UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.
De rechtvaardigheid is uit het geloof : niet uit de werken. Wie zijn Abrahams kinderen ? Vers 6—14. (V.).
Hoofdstuk III.
Vervolg vers 8.
Over de voortreffelijke en heerlijke woorden: „Abraham geloofde Gode" en „Ik heb u tot een vader gesteld over vele volken", woorden, die hoog van het geloof opgeven, en die beloften aangaande geestelijke werkelijkheden inhouden, loopende Joden achteloos heen. Ook nemen zij ze niet ernstig, en door hun dwaasheden en goddelooze uitleggingen verdraaien zij ze zelfs.
De Joden zijn namelijk verblind, alsmede verhard. Daarom zien zij niet, dat in bedoelde teksten gehandeld wordt over het geloof in God en de gerechtigheid voor Zijn aangezicht.
Paulus beschrijft in de woorden: „En Abraham geloofde Gode" den oprecht geloovigen Abraham, die beschikte over een geestelijke belofte; die een man was, welke niet verstrikt was in dwaling, en die niet leefde naar het vleesch, doch die uit den Heiligen Geest was geboren, en niet uit Adam.
Over dezen Abraham, die door het geloof vernieuwd en door den Heiligen Geest wedergeboren is, spreekt de Heilige Schrift, en zij kondigt aan, dat hij een vader zal worden van een menigte volken, hetgeen inhoudt, dat hij alle volken ontvangen zal als een erfenis, wijl gezegd is: „In u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden".
Door dergelijke en andere uitspraken der Heilige Schrift wordt ons Abraham als een nieuwe mensch geschilderd, afgezien van zijn huwelijk en wat daarmede samenhangt. Abraham wordt voorgesteld, hoe hij voor God is, namelijk een geloovig man, die door zijn geloof gerechtvaardigd is, en wien God, omdat hij gelooft, de belofte schenkt: „gij zult een vader veler volken worden'' en „in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden".
Op grond van deze dingen zegt Paulus, dat de Schrift alle roem en gepoch der Joden aangaande de Wet met voeten treedt, omdat aan Abraham de heidenen als erfenis gegeven zijn; en zulks is niet geschied door de Wet en de besnijdenis, maar lang daarvoor: uitsluitend door de gerechtigheid des geloofs.
Het roemen der Joden, dat zij gezegend genoemd worden, omdat zij kinderen van Abraham zijn, is dus ijdel. Weliswaar is het een bizonder voorrecht en oogenschijnlijk een reden, om zich op te beroemen, dat men Abrahams zaad is (Romeinen 9 vers 4), maar voor God is dit zoo niet.
De Joden verdraaien de teksten, die van bedoelden zegen spreken, dan ook op goddelooze wijze, daar zij er een vleeschelijken, uitwendigen zegen in lezen, waardoor zij de Schrift geweld aandoen, die spreekt van een geestelijken zegen, hetgeen ook niet anders verstaan kan en moet worden.
,,ln u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden", zoo heeft God gezegd. Wie is deze ,,u" ?
Antwoord: de geloovige Abraham; in zijn geloof of in den toekomstigen Christus (Abrahams zaad), in wien hij geloofde, zullen alle volken gezegend worden.
Hieruit volgt, dat ook wij deelen in den zegen en de belofte van Abraham, en dat de Christus van Abraham ook ónze Christus is. Voor onze zonden is Christus evenzeer gestorven als voor die van Abraham. De Joden mogen dus in geenerlei opzicht het woord „zegen" verzwakken en verdraaien. Omdat zij de Schrift onder een deksel zien, geven zij er geen acht op, waarover precies de beloften handelen, welke den vaderen geschonken zijn.
Wij moeten daarop echter wel zeer bedacht zijn, en doen we dat, dan zullen we zien, dat God met den patriarch Abraham niet spreekt over de Wet of over wat hij doen moet, maar over hetgeen hij gelóóven moet. God spreekt met Abraham over de beloften, die in het geloof worden aangegrepen.
En wat doet Abraham ? Hij gelooft deze beloften. Wat doet God met den geloovigen Abraham ? Hij rekent hem het geloof tot rechtvaardigheid, er meerdere beloften aan toevoegende.
Zoo dan, die uit het geloof zijn, worden gezegend met den geloovigen Abraham. Vers 9.
De nadruk valt op de woorden „met den geloovigen Abraham", en hierop komt alles aan.
Zeer duidelijk maakt Paulus onderscheid tusschen Abraham en Abraham. Hij maakt van één persoon er twee, en het is, als wil de apostel zeggen: de een is de Abraham der werken, en de ander is de Abraham des geloofs. Met den Abraham der werken hebben wij niets te maken. Want staat er niet in Romeinen 4 vers 2 : „Indien Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zoo heeft hij roem, maar niet bij God".
Laten de Joden zich maar beroemen op een Abraham, die vader is van vleeschelijke kinderen, die goede werken doet, de Wet in acht neemt en besneden is. Wij voor ons beroemen ons op den geloovigen Abraham, van wien de Schrift zegt, dat hij door zijn geloof den zegen der gerechtigheid heeft verworven, en dat niet alleen voor zichzelf, maar ook voor allen, die gelooven gelijk hij.
En zoo wordt de wereld den geloovigen Abraham in erfelijk bezit beloofd. Gansch de wereld wordt gezegend, dat wil zeggen: zij ontvangt de toerekening der gerechtigheid, wanneer zij gelooft als Abraham.
Deze zegen is dan ook niets anders, dan de belofte des Evangelies; en dat alle volken gezegend zullen worden, beteekent, dat zij den zegen zullen vernemen, namelijk de belofte Gods, die door het Evangelie gepredikt, en onder alle volken verbreid worden zal.
„Zegenen" is dus het woord des Evangelies verkondigen, Christus belijden, en de kennis van Hem verbreiden onder alle volken. Zulks is het priesterlijk ambt en het dagelijksch offer van de kerk des Nieuwen Testaments, welke dezen zegen uitdeelt door haar prediking, door de bediening der sacramenten, enz.
Deze zegen is een aanleiding tot roemen: niet naar de wereld, maar voor het aangezicht Gods. Want wij mogen vernemen, dat onze zonden vergeven zijn, en dat God ons in genade aangenomen heeft. Ook is God onze Vader, en wij zijn Zijn kinderen, op wie Hij niet toornt, doch die Hij bevrijden wil van zonde, dood en ellende, om hun gerechtigheid, leven en eeuwige zaligheid te schenken.
Over dezen zegen hebben de profeten overal gesproken, en zij namen Gods beloften niet zoo koel en koud op als de goddelooze Joden en de tegenwoordige Sophisten en dwaalgeesten. Vlijtig hebben de profeten uit de beloften Gods alles geput, wat zij over Christus en Zijn Rijk voorzegd hebben.
Wanneer dus ook de heidenen gezegend worden, dat wil zeggen : wanneer God ook hen voor rechtvaardig houdt, dan volgt hieruit, dat ook zij vrij zijn van zonde en dood, en deel hebben aan de gerechtigheid, de zaligheid en het eeuwige leven : niet op grond van hun werken, maar wegens hun geloof in Christus.
Bedoelde zegen wordt echter alleen verkregen door het geloof.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's