De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De zorg in zake belijdenis en leer.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De zorg in zake belijdenis en leer.

8 minuten leestijd

Uit de roeping der kerk volgt als vanzelf, dat zij over haar belijdenis en leer heeft te waken. Wij hebben reeds eerder gewezen op de vermaning om te strijden voor het geloof, dat eenmaal den heiligen is overgeleverd. (Judas 1 : 3).

Die roeping is aan de kerk van alle eeuwen en aan alle plaatsen opgelegd en draagt haar een zorg en waakzaamheid op, die men gewoonlijk leertucht noemt. Men neme het begrip leertucht echter niet alleen in de enge beteekenis, die bij velen het eerst daaraan wordt verbonden van censuur, berisping, bestraffing, ontzetting uit het ambt en nog minder vaak een soort inquisitie. Dit laatste ligt hemelsbreed weg van de bedoeling, welke zij heeft. Zij bedoelt veeleer de bestraffing te voorkomen en omvat daarom al die maatregelen, welke de kerk ten dienste staan om de onderhouding van de zuivere leer te bevorderen. Ook in den engeren zin van straffende tucht, beoogt zij te genezen en te behouden. Vandaar, dat wij spreken over de zorg der kerk voor de zuiverheid van haar leer.

Het eerste en voornaamste hoofdstuk van deze zorg, welke de kerk is opgedragen, stelt haar zelf onder de tucht van Gods Woord : n.l., dat zij niet alleen Gods Woord als den regel des geloofs belijdt, maar dat zij ook naar dien regel wandelt. Haar leer staat onder de tucht des Woords en daardoor valt ook haar zorg voor haar zuiverheid en de onderhouding daarvan onder de tucht des Woords. Tegen dit beginsel kan in de kerk des Heeren moeilijk bezwaar rijzen, omdat zulks het wezen der kerk zou aanranden. Doch het geeft wel de noodige klaarheid inzake het karakter en de strekking der leertucht. Bovendien is daarin het criterium gegeven, waaraan haar toepassing wordt gemeten.

De middelen en maatregelen, welke de kerk kan aanwenden, strekken zich dan ook veel verder uit dan men gewoonlijk zou denken, vooral wanneer het kerkelijk besef in menig opzicht zijn klaarheid heeft ingeboet. Die middelen zijn veelal aan de aandacht ontgaan, omdat zij zoo gewoon zijn, of in de sleur der gewoonte hun beteekenis hebben verloren. Dat geldt met name van de preventieve maatregelen, dat zijn zoodanige, die, mits naar den grondregel der tucht toegepast, het kwaad, dat men heeft te bestrijden, voorkomen. Zorg wordt hier tot voorzorg. Deze zorg valt dus samen met zorg uit anderen hoofde. Zij is daarvan een uitvloeisel in zooverre zij de behartiging van deze betreft. De kerk is geroepen tot getuigen — predicare — prediken. Welnu, dan heeft zij dus predikers noodig. De dienst des Woords moet vervuld worden.

Haar zorg strekt zich dus uit over de prediking en hoe zij die zal toevertrouwen aan mannen, die daartoe geroepen en bekwaam zijn om dit in getrouwheid te doen. De zorg voor de prediking houdt dus ook in de zorg voor de zuiverheid der prediking en de onderhouding daarvan.

De leertucht begint reeds met de zorg voor de opleiding en de toelating tot het ambt dergenen, die het treffelijk ambt begeeren. Opleiding en toelating zijn twee verscheiden zaken. En hoewel het voor de hand ligt, dat de kerk met name, wanneer en voor zoover zij de opleiding zelf ter hand neemt, haar zorgen over de leer kan laten gaan, laten wij dit stuk thans rusten, om een enkel woord aan de toelating tot het ambt te wijden.

De toelating tot den dienst des Woords is krachtens de roeping der kerk een aangelegenheid, welke een algemeen karakter draagt, d.w.z. de kerk in haar geheel raakt. De kerk verzorgt den dienst des Woords en is verantwoordelijk voor de zuivere bediening des Woords en zij kan die verantwoordelijkheid slechts dragen, indien zij de toelating tot het ambt in haar hand heeft.

Indien de wijze, waarop zij voor de candidaten de deur ontsluit, zoodanig wordt geregeld, dat — zoover zij dit vermag te doen — die mannen worden toegelaten, van wie op goede gronden kan worden verwacht, dat zij met bekwaamheid, getrouw en in oprechtheid des harten zullen dienen, terwijl degenen, die zulk een vertrouwen niet wekken, een gesloten deur zullen vinden, dan is daarin reeds een voornaam stuk leertucht werkzaam. Want het onderzoek zal zich bijzonder uitstrekken over hetgeen hier van centraal belang is, n.l. of daar genoegzame kennis en verstaan van het Woord aanwezig is, hetwelk zij geroepen zijn te bedienen. Maar dan ook, of zij hun roeping alzoo verstaan, als de kerk die verstaat gelijk zij in haar belijdenis getuigt, en ten slotte, of zij ook in hun persoonlijke overtuiging datzelfde geloof zijn toegedaan. Zoover zij dit vermag te doen — schreven wij zooeven — want de mensch is geen kenner der harten en het is hem niet gezet te oordeelen over dingen, waarin hem het oordeel niet is gegeven. Dat beteekent echter ook niet, dat de kerk genoegen behoeft te nemen met de eenvoudige onderteekening van haar belijdenis.

Een iegelijk toch zal toegeven, dat dit een voornaam punt raakt ten aanzien van de onvervalschte verkondiging des Woords en de zuiverhouding der leer. Bovendien geldt het hier niet alleen een zaak van practisch belang, maar een zaak, die ook van uit de rechte waardeering van het ambt geboden is. Wie in het ambt staat, dient. Hij ontleent de ambtelijke bevoegdheden niet aam zich zelf, maar aan Hem, die het ambt heeft ingesteld en door het ambt gediend wil zijn. Hij dient in gebondenheid aan de roeping van het ambt, en is daartoe verplicht. Zal dit geen opgelegde plichtmatigheid worden, waarbij hij telkens door kerkelijke instanties moet worden bepaald, maar een levende, getrouwe, vrijmoedige en blijmoedige toewijding wezen van den gezant van Christus' wege, dan zal de kennis van en de gemeenschap aan de dingen van het Koninkrijk Gods niet ontbreken.

Verder dient het ambt de openbare verkondiging des Woords. Zij draagt een officieel karakter. Ook uit dien hoofde legt het ambt de roeping en den plicht op om een klaar en zuiver, maar ook een eenstemmig geluid der bazuin te doen hooren. Alleen zoo zal de kerk zich een getuige der waarheid betoonen.

Het behoeft dus niemand te verwonderen, dat de kerk der Reformatie bij haar opkomst en vestiging ook krachtens haar waardeering van het ambt en aangevuurd door het besef van haar roeping, dank zij de moeilijke omstandigheden ook, waaronder zij verkeerde, veel zorg en aandacht aan deze zaak der toelating heeft gegeven. Werd eerder reeds op het verband tusschen de prediking en de belijdenis gewezen, het kan duidelijk zijn, dat het oordeel over de kennis van Schrift en belijdenis en omtrent de persoonlijke overtuiging van den man, die naar het ambt staat, in de overwegingen tot al of niet toelating van beslissende beteekenis zal wezen. En verder, dat in het onderzoek een vorm van leertucht schuilt, welke — naar recht en billijkheid toegepast — tot de onderhouding van de zuivere prediking in hooge mate kan bijdragen.

Want al is het waar, dat de menschen geen hartekenners zijn, niet vergeefs zegt de Heilige Schrift: beproeft de geesten, of zij uit God zijn. Ook in den omgang onder de menschen openbaart zich de gezindheid op zulk een wijze, dat wij kunnen leeren, wie met ons van eenzelfde gevoelen zijn ten aanzien van de voorkomende zaken en van de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan.

Indien daarop bij de toelating nauwlettend wordt acht gegeven, zal dit preventief werken in tweeërlei opzicht. Er zal toch veel minder aanleiding zijn voor de leertucht in engeren zin en de veelal onverkwikkelijke procedures, welke zij meebrengt. In de tweede plaats mag men verwachten, dat nauwgezetheid bij de toelating een stille censuur oefent op degenen, die alzoo niet gezind zijn, zoodat zij zich niet zullen aanmelden. Men zal zich zelf censureeren.

Nog willen wij onderstrepen, dat het onderzoek naar recht en billijkheid — dat is met wijsheid — geschiedt. Dat hebben de mannen in den reformatorischen tijd niet uit het oog verloren. Moderatie (gematigdheid) en tolerantie (verdraagzaamheid), zijn twee woorden, welke in de acta van dien tijd veelvuldig voorkomen. De omstandigheden noopten daartoe, weliswaar, ook, want men kreeg vaak te doen met roomsche geestelijken, die niet altijd zonder bedenking konden worden toegelaten, en met ongeschoolde krachten. In zulke gevallen kon men niet altijd het hoogste verlangen en moest men zich met wat minder tevreden stellen.

Tolerantie in den hier bedoelden zin beduidde niet een zekere onverschilligheid, maar verdraagzaamheid in den Schriftuurlijken zin. Ook wanneer er geen aanleiding is om aan de gezindheid te twijfelen, terwijl er ook overigens geen grond voor afwijzing aanwezig is, kunnen er nog wel zwakheden zijn, die men dragen moet.

Zoo zal de wijsheid bij het onderzoek van jonge menschen evenzeer aanleiding vinden om de noodige moderatie en tolerantie te gebruiken ten aanzien van zwakheden, indien daar overigens geen bezwaar is hen tot het ambt toe te laten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De zorg in zake belijdenis en leer.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's