken, of bij de Christelijke Gereformeerde gemeente, de Gereformeerde gemeente, de Vrije Gereformeerde gemeente, de Oud-Gereformeerde gemeente, de Vrije gemeente, de Remonstr. Geref. gemeente, en, die mag, ik todh ook niet vergeten, de Roomsch katholieke kerk ?
Ik denk: die brief werd nergens afgegeven. De bezorger zou de kluts kwijt raken. Voelen wij in deze dingen wel, dat het toch niet in orde is met het kerkelijke en dus met het geestelijke leven in ons volk. En hebt ge er groote moed op, dat in al deze dingen er nu zoo maar een ritseling zal gaan door de dorre doodsbeenderen ? Eén ding staat voor ons toch wèl vast: niet door wat opgeschroefde menschelijke actie kan hier genezend gewerkt worden. Wij hebben ons te verootmoedigen en te bidden: Och, dat Gij de hemelen scheurdet en nederkwaamt. Veni Creator Spiritus: kom. Heilige Geest, en herschep Gij onze harten.
Besef van eenheid.
Ds H. G. Groenewoud schrijft in het Hervormd weekblad de Gereformeerde kerk (confessioneel) over de stemmen tot eenheid en vereeniging, die thans in meerdere kerkelijke kringen opgaan. Wij doen hieronder een deel van zijn beschouwingen volgen : „Zonder twijfel zullen er weerstanden overwonnen moeten worden. Vooral de weerstand van ons ik, dat zich handhaven wil. We zullen onszelf moeten verloochenen en alle gelijkhebberij; aan den kant moeten zetten. Maar dat we werkelijk tot elkaar kunnen komen, hebben de mobilisatie en de oorlog bewezen; die twee hebben er ook toe meegewerkt. De regeling van het werk der reserve veldpredikers; de dagelijksche omgang in allerlei, ook gevaarlijke, omstandigiheden ; de ontmoeting in militaire tehuizen en op soldatenclubs en dergelijke hebben iets doen doorbreken van de eenheid der geloovigen onder een deel van ons volk. Men kwam ook uit zijn kerkelijk huis. De uniform werd symbool ook voor geloofseenheid. Deze winst mogen we niet verloren laten gaan, niet wegwerpen; we moeten dit vasthouden. Het gevaar is er, en het is niet gering, dat men thuis gekomen, ook dit alles rustig beschouwt als afgeloopen en zich weer terugtrekt en verschanst in zijn eigen kring, tegenover zijn strijdmakkers en geloofsgenooten. Daarom is het gewenscht, dat men middelen beraamt, het vast te houden en uit te breiden tot de geheele gemeente. Ondanks, zelfs in merkwaardige tegenstelling met een scherp omlijnd besef van principieel verschil, is er onder het kerkvolk bezig te groeien een besef van eenheid der geloovigen. Laat dit bewustzijn versterkt worden, zoodat er in de gemeente krachtig de behoefte aan samenleving gevoeld wordt ; dan zal ook van haar de roep om hereeniging uitgaan; dan zal er een beweging ontstaan, die machtig genoeg is, om de dammen te doorbreken.
En de verschillen dan ? Ik geef toe: die zijn ernstig en diepgaand. En we mogen geen eenheid doordrijven ten koste van heilige beginselen. Maar als we ondanks alles wat ons scheidt, aan onze eenheid in Christus, onze kerkelijke eenheid dus, vasthouden, verkeeren we in een gunstiger positie en in een geschikter atmosfeer om die geschillen onderling uit te maken, dan wanneer we ons verharden in de scheidingsgedachte. De ontwikkeling van den kerkelijken toestand in de laatste jaren, alsmede nieuwere inzichten in kerkrecht, kerkgeschiedenis en dogmatische vragen, zijn gunstig voor openhartige bespreking op den grondslag van kerkelijke eenheid. Maar dan steeds in onderwerping aan Gods Woord, de oplossing der geschillen in het geloof verwachtende van den Geest, die al dieper inleidt in de Waarheid des Woords, terwijl Hij leugen en dwaling oordeelt en bant."
Prof. Dr K. Schilder.
In De Bazuin schrijft Prof. Dr K. Dijk : „Het zal voor niemand, die meeleeft, meer een geheim zijn wat in het laatst van de vorige week onzen hooggeachten en geliefden Prof. Schilder overkomen is. De autoriteiten hebben het noodzakelijk geacht hem van zijn gezin en van zijn arbeid weg te voeren, en hij is gegaan als een „vroom Christen, die met een vrije en goede consciëntie voor zijn hemelschen Koning gestreden heeft. Wij mogen over deze wegvoering geen oordeel neerschrijven, maar wij kunnen niet nalaten uiting te geven aan ons innig meeleven met den kloeken strijder en zijn gezin, die zeker mogen zijn van de hartelijke belangstelling van geheel ons volk en van het gedurig gebed van allen, die den open weg kennen tot den genadetroon Gods".
Een kerkgebouw onder den hamer.
Het kerkgebouw van de Geref. kerk in Hersteld Verband te Baarn ter grootte van 2 Are 91 c.A. is publiek verkocht en voor ƒ 3310.— overgegaan in handen van den heer A. Noordijk aldaar. De geheele inventaris werd door den heer Noordijk voor ƒ 101.— eveneens gekocht. Er bestond voor deze openbare verkooping groote belangstelling. De leden van de Geref. kerk in H. V. die te Baarn woonachtig zijn, kerken tegenwoordig te Amersfoort. Wereldbond der Kerken. In verband met het eenheidsstreven, dat in den laatsten tijd tusschen verschillende kerken openbaar werd, heeft het bestuur van de afdeeling Nederland van den Wereldbond der kerken besloten het orgaan „Oecumenisch Christendom", wat de redactie betreft, met vijf personen uit te breiden, die als afgevaardigden van bepaalde kerkgenootschappen in het hoofdbestuur zitting hebben, terwijl de in functie zijnde redactie-leden uitdrukkelijk als zoodanig hun eigen kerk vertegenwoordigen zullen. Naast Mr J. C. Baak, Dr F, M. Böhl en Dr J. A. Cramer, zijn nu als redacteuren opgetreden de heeren Mr Dr A. J. v. d. Berg, Ds F. Dijkema, Dr R. Miedema, Dr J. A. Rust en Dr G. Ubbink. Mr Baak zal als secretaris van de redactie optreden.
De studeerkamer centraal punt.
Prof. Dr V. Hepp schrijft in „Credo" : „De improviseerende dominees sterven uit. De gemeente is van hen evenmin gediend als van de alles lezende dominees. Uitzonderingen dan daargelaten. Begenadigde improvisatoren zullen er blijven. Zij kunnen in het harnas van de uitgeschreven preek zich niet bewegen. Doch de voorstudie verwaarloozen zij niet. Ook zijn er, die zoo voortreffelijk lezen, dat een direct woord geen dieper indruk kan maken. Het meerendeel echter volgt een andere methode. Stellig tot profijt van de gemeente, die eenerzijds het preeken maken in het zweet des aanschijns, anderzijds het contact tusschen hem, die op den kansel staat, en hen, die er onder zitten, op hoogen prijs stelt. Want niet alleen de doiminees, maar ook de gemeenteleden zijn veranderd. Vroeger vergde men van een predikant dat hij zich van den Maandagmorgen tot den Zaterdagavond in de gemeente bewoog en vóór dag en dauw tot den laten avond voor bezoekers klaar stond. Ter ontspanning gunde men hem dan wel eenigen tuinarbeid, wat het voordeel afwierp, dat het tractement aan den lagen kant kon worden gehouden en wandelingen met zijn in den regel talrijk kroost, wat een hulpje in het gezin uitspaarde. Men beschouwde hem als afgestudeerd. Hij moest hoofdzakelijk ervaring opdoen. De preeken kon hij wel uit zijn mouw schudden. Die tijd is voorbij. De gemeente is tot de overtuiging gekomen, dat de studeerkamer 't centrale deel van de pastorie uitmaakt. Zij ziet liever goed gevulde boekenkasten in een behoorlijke ruimte, dan een paar boekenplanken in een benauwd zijvertrek. Zij: respecteert de studietijd van haar pastor, tracht hem daarin niet te storen, mits hij zich niet als 'n kluizenaar opsluit en het overschrijden van den drempel zijner gemeentenaren niet schuwt".
De eerste Christelijke Ambachtsschool geopend te Dokkum .
De op 26 Oct. 1929 opgerichte Vereeniging voor Christelijk Nijverheidsonderwijs te Dokkum, had dezer dagen de groote voldoening haar Chr. Ambachtsschool officieel te zien geopend. Zij had aanvankelijk haar taak beperkt tot het geven van cursussen voor timmerlieden, schilders en metalbewerkers, doch op 1 Febr. 1939 had zij haar eigenlijke doel bereikt: toen werd de vereischte verklaring door den Gemeenteraad verstrekt en 14 Dec. van het vorig jaar kwam de beslissing af, dat met ingang van 1 Dec. 1939 de subsidieering van een Prot. Chr. Dagambachtssohool te Dokkum, zij het voorloopig alleen voor de afdeeling timmeren, werd goedgekeurd. Hoewel de school reeds in April is begonnen, kon de officieele opening niet eerder plaats vinden, in verband met het niet gereed zijn van het gebouw. De plechtigheid werd bijgewoond door vele genoodigden, waaronder de Gemeentebesturen der Noord-Friesche gemeenten rondom Dokkum, veel hoofden van scholen, vertegenwoordigers van vakorganisaties, enz. De opening geschiedde door den heer W. Polderman, inspecteur Nijverheidsonderwijs te 's-Gravenhage.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's