De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NIENKE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NIENKE

FEUILLETON

5 minuten leestijd

VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN

(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 63)

Wat mocht toch het geheim van dat leven zijn! Dat vroegen de geneesheeren elkander wel eens af, als zij in een onderonsje de verschillende aangelegenheden van hun ambt bespraken; dat was wel eens het onderwerp van de Zusters in het theeuurtje, wanneer zij er niet bij was; daarover fluisterden soms de kranken in hun bedden als zij een nieuw verband gelegd, of de peluw geschud, of een lafenis gereikt, of een troostwoord gesproken had. Daar waren er, die door haar voorbeeld geprikkeld werden om het na te volgen, voor zoover het haar toewijding en volkomen overgave betrof, daar waren er óók, die het ternauwernood hebben konden, dat zij zoo de harten veroverde. Want dat laatste deed zij, zonder het te willen of te zoeken.

„Dat zoo'n knappe vrouw al haar levensdagen in een Ziekenhuis slijten gaat en nooit een man gekregen heeft, was een opmerking, die niet eenmaal, doch wel honderden malen gemaakt werd en óók niet sinds de laatste tijden, maar al gedurende eenige jaren. Want Zuster Ina was niet jong meer. Precies wist niemand het, hoe oud zij was, omdat zij er zich steeds met een grapje wist af te maken als het gesprek hierover ging, doch zéker was zij om-en-bij de veertig. Misschien ook nog wel even ouder, al bleek dit uit niets.

„Dat Zuster nooit eens getrouwd is, " waagde soms een patiënte te zeggen, doch dan was altijd haar antwoord : „Willen jullie mij dan zoo graag missen ? " Of : „Dan kan ik immers niet meer helpen verplegen."

Vooral de kinderen hingen haar aan. 't Was alsof zij de grootste teederheid harer liefde voor deze bewaard had en het allerliefst bij hun bedjes waakte. Eens had een kleine kleuter de handen om haar hals geslagen en toen gezegd : „'k Wou, dat u mijn lief moedertje was." Toen hebben de andere Zusters iets gezien, dat weldra onder de verpleegsters als een loopend vuurtje verspreid werd. Toen heeft Zuster Ina de kleine meid heel even aan haar borst gedrukt, en gekust, en een traan weggedroogd. Waarom had zij dat gedaan ? Wat was het, dat haar toen zoo machtig scheen aan te grijpen ? En als zij zooveel van kinderen hield, waarom zich dan buiten de maatschappij gesteld op een plaats, waar alle gaven van lichaam en geest gebruikt konden worden ; uitgezonderd het moederschap ? Omdat de volle toewijding van de gansche persoon noodig is voor de uitoefening van een arbeid, welke zooveel eischt ? Als gewoonlijk zijn de Zusters toen aan het fantaseeren gegaan. Of wellicht een ongelukkige liefde haar in de richting van de verpleging gedrongen kon hebben, gelijk dat wel meer gebeurde. Of dat zij thuis had achtergelaten, die haar lief waren, waaraan de jonge patientjes haar bizonder sterk herinnerden. Of dat het haar diep medegevoel was, dat zich 't meest naar de kleintjes uitstrekte. Of de uiting van haar godsdienstig leven, waarvan eenvoud en ootmoed bij haar de voornaamste trekken waren, gelijk zij meermalen, wanneer men haar tot Hoofdzuster wilde bevorderen, dringend vroeg, of zij gewoon Zuster mocht blijven, om al het werk te doen, dat deze moesten verrichten. Want godsdienstig was zij ook.

Alles samengevoegd was en bleef Zuster Ina voor haar naaste omgeving in velerlei opzicht een raadsel, doch was niettemin bij allen bemind.

Voor de zooveelste maal had dezen nacht weer het belletje geroepen, dat haar, nauw hoorbaar, naar een der bedden bracht. Een jonge vrouw, pas moeder geworden, met ingezonken wangen en groote oogen, vroeg haar hulp. Wat was zij nog jong. Zeker nauwelijks den kinderschoenen ontwassen. En nu reeds onder zulke omstandigheden hier! 't Zweet parelde haar op 't voorhoofd en plekte de verwarde haren aan de slapen. Kort was de ademhaling. Ongewoon snel joeg de borst. Een hooge koorts deed haar vernielend werk. Allerlei schrikbeelden doorwoelden het verwarde brein.

„'k Heb zoo'n dorst, Zuster", klaagde zij. „En ik ben zoo bang.'' In een oogwenk zat Zuster Ina naast haar en bood een beker melk. „Mag ik niet een beetje koud water? " „Melk; is beter. Drink dit nu eerst eens uit en dan wat water na. Zie zoo. Wacht, ik zal het kussen eens omkeeren, en wat eau de cologne halen. Heerlijk frisch, hé? Ben je zoo warm? "

„Zou ik dood gaan. Zuster ? " „'k Hoop, dat 't ergste geleden is. Vooral rustig blijven. Het kindje ligt zoo zoet te slapen."

„Arm schaap, zij heeft er geen weet van! O, Zuster, als ik nu eens dood ga!"

Bij deze woorden schokte het teergebouwde lichaam en wrong een snik zich door de keel. In het naaste ledikant kwam geritsel.

„Kalm wezen, kind, '' fluisterde de Zuster ; „Gods macht is groot. Bid Hem om uitredding."

„Ik kan niet bidden, Zuster. Ik bad nooit. Ik ken God niet. Maar ik ben bang voor Hem, en bang voor den dood."

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

NIENKE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's