DE DAG DES HEEREN
Johannes stond op het zand der zee
XIV.
Johannes stond op het zand der zee.
Het voorafgaande gezicht was een gezicht in den hemel. Thans wordt hij wederom naar de aarde verplaatst. Het volgende gezicht laat de dingen zien, die op aarde zullen geschieden en heeft inzonderheid betrekking op de dingen van het einde, als de duivel naar de aarde zal afgekomen zijn. Inzonderheid, want het bepaalt zich niet uitsluitend bij het einde, daar de geestelijke worsteling, welke ons wordt voorgesteld, en de krachten en invloeden, waardoor zij wordt opgeroepen en gevoed, door de gansche geschiedenis heengaan.
Openbaringen 13 herinnert onmiddellijk aan het woord van den apostel Paulus in 2 Thess. 2 : 7 v.v., waar hij spreekt over de verborgenheid der ongerechtigheid, welke alreede wordt gewrocht. In dit hoofdstuk spreekt hij van den mensch der ongerechtigheid en den zoon des verderfs, die geopenbaard zal worden op zijn tijd. Hij spreekt van zijn toekomst, zooals men ook van de toekomst des Heeren spreekt en stelt daarmede een tegenbeeld van deze laatste. Datzelfde ligt in het woord anti- Christ, een tegenbeeld van den Christus. Gelijk nu Christus een toekomst der heerlijkheid heeft, welke in den dag Zijner wederkomst zal openbaar worden, zoo wordt ook van een toekomst van den antichrist gesproken, als van een dag zijner openbaring, waarin hij op het hoogtepunt van zijn macht zal verschijnen.
Die toekomst nu wordt in het gezicht van Openb. 13 getoond in haar opgang naar de volle middaghoogte, om als sneeuw voor de zon te verdwijnen, als de Heere verschijnen zal, die den zoon des verderfs door den Geest Zijns monds zal verdoen. Zoo is de toekomst van den mensch der ongerechtigheid kort van duur. Ternauwernood tot haar volle openbaring gekomen, wordt zij te niet gedaan door de verschijning des Heeren. Doch de openbaring der ongerechtigheid tot haar hoogtepunt komt en het perspectief door den apostel Paulus geopend reeds door te spreken van zijn toekomst, wordt in de gezichten van Johannes als in een beeld geteekend.
Johannes zag een beest opkomende uit de zee en voorts een ander beest, dat uit de aarde opkwam, (vs. 11). De onderscheiding van zee en aarde moet op een typisch verschil der monsterachtige machten wijzen, die onder de figuur van een beest worden geteekend. Dat staat niet in den weg om de zee te verstaan als de volkerenzee, het gewoel der wereld, de golving der geslachten in de drukke bewogenheid van het leven, want het beest openbaart zijn macht in de menschenwereld.
Niettemin moet de opkomst uit de zee een beteekenis hebben. Het beest komt niet uit de aarde, niet uit den mensch, maar van buitenaf. Zooals een zeemonster opduikt uit de diepte der wateren, zoo komt het beest op uit den verborgen afgrond, dien de wateren bedekken. Het dringt in de menschenwereld binnen met zijn verschrikkingen.
Als Johannes dus de menschenwereld ziet als een zee, staat zij voor hem in de gelijkenis van de zee. Nu eens vlak en onbewogen, weerspiegelend het aangezicht des hemels, maar dan weer in woeste deining of opgezweept door de orkanen haar wateren opbruisend naar het donkere zwerk, dat zijn bliksemschichten lichtend uitschiet in de opschuimende koppen. Hij ziet de menschenwereld als de zee, diep en geheimzinnig. Zij schenikt een woning aan het wriemelend gedierte, waarvan zij is vervuld en herbergt de langwemelende slang.
Uit de zee zag Johannes het beest opkomen, dat de gansche wereld zal betooveren tot aanbiddens toe en den heiligen krijg aandoen tot overwinning. Het beest was een pardel gelijk, en zijn voeten als de voeten van een beer, en zijn mond als de mond eens leeuws. Het beest vereenigt in zich dus de eigenschappen van deze roofdieren, (vs. 2). Het heeft zeven hoofden en tien hoornen en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden en op zijn hoofden stonden namen van godslastering. Godonteerende namen dus. Deze namen drukken de wezenskenmerken van het beest uit, waaruit openbaar wordt, dat het tegen God strijdt. Dit wordt bevestigd door het volgende: en de draak gaf hem zijn kracht en zijn troon en groote macht. (vs. 2). Het beest wordt dus bezield door den draak. Het is de macht van satan om in het binnenste des menschen in te gaan, hem te bezetten. Toen de Heere op aarde was, waren velen van den duivel bezeten en het merkwaardige is, dat de duivelen den Christus kenden, terwijl zelfs degenen, die Hem volgden, nog niet verstonden, wie Hij was. Zij kenden Hem, want in die bezetenen zette de duivel zich op Zijn weg.
Satan toch is de wederpartij der Gods en voert den strijd tegen Christus en Zijn kerk, zoekende Zijn Koninkrijk te niet te maken. Daarom zal hij alles, wat in zijn macht is, aanwenden om zijn boos opzet te verwezenlijken. Zoo voert hij niet alleen krijg in den hemel, niaar ook op aarde. Dit laatste nu wordt in het gezicht voorgesteld onder het beest. De draak gaf zijn macht aan het beest met de zeven hoofden en tien hoornen. Vooreerst wordt daarin verklaard, dat het beest een verschijning van duivelschen oorsprong is. Het komt van buiten af in de wereld. Voorts wordt in de zeven hoofden en tien hoornen de veelvuldige machtsoefening en kracht in de wereld aangewezen. Het zal alle levensterrein te baat nemen om zijn invloed te doen uitgaan en zijn doel te bereiken.
Wij worden hier dus bij satanische invloeden op het geestelijk proces der wereld bepaald, die in allerlei richting het leven zullen doorzuren.
Het beest zal echter aanvankelijk niet tot zijn volledige openbaring komen, want Johannes zag één van zijn hoofden als tot den dood gewond. Tot den dood gewond, dat wijst op een schier algeheele onmacht. Het gewonde hoofd raakt alzoo aan een voornaam orgaan, dat in den strijd ten doode toe werd gehavend en op een tegenstander, die machtiger is dan het beest. Die tegenstander kan niemand anders zijn dan Christus, en wijl het beest in de wereld verschijnt, ziet deze trek van het beeld zeker op de overwinning van den Heere Jezus Christus, die in de wereld kwam om de werken der duisternis te verbreken.
Vergelijken wij daarbij Openb. 11 : 4 v.v., waar de Heere zelf strijdt tegen de vijanden, die de kerk trachten te verslinden, gelijk Hij door Zijn genade en Geest nimmermeer van de Zijnen zal wijken, dan werpt dit ook nog dit licht op de doodelijke wonde, dat hij zijn macht niet tot volle openbaring kan brengen, waar de Heere heerschappij voert door Zijn Geest. Zijn voornaamste kracht is gebroken. Immers de draak wil in de plaats van God staan en geëerd worden. Hij zocht zelfs den Christus in de verzoeking te verleiden om hem te aanbidden. Dat zoekt hij ook bij den mensch. Doch, waar de Heere gekend en gevreesd wordt, vindt hij den Heiligen Geest tegen zich, tegen Wien hij niet vermag, omdat het leven van Gods kinderen in Gods hand is en in Christus verborgen bij God. Eerst wanneer de wereldoverwinnende kracht des geloofs dien weerstand zou opgeven, zou de verleidende invloed van den satan veld winnen.
Doch nu wijst het gezicht er op, dat de doodelijke wonde van het beest werd genezen, m.a.w. dat die gebroken kracht zich herstellen zal. Het beest zal zijn macht allengs meer doen gelden. Dat wijist dus op een toestand, waarin de weerstand van het waarachtig geloof in de wereld zoo gering zal zijn, dat satan daarvan weinig of geen hinder zal ondervinden. De genezing van zijn wonde zal volkomen zijn, als de waarachtige religie zal zijn uitgeroeid. Wij hebben ook gelezen van een tijd, dat de getuigen zullen zwijgen en dood ter aarde liggen. (Openb. 11 : 8). En in Openb. 13 : 7 wordt aan het beest macht gegeven den heiligen krijg, aan te doen en om die te overwinnen. Men geve acht op dit laatste : om die te overwinnen. Die macht wordt aan het beest gegeven. Het ligt alzoo in Gods bestel. De satan krijgt zijn tijd en op dien tijd zal hij de kerk op aarde overwinnen.
De tijden zijn in Gods hand en alle macht is door God geordineerd. Ook de satan kan geen macht uitoefenen, indien het hem niet gegeven wordt. Wij weten echter, dat het hem gegeven zal worden. Dat is de genezing van zijn doodelijke wonde.
De tijden weten wij niet en deze dingen zijn ons niet geopenbaard, opdat wij zouden trachten de wereldklok vast te stellen. Men kan uit deze dingen echter verstaan, dat de tijd en de ontplooiing van de macht van het beest zal saamvallen met een verregaande ontkerstening der wereld. Ontkerstening der wereld beteekent genezing van de doodelijke wonde van het beest.
Nog eens, wij weten den tijd niet, die bij God verborgen is, doch wij kunnen met zekerheid zeggen, dat ontkerstening een voorteeken van het einde is. De Heere is machtig andermaal Zijn kerk op te heffen uit het verval, doch de verschijnselen van ontkerstening moeten ons in het licht van dit gezicht bedachtzaam maken, tot inkeer in ons zelf en tot verootmoediging brengen. Niet om haastelijk bewogen te worden vermaant ons de Heilige Schrift, doch tot waakzaamheid. Alzoo ook gijilieden, wanneer gij al deze teekenen zult zien, zoo weet, dat het nabij is, voor de deur. (Matth. 24 : 33). Maar ook dan nog volgt weer het Woord des Heeren: Doch van dien dag en ure weet niemand, ook niet de engelen in den hemel, dan Mijn Vader alleen, (vs. 36). Waakt dan; want gij weet niet, in welke ure de Heere komen zal. (vs. 42). En dan komt de Heere tot den persoon. Daarom, zijt ook giji bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des menschen komen. (vs. 44). Zoo hebben wij allereerst in eigen leven, in ons gezin, in de kerkelijke saamleving de verachtering van het geloof op te merken, opdat er een wederkeer moge komen tot het Woord in waarachtige vreeze Gods en wij niet verwerpelijk worden bevonden, die tot Zijn getuigen zijn geroepen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's