De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NIENKE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NIENKE

FEUILLETON

5 minuten leestijd

VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN

(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 65)

Stil ging Zuster Ina naar een andere krib, waar men haar noodig had. In theorie had de Hoofdzuster volkomen gelijk.

Maar de ziel, de ziel! Een mensch had ook een ziel. En ziel verloren, alles verloren !

Van den naburigen toren speelde het carillon een vroolijk wijsje. Daarop sloeg de klok twee.

Boven verwachting nam de krankheid een gunstige wending. De geneesheeren hadden haar al opgegeven. Vanuit 't verre Friesland had men op haar dringend verlangen de familie per telegraaf verzocht zoo gauw mogelijk over te komen en zoo was het gebeurd, dat de oude moeder met een broer per nachtboot naar Amsterdam ging en zij vroeg in den morgen reeds voor de poort stonden. Zuster Ina zag ze staan, een bejaarde vrouw, met een zilveren oorijzertje en een verfomfaaide floddermuts, waarover een zwart hoedje, en een mantel, welke ook betere dagen gekend had.

Blijkbaar een der armsten uit een dorpsbevolking, met een zoon naast zich, wiens verweerd gelaat en grove gestalte voldoende bewees, dat hij de hitte des daags en de koude des nachts gewend was. Plattelanders, uit de arbeidersklasse, die met zwaar werken een schamel stuk brood verdienden, bijna in niets gelijkend op dat jonge leven, dat daarbinnen, in dat groote gebouw, worstelde tegen den dood en eens uitwendig schoon moest zijn geweest. Verlegen blikten zij rond, de straten in, waar het rumoer van den komenden dag reeds oplaaide, en dan weer naar de stille muren en tallooze ramen van dat huis, waarin, volgens de verkregen aanwijzingen, wezen moest, die zij zochten. Vermoeid zocht het oudje steun tegen een lantaarnpaal. De reis was zoo ver, en het doel zoo droef. Hoe zouden zij het daarbinnen vinden ?

Aanstonds begreep de Zuster. Hoewel persoonlijk in geen jaren in de provincie geweest, zag zij, dat het Friezen waren, die zeker kwamen op het door haar zelf verzonden telegram en behoorden bij dat meisje op zaal 8, dat ingeschreven stond als Bea. Bea Paulussen. Was het niet, alsof deze in het gezicht van den dood lag te wachten op hun komst?

Dadelijk was haar besluit genomen. Een paar minuten later stond zij bij de poort. „Moeten jullie misschien hier wezen? " — vroeg zij op innemenden toon. Bedeesd nam de jonge man zijn pet af. „Ja, Juffrouw", sprak het oudje, „tenminste, dat heeft men ons gezegd. Wij komen om onze Liesbet, die zoo ziek is".

Meteen werd uit een primitief korfje, waarin tevens teerkost voor den weg werd meegenomen, het bewuste telegram gehaald.

„Kom dan maar met mij mee", sprak Zuster Ina, en ging hen door den tuin voor, het groote gebouw, waarin zooveel geleden werd, binnen. Een eigenaardige lucht, die overal de gangen en portalen vulde, deed den vreemdelingen aanstonds weten, dat zij hier in een Ziekeninrichting waren, 't Was of hen een huivering aangreep. Overal heerschte zoo'n stilte, slechts verbroken, doordat tal van Zusters, in dezelfde heldere kleedij van hun geleidster, bijna geruischloos af en aan liepen, allen blijkbaar met groote haast en elk voor haar eigen arbeid. Even moest het oudje stil staan om rond te zien waar zij gebracht werd, terwijl de zoon een paar treden ach­teraan kwam. Reusachtig, wat een deuren en wat hooge trappen! 't Dreigde haar in deze vreemde, groote omgeving te machtig te worden, 't Onderscheid was zoo groot tusschen het kleine, nederige huisje, met lage deur en vensters, waar zij met haar zoon Melle een rustig dorpsleven had, en deze geheele omgeving, waar alles zoo vreemd en zoo hoog, en zoo rijk was. Dat zij nu hier nog komen moest! Heelemaal uit het hooge Noorden, over de wijde, diepe zee, naar deze stad! En dat voor zoo'n treurig doel. Omdat Liesbet hier ziek lag en men haar geroepen had.

Och, och, wat had dat meiske haar al een verdriet aangedaan. Geheel tegen haar wil naar dat groote Amsterdam gegaan, omdat daar veel meer geld verdiend werd dan op het platteland, maar in waarheid, omdat het haar in Zevenhuizen veel te klein was en haar hart naar het vroolijke stadsleven heen trok. Broer Jacob, die al jaren op „Donia-state" werkte en vroeger als militair in Amsterdam in garnizoen gelegen had, liet niet na haar te waarschuwen, en dominé Buitenveld had hetzelfde gedaan, maar Liesbet had alle raadgevingen in den wind geslagen. Hier in Zevenhuizen was zij arm en blééf zij arm, en zag elk haar aan als de dochter van de arme weduwe Paulussen, die onderstand genoot en het nooit verder zou kunnen brengen, dan dat zij misschien eenmaal met een landarbeider trouwde, om dan, als alle arbeidersvrouwen, haar ongeluk tegen te gaan.

Daar dankte zij voor. Waarom moest zij zich in zoo'n negorij opsluiten, terwijl toch de wereld zoo groot was ? 't Zou al ongelukkig zijn als alle menschen, die naar Amsterdam gingen, daar slecht moesten worden. Dat kwam van hen zelf en zij had heel andere, veel hoogere idealen. Zij wilde vooruit komen in de wereld en hooger op.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

NIENKE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's