LEER EN TUCHT.
Rakende aan de leertucht, wezen wij in de eerste plaats op het groote belang van het toezicht op de toelating tot het ambt. Men zou kunnen zeggen : de wacht aan de deur. De veelvuldige zorg omtrent deze zaak, waarvan de handelingen der kerkelijke vergaderingen in het laatste kwart van de zestiende en het eerste van de zeventiende eèuw gewagen, is echter niet alleen een bewijs voor de wakkerheid dergenen, die daarvoor opkwamen, maar tevens van den onbevredigenden toestand, die daartoe uitdreef. Het is op zich zelf trouwens begrijpelijk, dat bij: de toenemende en soms zeer snelle uitbreiding der reformatie niet overal genoegzaam bekwame en gewenschte mannen ter beschikking waren om den Dienst des Woords naar den eisch te vervullen. De omstandigheden en de nood der tijden spraken een woordje mede. In ieder geval zag 't er in werkelijkheid vast niet zoo rooskleurig uit. als imen zich dat wel eens voorstelt. Wie kennis neemt van de kerkelijke acta komt tot de ontdekking, dat men de zwakke broeders niet altijd heeft geweerd en dat de gevolgen daarvan niet uitbleven. Eenmaal toegelaten, wordt het uit den aard der zaak moeilijker te weren. (Vgl. De leertucht in de Gereformeerde kerk van Nederland tusschen 1570 en 1620, door H. Schokking, 1902, blz. 138 v.v.) Een stuk van de particuliere Synode te Leeuwarden, Maart 1605, spreekt zelfs, zoo deelt Dr Schokking mede, van een „concept van reformatie ende herstellinge van de vervallene kerckenordeninghen". (blz. 139). Vierderlei klacht wordt daar geuit :
1. vele plaatsen hadden geen dienaar des Woords, tengevolge waarvan de menschen vervielen in goddeloosheid, ketterijen en vervreemding van den waren godsdienst;
2°. dat onbekwame dienaren werden toegelaten ;
3°. dat onbekwame dienaren door zeer schadelijke slapheid werden geduld en niet naar noodwendigheid gestraft ;
4°. dat ernstige wanordelijkheden, oneenigheden en partijdigheden tusschen dienaren en classes gevoed en verspreid werden.
Men wenschte, dat Art. 1 van Dordt (1578) : „reyn in de leere ende oprecht van leven'' goed gehandhaafd zou worden.
Uit dit laatste blijkt tevens, dat men te Dordt in 1578 noodig vond om op die twee belangrijke punten bij de toelating te letten. Deze twee punten worden ook door Calvijn in zijn kerkelijke ordonnantiën genoemd. (Vgl. Schokking, a.w. blz. 121 noot).
Wat uit een oogpunt van beginsel en roeping eisch moet worden geacht en als zoodanig ook door de Gereformeerde kerk werd erkend en gevoeld, werd door de ervaring bewezen ook noodzakelijk te zijn om de onderhouding eener zuivere prediking te bevorderen.
Veel bijzonderheden over de wijze van examineeren, de gestelde vragen en antwoorden zijn wel niet bekend, doch genoeg om te verstaan, dat de voorname stukken der leer aan de orde kwamen. Het laat zich ook begrijpen, dat actueele strijdpunten, b.v. in de twist met de remonstranten, ter tafel werden gebracht.
Uit een en ander kan blijken, dat de kerkelijke toestanden in deze halve eeuw geenszins het geïdealiseerde beeld vertoonen, dat men zich vaak voorstelt. Teekenend is vooral de uitdrukking der Friesche Synode, die van reformatie gewaagde, en dat reeds in 1605, dat is goed dertig jaar na het Convent van Wezel. Dat kan zeer wel op bijzondere omstandigheden in Friesland wijzen, doch ook op de Veluwe en in Holland waren klachten. Zelfs de door zoo velen gewraakte gedachte van een modus vivendi, in dien tijd tusschen remonstranten en contra-remonstranten, kan men vinden. Anderzijds valt niet te ontkennen, dat het niet ontbrak aan krachtige voorstanders van het gereformeerd gcioof, en aan bekwame voorgangers, die de wacht betrokken en geijverd hebben voor de zaak der kerk tot rijken zegen ook voor land en volk. Zij hebben wel ingezien, dat aan een goede opleiding der aanstaande predikanten veel gelegen was en dat de kerk nauwlettend heeft toe te zien, wie zij tot de bediening des Woords zal toelaten.
Het is niet te veel gezegd, dat het voornaamste stuk der leertucht juist in het onderzoek tot toelating moet worden gezien, omdat het zooveel moeilijkheden voorkomen kan. Het is bovendien onaanvechtbaar, want niemand kan de kerk kwalijk nemen, dat zij dien Dienst des Woords slechts toevertrouwt aan hen, van wie zij op goeden grond mag verwachten, dat zij in leer en leven overeenkomstig Schrift en belijdenis zullen handelen en wandelen. De moeilijkheden ontstaan eerst, wanneer men dit beginsel los laat de leertucht heeft laten varen om dan na verloop van tijd te ontdekken, welk een toestand van verwarring daaruit voortkomt, als het individualisme in de leer de overhand neemt. De ervaring leert, dat het zoo is. Wij behoeven niet verder te gaan dan de Hervormde kerk. Alleen de gedachte aan leertucht, de onderstelling, dat de kerk haar zaak ter hand zou nemen, is voor velen reeds als een schrikbeeld, dat zij op hun weg zien verschijnen. Of men daarbij steeds van de juiste voorstelling uitgaat, kan in het midden gelaten. De tegenstand kan ook zijn aanleiding vinden in een zekere censuur, welke men op zich zelf toepast, indien men zijn eigen overtuiging of standpunt ten aanzien van zekere leerstukken meet aan de confessie.
Het is dan ook begrijpelijk, dat zij, die met de belijdenis der kerk op gespannen voet staan, liever geen leertucht naar de goede orde wenschen. Dat zegt echter niet, dat zij ook van hun standpunt uit in beginsel en in de practijk voorstanders der leervrijheid zijn.
Dit behoeft trouwens niet onzeker of twijfelachtig te blijven, want de heerschende leervrijheid kan het met de feiten bewijzen. Zij toont aan, dat zij in dezelfde mate, waarin zij leervrijheid is, ook leertucht is. Dat moge vreemd schijnen, maar het is toch zoo. Leervrijheid is ook leertucht, maar een leertucht van geheel anderen aard. Dit is gemakkelijk te verklaren. De leervrijheid brengt mede, dat een gemeente, wil men een kerkeraad van een gemeente, bepaalt, welke leer op den kansel zal komen. Men kan ook zeggen, dat de overheerschende richting in een gemeente de kerkelijke macht uitoefent en door middel daarvan de prediking naar haar inzicht op den kansel brengt. Niet de kerk, maar een groep van bepaalde richting of gezindheid bepaalt den geest der prediking, die van den kansel zal worden gehoord, om het even of zij overeenkomt of niet met de confessie.
't Kan dus zijn, dat de officieele Dienst des Woords een prediking brengt, die niet in overeenstemming is met de verkondiging, welke naar recht officieel mag heeten. In zulk een geval oefent een richting dus een tucht uit op de leer, die tegen de leer der kerk is gericht, en wel in den openbaren Dienst des Woords, welke in stede van haar te ondermijnen, behoorde haar te handhaven. Zij laat, zoolang zij de macht heeft, geen andere leer toe en onthoudt de gemeente de prediking naar de confessie, waarop deze recht heeft.
De ervaring leert, dat de richtingen, die dank zij de leervrijheid haar macht in het kerkelijk leven kunnen doen gelden, aan het beginsel der leertucht niet zoo vijandig zijn, wanneer het haar eigen inzichten en opvattingen raakt. Dan toch zijn zij genegen om uit te sluiten, wat zij daarmede strijdig achten en toe te laten, wat aan haar verwant is.
De tegenstand tegen leertucht richt zich dan ook niet zoozeer tegen de tucht dan wel tegen de leer. Waar geen bezwaar tegen de leer der kerk wordt gevonden, behoeft men ook geen bezwaar tegen haar handhaving te verwachten.
Hebben wij zoo straks den aard der bezwaren laten rusten, thans is het wel duidelijk, dat het alles op den aard van het bezwaar neerkomt. Komt het op uit de overtuiging, dat de confessie in strijd is met Gods Woord, dan is het een zaak der kerk om een onderzoek in te stellen en zoo noodig de belijdenis te herzien. Indien de belijidenis op eenig punt in strijd werd bevonden met de leer der apostelen en profeten, zou zij daarin als dwaalleer moeten worden verworpen.
Toch is dit niet de klacht. Men beweert niet, dat de confessie met de leer der apostelen en profeten niet overeenkomt of daartegen strijdt. Derhalve kan men ook niet zeggen, dat zij als belijdenis der kerk een onzuiver getuigenis laat hooren, hetwelk men niet kan volgen.
Het heeft er dus allen schijn van, dat individueele gevoelens en opvattingen willen heerschen over beginselen, welke de kerk in gehoorzaamheid des geloofs heeft geleerd en die ook in eenzelfde gehoorzaamheid geleerd worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's