UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus’ Brief aan de Galaten.
De rechtvaardigheid is uit het geloof : niet uit de werken. Wie zijn Abrahams kinderen ? Vers 6—14. (VII)
Hoofdstuk III.
Vervolg vers 10.
Wij moeten leeren, de gerechtigheid des geloofs principieel te onderscheiden van die, welke „naar het vleesch" of burgerlijk van aard is.
Hier heeft Paulus het over een stuk, dat een theologisch en geestelijk karakter draagt. Hij handelt niet over een wereldlijke of profane aangelegenheid.
Ik zeg dit, opdat niet een of ander dom mensch de dwaze opmerking make, dat Paulus de wereldlijke wetten vervloekt en veroordeelt, alsmede hen, die een overheidsambt bekleeden.
Hieronymus geeft zich te dezer zake veel moeite, maar hij beweert niets, wat ter snede is. En de Sophisten zijn hier nog stommer dan de visschen.
Daarom moeten wij onze lezers waarschuwen, dat hier niet gehandeld wordt over burgerlijke wetten en inzettingen of over politieke kwesties, wat niet wegneemt, dat deze op zichzelf goede dingen zijn, die van Godswege tot ons komen, en welke door de Heilige Schrift op andere plaatsen gebillijkt en geprezen worden. Paulus spreekt hier echter over een geestelijke gerechtigheid, door welke God ons rechtvaardigt, en waardoor wij Zijn kinderen genoemd worden : straks in het Koninkrijk der hemelen.
Kortom : hier gaat het niet over dingen, het gewone leven betreffend, maar over eeuwige zaken, op welk terrein wij niet behoeven te hopen op een zegen of op gerechtigheid door middel van de Wet of menschelijke inzettingen. Alleen de belofte van Abrahams zegen is hier aan de orde.
De burgerlijke wetten en instellingen moeten dan ook op hun eigen terrein blijven.
Een huisvader en de overheid mogen beste en prachtige wetten geven, — zij kunnen ons toch niet bevrijden van den vloek, waaronder wij voor, Gods aangezicht liggen.
Het rijk van Babel, dat door God bevestigd is, beschikte over heel goede wetten, en allen volken was bevolen, deze wetten te gehoorzamen. Deze gehoorzaamheid maakte hen echter niet vrij van den vloek der goddelijke Wet.
Zoo gehoorzamen ook wij de wetten van den keizer, maar daarmede zijn wij nog niet rechtvaardig voor God, wijl het hier gaat over zaken van verschillenden aard.
Het is heusch niet zonder reden, dat ik er op aandring, dit onderscheid, dat slechts door weinig menschen gemaakt wordt, nauwkeurig in acht te nemen. Gemakkelijk komt men er toe, de hemelsche en wereldlijke gerechtigheid door elkaar te gooien.
Bij de inachtneming der wereldlijke gerechtigheid moet men wel terdege letten op de Wet en haar werken. Gaat het echter over de hemelsche gerechtigheid, die een geestelijk en goddelijk karakter draagt, dan moet men de Wet en alle werken ver opzij zetten, om alleen te zien op de belofte en den zegen van Abraham, welke Christus, onze Zegenbrenger, de Gever van genade en de Heiland, ons voorhoudt.
De geestelijke gerechtigheid heeft dus een zuivere kijk op de genade en den zegen, welke ons door Christus worden aangeboden, gelijk ook met Abraham het geval is geweest. De Wet en de werken spelen hier geen rol.
Wanneer wij dus alleen door Christus op bedoelden zegen hopen kunnen, en het slechts mogelijk is, dien door Hem te ontvangen, dan volgt daar noodwendig uit, dat hij door middel van de Wet niet verkregen kan worden, om de eenvoudige reden, dat hij den geloovigen Abraham ten deel viel zonder de Wet: ja, vóór dat deze er zelfs was!
Met hetzelfde geloof, waarmede Abraham geloofde in den Christus, die komen zou, gelooven wij in den tegenwoordigen, gekomen Heiland. En door dit geloof worden wij gerechtvaardigd, gelijk Abraham door het zijne.
Degenen echter, die onder de Wet zijn, deelen niet in dezen zegen, doch zij blijven onderworpen aan den vloek. De paus en de bisschoppen gelooven deze dingen niet, en zij ergeren zich er aan; maar wij mogen er niet over zwijgen. Wij moeten de waarheid belijden en openlijk zeggen, dat het pausdom en de wetten en verordeningen van den keizer vervloekt zijn, omdat, gelijk Paulus zegt, alles vervloekt is, wat buiten de belofte en den zegen Abrahams valt.
Wanneer onze tegenstanders dit hooren, dan verdraaien zij onze woorden, en belasteren zij ons, alsof wij zouden leeren, dat men de overheid geen eer zou moeten bewijzen. Men zegt dan, dat wij oproer maken tegen den keizer, zijn wetten veroordeelen, en den staat in verwarring brengen en te gronde probeeren te richten. Men doet ons echter op deze wijze groot onrecht, want wij maken slechts onderscheid tusschen den wereldlijken en den geestelijken zegen. En wij beweren slechts, dat de zegeningen van den keizer wereldlijk van aard zijn.
Dat wij een koninkrijk, burgerlijke inzettingen en wetten hebben, alsmede een vrouw, kinderen, een huis, en akkers, — dit alles zijn inderdaad zegeningen, wijl het dingen betreft, die goed zijn, en van God gegeven. Maar door deze lichamelijke zegeningen, die bovendien tijdelijk en eindig zijn, worden wij niet bevrijd van den eeuwigen vloek, die op ons rust.
Wij veroordeelen dus de wetten niet ; ook preeken wij geen oproer tegen den keizer, doch wij leeren, dat men gehoorzamen zal, en dat men hem eer bewijzen en onderdanig zijn moet, maar alles op burgerlijke wijze.
Spreken wij echter als theologen over den zegen Abrahams, dan zeggen wij met Paulus, dat alles, wat er buiten valt, vervloekt is, en onder den vloek blijft.
Uitwendige zegeningen zijn evenwel niet genoegzaam voor het eeuwige leven, want ook den goddeloozen vallen dergelijke zegeningen ten deel. Aan gansch de wereld schenkt God goede gaven om niet, zoowel aan boozen als aan goeden, gelijk Hij Zijn zon over dezulken laat schijnen, enz. Wie deelen in uitwendige zegeningen, zijn daarom nog niet Gods kinderen, die ook op geestelijke wijze gezegend zullen worden, gelijk Abraham.
Heel in het algemeen had Paulus kunnen zeggen : alles wat niet uit het geloof is, ligt onder den vloek. Hij doet dat niet.
Doch hij neemt wat buiten het geloof 't beste, grootste en schoonste is : namelijk de Wet Gods.
Maar de Wet, die goed en van God gegeven is, onderwerpt toch de menschen aan den vloek. Hoeveel te meer zullen andere menschelijke wetten en zegeningen van geringeren aard dat doen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's