De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

9 minuten leestijd

Alsdan zult gij beginnen te zeggen : Wij hebben in Uwe tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en Gij hebt in onze straten geleerd. En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, vanwaar gij zijt; wijkt van Mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid! Lucas 13 vers 26, 27.

De discipelen stellen den Heere de vraag of het aantal dergenen die zalig zullen worden, groot of klein zal zijn. Op deze vraag antwoordt de Meester, dat dit een ongepaste nieuwsgierigheid is en voegt er de vermaning aan toe : Strijdt gij om in te gaan. De weg naar den hemel is smal en de poort is eng ; want velen zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen. God is de Heer des huizes, die de deur sluit en niemand opent. Geen dief zal zijn hemelsche woning inbreken; niemand, die den Heer des huizes onbekend is, zal inkomen.

Een ieder gaat naar zijn eeuwig huis en allen zullen aan die poort moeten verschijnen. Dit verschijnen baart menigeen zorg. Want door den invloed der prediking weet elkeen, dat er gevaar dreigt, dat velen zullen buitengeworpen worden, omdat zij zich niet bekeeren. Daarom gaan zij iets doen. Zij willen met iets in de hand voor den Rechter kunnen verschijnen. Zij denken in den grond huns harten het werkverbond te kunnen herstellen. Zij weten wel, daarin veel tekort te zullen komen, maar dan zal God door Zijne genade het overige wel aanvullen; Hij heeft immers Zijn Zoon gezonden. Maar dan komt de ernstige vraag : „Hebt gij wel deel aan dien Zaligmaker ? "

Even een schrik. Spoedig echter is alles hersteld. Gerust en zeker gaan dezulken hun weg. De duivel vermeerdert nog die zekerheid. Hij wijst op beloften voor zondaren. Het wordt een opgaan onder het Woord, een deelnemen aan de sacramenten van Doop en Avondmaal. Op allerlei wijze wordt Christelijke arbeid verricht. Op vergaderingen wordt gesproken over Christus op alle gebied des levens. Christus' heilige naam wordt zelfs gebruikt om allerlei wereldsche dingen goed te praten. Iemand, die zoo in de Christelijke sfeer heeft geleefd, kan toch wel gerust zijn over zijn leven na den dood, heeft Gods Koninkrijk bevorderd en heeft den hemel toch ruim verdiend, zal althans aan de hemelpoort niet worden teruggezonden in de buitenste duisternis, waar weening is en knersing der tanden. Eindelijk komt dan na een z.g.n. welbesteed leven ziek- en sterfbed. In een advertentie staat iets van het eeuwig leven en voor de meesten is het daarmede afgedaan.

Maar niet alzoo voor den gestorvene zelf. Want in onze tekst wordt de voorstelling gemaakt van reizigers, die binnengelaten wenschen te worden door de deur des hemels. Maar helaas, de deur is gesloten. In een ander evangelie sluit dit woord aan bij de gelijkenis der wijze en dwaze maagden. Ook de dwaze maagden komen aan de poort en vinden die gesloten. En op haar vraag om binnengelaten te worden, antwoordt de heer des huizes : Ik ken u niet. Zoo zal het dien mensch vergaan, die meent zoo Christelijk te hebben geleefd. En hij zal zeggen : „Maar Heere, vergist Gij u niet ? Kent Gij mij niet ? Ik heb in Uwe tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en Gij hebt in onze straten geleerd".

In Zijne tegenwoordigheid gegeten en gedronken. Zijn leven, zoo dacht hij, was in gemeenschap met den Heere, onder Zijn dak, het oog van God was over hem; hij mocht genieten van Zijn goede gaven. Wellicht had hij ook aangezeten aan den disch des Heeren en gemeend gespijsd te worden met de spijze des eeuwigen levens. Met dit argument komt hij te staan voor den rechter, naar deze teekenen van zijn gunst verwijst hij den Heer des huizes. Op deze dingen beroept hij zich, om te toonen dat Hij hem toch kennen moet. Nog meer kan hij aanvoeren. De Heere heeft in de straten zijner stad geleerd. Voor de tijdgenooten van den Heere Jezus Christus beteekende dit, dat zij de woorden des Heeren hadden gehoord. Zijn wonderen hadden gezien, hadden waargenomen hoe de kreupelen wandelden, de dooven hoorden en de blinden het liefelijk licht aanschouwden. Voor ons beduidt het, dat wij in onze eigen plaats het Woord des Heeren hebben mogen vernemen. Het is een teeken van Gods groote lankmoedigheid, dat Hij nog steeds Zijn Woord wil doen uitgaan. Maar een teeken van Zijn lankmoedigheid is nog geen teeken van Zijn gunst. Ook het beroep op deze lankmoedigheid, dat Hij nog de middelen gebruiken wilde, heeft geen geldigheid voor den Koning der koningen. Het zijn valsche gronden, maar degene, die ze aanvoert, is hoogst verwonderd, dat zij voor God niet kunnen bestaan. Herkent gij u zelf, mijn lezer ? , hier wordt het beeld geteekend van hem, die meent den Heere toe te behooren, den mondbelijder. Vreeselijk zal de ontgoocheling wezen, wanneer de Rechter van hemel en aarde zal zeggen : ,,Ik ken u niet".

Nu antwoordt de Heer des huizes : „Ik zeg u. Ik ken u niet vanwaar gij zijt; wijkt van Mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid''. Hij spreekt met vollen nadruk als iemand, die geen tegenspraak duldt. Want Hij weet wat Hij wil. Hij weet, dat wat Hij zegt, waarheid is. Eigenwijze argumenten hebben geen geldigheid. Een beroep op eigen werk wordt afgewezen, ook op een vermeend recht vanwege de lankmoedigheid Gods. Alles wordt afgesneden met de woorden : ,,Ik zeg u". Het is God, die spreekt. Degene, die gebiedt en het wordt terstond. „Ik ken u niet vanwaar gij zijt". Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen, waarachtigen God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt. Van God gekend worden, dat is het leven, maar wanneer God den mensch niet kent, beteekent dat de dood. „Ik ken u niet, vanwaar gij zijt", dat beteekent: „Ik heb geen gemeenschap met u, gij zijt voor Mij als een vreemde. Gij hebt wel in Mijn huis verkeerd, maar gij wildet van Mij niet weten; gij hebt aan Mijn tafel aangezeten, maar gij waart onwaardig ; gij hebt wel gemeend deel aan het verzoenende werk van Mijn Zoon te hebben, maar gij waart een kind des duivels ; gij meendet wel Mij te dienen, maar gij diendet uzelf en den vorst dezer eeuw. Gij waart Mijn vriend niet.

Slechts één maatstaf blijft over, de maatstaf der wet. De wet zegt: ,,Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven staat in het boek der wet om dat te doen". De goddelijke gerechtigheid eischt: „Weest heilig, want Ik ben heilig". Wie kan bestaan in zulk een gericht ? Allen zijn werkers der ongerechtigheid. Vreeselijk is het oordeel over den natuurlijken mensch, want hij is een tegenstander van God en Zijn dienst, ook al belijdt hij met den mond, ook al heeft hij een eigenwilligen godsdienst, zelfs al heeft hij onder 's Heeren oog gegeten en gedronken, onder de verkondiging van Zijn Woord geleefd. Allen zijn zij afgeweken en derven de heerlijkheid Gods.

De Heer des huizes roept hun toe : Ga weg van mij. Hieruit spreekt het afgrijzen, de verfoeiïng van den hoogen God. Hij wil geen gemeenschap met hen. En juist dat beteekent de eeuwige dood, de straf voor immer, weening en knersing der tanden, ver van God, door een onoverbrugbare kloof gescheiden.

Zondaar, dit is uw voorland. Hieraan kunt gij niet ontkomen, als gij op eigengekozen paden wandelt en de rechte wegen des Heeren niet verkiest. Gij meent wellicht rijk en verrijkt te zijn en gij weet niet dat gij arm zijt en aan alles gebrek hebt.

„Maar wie kan dan zalig worden ? " zoo vraagt wellicht een uwer. Voorwaar een vraag, die het angstig gemoed kan stillen. Het antwoord van de Schrift luidt: „Niet één, maar wat bij de menschen onmogelijk is, is mogelijk bij God. Hij doet een afgesneden zaak". Want de zaak Zijner uitverkorenen zou afgesneden zijn, als Hij met Zijn Zoon het verbond der verlossing niet gesloten had en als het verbond der genade met de Zijnen niet bestond. Maar om dat verbond te leeren kennen, moet een mensch waarlijk zondaar worden, den dood leeren schrijven op al het zijne, sterven aan zichzelve. Als God het licht Zijns Heiligen Geestes laat schijnen in het hart, leert zulk een zijn ongerechtigheden kennen en zinkt hij weg in het gebed van den tollenaar : „O God, wees mij zondaar genadig". Hij beroept zich nergens meer op, want hij weet dat niets voor God kan bestaan en hij weent heete tranen over al zijn zonden.

Een deerniswaardige toestand? Neen, een zalige toestand, want nooddruftigen zal Hij verschoonen, aan armen, uit gena. Zijn hulpe ter verlossing toonen; Hij slaat hun zielen ga. Hij wil Zijn genade bewijzen aan armen van geest. Zij ontvangen deel aan Zijn Zoon Jezus Christus, en vergeving der zonden door Zijn bloed. Hij wil hen voeden met het brood, dat uit den hemel is nedergedaald. Hij wil hen doen drinken uit de fonteinen des levens om niet. Zij leeren des Heeren tegenwoordigheid kennen, wanneer Hij Zijn hand hun oplegt en hun zonden wegneemt. Zij leven bij de prediking in hun straten. Maar als zij het stuk der ellende hebben leeren kennen en het stuk der verlossing hebben beleefd, och, dan gaan zij ook het stuk der dankbaarheid beoefenen. Niet, dat dit stuk meevalt. De strijd is soms zwaar, want de oude mensch steekt zijn hoofd nog omhoog en bekampt den nieuwen mensch zooveel als in zijn vermogen is. De beproevingen blijven niet uit. De vijanden rusten niet. Kortom, het leven voor Gods volk is in deze wereld niet licht, omdat zij in deze wereld zijn, maar niet van deze wereld. In eigen kracht kunnen zij ook niets bereiken. Dan zouden zij vallen en niet weder opstaan, maar in 's Heeren kracht zijn zij meer dan overwinnaars.

Als eens de doodsure komt en ook zij moeten verschijnen voor de deur des hemels, dan zal de Heere des huizes daar staan en Hij zal zeggen : „Weest welkom, gij gekenden, alle gij gerechtvaardigden door het bloed van Mijn Zoon, komt in èn leeft in Mijne gemeenschap, want uwe kleederen zijn rein gewasschen en gij zult eeuwig zalig zijn". Alsdan zullen zij een nieuw lied aanheffen voor den troon : „Gij, Heere ! zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, en door Uwen wil zijn zij en zijn zij geschapen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's