Uit de kerkelijke Pers.
De kennis der waarheid.--Het peil van kennis moet worden verhoogd.
De kennis der waarheid.
In zijn geschriftje „Voorwerpelijke en onderwerpelijke prediking" stelt Prof. Van Leeuwen de groote beteekenis van de kennis van de stukken der waarheid aan de orde. De waarde van het voorwerpelijke wordt allerminst door hem ontkend. Hij schrijft:
„Zelfs zou ik geneigd zijn te zeggen : het ware te wenschen, dat de gemeente er ( ......niet te lezen......)wijze, dat in iedere prediking nog meer stukken der waarheid zouden moeten worden opgenoemd.
Want dat mag den hoorder, die de waarheid verlangt te hooren, een gevoel van veiligheid geven ; en het mag den prediker een roep van getrouwheid verschaffen, zóó bedoel ik het toch niet. Zooveel in iedere preek, en altijd weer in dezelfde woorden, zou het niet het gevaar meebrengen van afstomping ?
Hij, die de uitdrukkingen, die ieder voor zich een ontzaglijke waarde vertegenwoordigen, gebruikt, en zij, die ze hooren, hanteeren ze zonder te beseffen, wat ze wel beteekenen. Het worden bekende en vertrouwde klanken, waarbij de ziel eerder insluimert dan dat zij ze gretig opvangt, en opspringt van vreugde.
Neen, ik zou wel wenschen, dat ieder der onderdeelen der waarheid op zichzelf eens uitvoerig en zorgvuldig werd behandeld. Meent gij, dat velen verstaan, wat eigenlijk het stuk der rechtvaardigmaking in heeft ? Of dat menigeen, die niet tevreden is, als hij de verzoening in Christus niet heeft hooren noemen, beseft, wat eigenlijk met de verzoening wordt bedoeld? Maar dan zou het niet moeten blijven bij een opnoemen van deze en andere dingen. Zij moesten niet behandeld „bij hoopen", zooals een kantoorbediende een stapel bankbiljetten door zijn handen laat gaan zonder dat ze hem eigenlijk belang inboezemen en hij zich rekenschap geeft van hun waarde. Doch stuk voor stuk, met liefde en inzicht. Dan zou de kennis der waarheid misschien weer wat toenemen, die in onze dagen zoo jammerlijk aan het afnemen is, ook in die kringen, waar men voor de waarheid strijdt". We dachten aan deze treffende woorden, die herhaaldelijk in meerdere bladen den besten tijd gewezen is op de noodzakelijkheid van meerdere kennis van de waarheid die naar de godzaligheid is. Ook in onzen tijd zou men woord voor woord van het aangehaalde kunnen nazeggen en voor zijn rekening nemen. Ook nu is de kennis der waarheid jammerlijk aan het afnemen.
En waar dit het geval is, heeft dit vanzelfsprekend noodlottige gevolgen voor het verstaan van de prediking des Woords in het Huis des Heeren. Vandaar is het te verstaan dat met klem wordt betoogd :
Het peil van kennis moet worden verhoogd.
Uit het vele, dat hierover gepubliceerd is, mogen we u wel wijzen op wat Prof. Hepp schreef in Credo. Hij wijst er op, dat de kennis van God en Zijn werken slechts een „kern" in de gemeente bereikte. De kring van meeloopers verwijdt zich. De kern echter heeft zich alle moeite getroost om kennis te vergaren. Toch is onder het tegenwoordige geslacht, ook bij de kern, minder bijbelvastheid te bespeuren dan vroeger. Eén van de oorzaken daarvan is, dat meer tijd afgezonderd wordt voor andere lectuur. Tevens heeft de, behartiging van materieele belangen het dagelijksche Schriftonderzoek teruggedrongen. Voorts wordt gewezen op het „intellectueele" gevaar, waardoor de eenvoudigheid des geloofs in de verdrukking komt. De kern is te verstandelijk geworden. De kennis is te weinig doortrokken van innige vroomheid. Kennis, die opgaat in verstandelijkheid, maakt opgeblazen. De prediking moet hierover aanmanen tot berouw en boete. Dit stelt voor allerlei moeilijkheden. Sommigen preeken nu alléén voor de kern en zijn tevreden, als anderen er iets van opvangen. Dit komt o.a. hierdoor, dat deze predikanten een preek mislukt achten, die niet een betrekkelijk hoog peil van kennis onderstelt. Weer anderen richten zich juist op het lage peil van kennis, dat in de gemeente gevonden wordt. Zijn er, die iets meer in de prediking begeeren, dan worden deze onmiddellijk onder de ontevredenen gerangschikt. De prediker gaat gewoon door, tevreden omdat hij meestal 't grootste gehoor heeft. Weer andere predikers wenschen rekening te houden met de geheele gemeente in al de schakeering van kennis, die er gevonden wordt. Ze trachten de gemeente op te trekken op hooger peil. Maar het resultaat is vaak allesbehalve moedgevend. De vraag dringt daarom : Wat moet er geschieden ?
Voor de kern wordt soms sterk dogmatisch gepreekt.
Voor de heele gemeente dikwijls tamelijk ondogmiaitisch.
Dit biedt hier uitkomst, alle zorg te schenken aan het dogmatisch element in de prediking. Een element, dat er niet wordt bijgesleept, maar dat geheel bij de Schriftverklaring past. Augustinus stelde de volgende twee eischen aan eene prediking : docere en movere, d.i. leeren en bewegen, (bewegen tot het geloof). En dat bewegen moet uit het leeren voortkomen. Het dogmatisch element moet een natuurlijke plaats in de prediking hebben. Daardoor moet de gemeente worden opgebouwd in het allerheiligst geloof. Wil het goed zijn, dan moet er in de gemeente 'n geweldige verandering plaats grijpen. Hiervoor moeten radicale maatregelen getroffen worden. Zonder de werking des Geestes zullen al deze maatregelen tevergeefs zijn, maar dat ontslaat de Kerk niet van hare roeping. De prediking moet tot heel de gemeente gericht worden. En die gemeente moet op zulk een peil van kennis gebracht worden, dat eene oppervlakkige prediking haar niet langer bevredigt. Daartoe is innerlijke mobilisatie in de gemeente hoognoodig. Personen, gezinnen, catechisaties, moeten daartoe in roering worden gebracht. Alle geestelijke middelen moeten daartoe aangewend worden.
Het peil der kennis, die naar de godzaligheid is, verhoogd! Niemand onzer zal de gewenschtheid hiervan ook maar één oogenblik ontkennen. Trouwens, de klacht over te weinig kennis is niet nieuw. In alle tijden is deze vernomen. De schrijver van de Hebreënbrief heeft heel wat te zeggen over Melchizedek. Maar hij durft het niet best aan als hij aan z'n lezers denkt. Grosheide merkt hierbij op, dat het onderwerp „Melchizedek" op zichzelf niet te zwaar is voor Christenen, maar „de schuld ligt bij de lezers, zij zijn traag geworden in het hooren, dat wil nog niet zoozeer zeggen, dat ze niet luisteren, als meer dat ze niet nadenken, bij hetgeen ze hooren, niet gewoon zijn aan wat dieper dingen en die niet begrijpen kunnen, wijl ze zich daartoe geen moeite genoeg geven".
Wat den tijd aangaat, dat ze Christenen zijn, konden ze en dienden ze leeraars te wezen. Er zou toename in kennis geweest moeten zijn, zoodat ze ook anderen konden onderrichten. Maar ach — zelf staan ze weer aan het begin. Ze moeten zelf weer in de eerste beginselen worden onderwezen. Als volwassenen zouden ze vaste kost moeten ontvangen. Maar op geestelijk gebied zijn ze nog maar kinderen, die met melk gevoed moeten worden. Dat is een geweldige klacht en aanklacht tevens. Een klacht en een aanklacht, die in onze tijden even scherp kan worden herhaald. Neen, we kleineeren niet de pogingen die door velen onder jong en oud worden aangewend om wat kennis bij te brengen.
We willen de lof aan de harde werkers niet onthouden. Maar — kon men het reeds verder brengen dan een heel kleine kern ? En is de invloed van die kleine kern zoo bijzonder groot op breeder kring, ja op geheele gemeenten ? Wat zouden we reeds verheugd zijn, als er een flinke kern was van ouderen en jongeren, die naar de gaven, hen van God geschonken, eenigszins thuis waren in de stukken van Gods waarheid ! Niet om dan bij die kern te blijven staan, maar om dan ook weer vanuit die kern de geheele gemeente aan te grijpen met alle ons ten dienste staande middelen. Hoe is het nu echter vaak ? Hoevelen weten werkelijk waarom ze hun kinderen laten doopen? Hoevelen verstaan de beteekenis van prediking en sacramentsbediening ? Hoevelen hebben eenig begrip van geloof, bekeering, wedergeboorte, enz. We zeggen dit niet, om een zekere moedeloosheid in de hand te werken. Nog minder om te zeggen : Och, laten we de handen maar laten zinken, want 't baat toch allemaal niets. Neen, we moeten juist zien waar de muren vergruizeld zijn en hoe erg ze in puin liggen, opdat we de noodzakelijkheid, de dringende noodzakelijkheid gevoelen met alle kracht onzen arbeid te verrichten. Wijlen Ds te Winkel schreef in „Kerk en Jeugd" : „Persoonlijk hebben wij wel eens gedacht, dat het broodnoodig zou zijn in jeugddiensten speciaal te handelen over rechtvaardiging, verzoening, roeping, wedergeboorte, enz. enz., uitdrukkingen uit onzen bijbel, waartegenover heel veel jongere menschen eenvoudig vreemd staan''. Als dit gedaan was, is het de vraag of er nu nog één jeugddienst zou zijn — wat wij overigens niet zouden betreuren — maar dat het broodnoodig is met onze jonge menschen over deze dingen te spreken, staat onomstootelijk vast. En ook oudere menschen moeten hier telkens weer worden ingeleid in de waarheid Gods. Laten daarover de vragen maar eens los komen! Ook op onze vereenigingen en catechisaties ! Dan komt het Woord en de Belijdenis in het midden. Dat is beter, dan zich druk te maken over allerlei vragen en kwesties, die de moeite van het bespreken niet waard zijn. En laten vooral de gezinnen hier niet worden vergeten. Laten onze Vaders en Moeders eens letten op wat de kinderen in hun vrije tijd doen en lezen. De markt wordt met boeken overstroomd. Er is waarlijk genoeg te lezen. Maar, naar ik meen, heeft Dr Kuyper geschreven dat men per jaar niet meer dan een stuk of vijf, zes, christelijke romans of dergelijk soort boeken moest lezen. Ik vermoed, dat alle mogelijke en onmogelijke leesbibliotheken het hiermee niet zoo spoedig eens zullen zijn. En hoewel over het getal nog wel zou zijn te „twisten", de kern van waarheid gevoelen we toch wel. Afgezien van Kuyper's motiveering, zou het zeker ook nu sterk aan te raden zijn zich in de gezinnen bezig te houden met het Woord des Heeren, de belijdenis der Kerk, geschriften die ons bepalen bij den weg der zaligheid, die ons de weg wijzen op kerkelijk terrein. Dit zou de belangstellinig voor catechisatie, vereeniging en Kerk kunnen bevorderen, en de kennis kunnen verrijken. Vooral moet hier ook gewezen worden op de noodzakelijkheid, de Catechismusprediking getrouw te volgen. Wie het Schatboek van Ursinus heeft, moet maar eens lezen wat hierin opgemerkt wordt over den Catechismus en de noodzakelijkheid van het gebruik. Naast „de Pligt der Ouderen" en der „Schoolmeesteren wordt ons ook voorgesteld de plicht der „Predicanten". De Heere beveelt het onderricht in Zijne Waarheid. Zijn eere vordert het dat ook reeds kinderen hierin worden onderwezen, 't Strekt tot bevordering van onze Troost en Zaligheid. Het dient, opdat de ware Gemeente en Politie moge behouden en voortgeplant worden. De regel en toetssteen van alle leeringen moet den menschen bekend zijn; Die in de Catechismus onderwezen zijn, verstaan ook beter de verklaring der bizondere teksten. De jeugd en eenvoudigen van verstand moeten geschikt onderwijs hebben. De menschen moeten zichzelf en de ware gemeente weten te onderscheiden van de vervreemde Heidenen en andere secten. Daardoor moet de zuiverheid en gelijkvormigheid der leer bewaard worden. Ja, de Catechismus is ook hoognoodig voor de Hoogescholen. Want die voorbereid worden om anderen te leeren, moeten toch eerst zelf de leer klaar en duidelijk verstaan. Zóó onderstreept en bewijst het Schatboek de noodzakelijkheid van de leer van den Catechismus in de Gemeente. En we wijzen daarop, opdat de gemeente, jong en oud, daarvan meer en meer doordrongen worde. Er moet getrouwheid, zijn in de opgang naar Gods Huis ook onder de Catechismusprediking. En deze moet aan de gestelde eischen beantwoorden, ledere prediking en alle onderricht moet eenvoudig en bevattelijk zijn. Maar dat wil niet zeggen oppervlakkig en kinderachtig. Dit mag dan misschien wel het „gemakkelijkst'' zijn voor de hoorders, maar het, is noodlottig voor de gemeente. Dan is er geen delven meer in de goudmijn, ons van God geschonken. Dan wordt de gemeente oppervlakkig en ze zinkt weg in oinkunde. Ze vervreemdt meer en meer van de waarheid Gods en van het werk des Geestes. Wanneer iemand soms „indut" onder de preek en een minuut of tien later wel weer in eens de preek kan volgen, zonder gevoel iets gemist te hebben — dan is dat toch zeker niet in orde. Gods waarheid moet voorgesteld worden in al haar rijkdom, lengte, breedte, hoogte, diepte, voor zoover dit mogelijk is en zooals deze waarheid gekend wordt in Christus' levende gemeente. Tot het verstaan daarvan moet de gemeente van jongsaf worden onderricht. Dat een ieder toch hier de van God opgelegde roeping versta. Dat is van het hoogste belang voor het persoonlijk en ook voor het kerkelijk leven. Dat is onmisbaar om ook te komen tot een waar gereformeerd kerkelijk leven, naar de eisch van Gods Woord, 't Spreekt vanzelf, dat hier geduld moet worden betracht. Calvijn schreef eens kostelijke woorden aan de Kerk van Orbe. (Zie : Calvijn in het licht zijner brieven, door W. de Zwart, bladz. 151—154). „En vervolgenis moet u de hoop bemoedigen, dat de Heere Zijn Waarheid, die Hem boven alles kostelijk is, niet zal laten varen. Sterkt derhalve uw gemoed in deze dagen, en vaart niet minder standvastig voort in wat ge begonnen zijt. Bedenkt, dat God u in deze omstandigheden gebracht heeft, om uw geloof en geduld te oefenen. En al lichtte er geen straal van hoop, om in de toekomst verwezenlijkt te zien, wat ge u voorstelt, zoo moet toch de wetenschap, u aan God overgegeven te hebben, en Hem te moeten gehoorzamen, u staande houdeft en moed geven. Er is echter iets, dat u nog veel meer tot rechten ijver sterken kan, namelijk de overweging, dat uw arbeid eens heerlijke vruchten afwerpen zal, die nu weliswaar nog niet tot rijpheid gekomen zijn. Want Gods belofte is nog steeds van kracht, dat wij, waar Zijn Woord ons voorgaat, niets tevergeefs zullen doen, ook al lijkt het ons, dat al ons pogen ijdel is". Als we van harte bezig zijn in de dingen van Gods Koninkrijk, moge dit woord ook ons tot bemoediging zijn. Getrouw voortarbeiden. En bij alles smeekende om de noodzakelijke en onwederstandelijke werking des Heiligen Geestes. Want „niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijnen Geest zal het geschieden".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's