UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten
Hoofdstuk III. De rechtvaardigheid is uit het geloof : niet uit de werken. Wie zijn Abrahams kinderen ? Vers 6—14. (VIII).
Vervolg vers 10.
„Want er is geschreven : vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der Wet, om dat te doen".
Met deze woorden, die ontleend zijn aan Deuteronomium 27 vers 26, wil Paulus bewijzen, dat allen, die onder de Wet staan en haar werken doen, vervloekt zijn, oftewel zich bevinden onder den vloek, dat wil zeggen: onder de zonde, den toorn Gods, den eeuwigen dood en allerlei andere ellende.
Want de apostel heeft het, gelijk ik reeds uiteengezet heb, niet over een uitwendige of wereldlijke, m'aar over een geestelijke en eeuwige vervloeking, die noodwendig den eeuwigen dood en de hel tot gevolg heeft.
Het is wel een wonderlijk bewijs, dat Paulus levert, want de bevestigende zinsnede : „want zoovelen als er uit de werken der Wet zijn, die zijn onder den vloek" bekrachtigt hiji met een negatieve passage, namelijk : „vervloekt is een iegelijk, die niet blijft, enz." Beide uitspraken van Paulus en Mozes verschillen dan ook terdege van elkaar. Paulus zegt: wie de werken der Wet doet, is vervloekt. En Mozes leert: wie de werken der Wet niet in acht neemt, die is vervloekt. Hoe kan men nu deze beide uitspraken met elkaar in overeenstemming brengen; en wat meer is : hoe kan de eene uitspraak door de andere bewezen worden ? Deze plaats wordt niet verstaan, tenzij men een juist begrip heeft van het stuk der rechtvaardigmaking. Beide uitspraken zijn dan ook niet strijdig met elkaar; integendeel. Zij kloppen precies. Want ook wij leeren op dezelfde wijze, dat niet de hoorders der Wet rechtvaardig zijn voor God, maar de daders. En voorts: „wie de werken der Wet doen, zijn vervloekt".
De leer der rechtvaardigmaking zegt namelijk: alles wat buiten het geloof van Abraham is, is vervloekt. En toch moet de gerechtigheid der Wet in ons vervuld worden.
Dit alles schijnt een mensch, die de leer des geloofs niet verstaat, uitermate tegen strijdig, en het komt heim voor, dat men komen moet tot deze ongerijmdheid: wie de Wet vervult, vervult haar niet; en wie de Wet niet vervult, vervult ze wèl.
Daarom moet men in de eerste plaats wel inzien, waarover Paulus het hier heeft, en hoe hij Mozes beschouwt.
Gelijk ik reeds meermalen gezegd heb, gaat het in dit verband over een geestelijke zaak, die niets met burgerlijke aangelegenheden of wetten te maken heeft. Ook ziet Paulus Mozes met andere oogen dan de hypocrieten en valsche apostelen. Hij legt namelijk de Wet geestelijk uit. Daarom ligt alle nadruk op de woorden : „om dat te doen". Want de Wet nakomen, is maar niet uiterlijk haar volbrengen, maar haar volkomen in alle opzichten nakomen.
Er zijn dus twee soorten „daders'' der Wet.
De eene soort omvat diegenen, die leven uit de werken der Wet, en behooren tot hen, welke door den apostel in heel dezen brief bestreden worden.
De andere soort is die, welke leeft uit het geloof.
We hebben hier te doen met twee zaken, die geheel tegenover elkaar staan. Te leven uit de Wet en haar werken, is heel wait anders dan te leven uit het geloof. Evenals de duivel en God; zonde en gerechtigheid ; dood en leven tegenover elkaar staan.
Degenen, die uit de Wet leven, willen door haar gerechtvaardigd worden ; en zij, die uit het geloof handelen, gelooven stellig, dat zij alleen uit barmhartigheid om Christus' wil rechtvaardig kunnen worden. Wie zegt, dat de gerechtigheid uit het geloof is, vervloekt en veroordeelt de rechtvaardigheid, die uit de werken is. En wie daarentegen leert, dat de gerechtigheid uit de Wet is, die veroordeelt en vervloekt de rechtvaardigheid, die uit het geloof is. Beide opvattingen staan tegenover elkaar.
Wie deze dingen zoo beschouwt, ziet gemakkelijk in, dat het nakomen der Wet niet bloot uitwendig is. Het is geen kwestie van schijn, zooals de hypocrieten droomen. Het is een geestelijke zaaik, dat wil zeggen: in waarheid moet men volkomen doen wat de Wet gebiedt.
Waar zullen we echter iemand vinden, die daartoe in staat is? Wanneer iemand ons een dergelijk persoon kan aanwijzen, dan zullen we hem prijzen en loven.
Onze tegenstanders zeggen hier aanstonds : de daders der Wet zullen gerechtvaardigd worden. Goed.
Maar laten we dan eerst vaststellen, wie onder de daders der Wet vallen. Want onze tegenstanders noemen hem een dader der Wet, die „uit de werken der Wet is", en die op grond daarvan denkt gerechtvaardigd te worden. Maar dat is bij Paulus geen daderschap der Wet; want wanneer men door het doen van de werken der Wet wil gerechtvaardigd worden, dan loochent men de gerechtigheid, die uit het geloof is. Dan miskent men Christus en Zijn weldaden. In den grond van de zaak staat het dus zoo, dat de werkheiligen door het doen van de werken der Wet, toch de Wet niet nakomen. Veeleer zondigen zij, de goddelijke majesteit in al haar beloften miskennende en verloochenende. En daartoe is de Wet zeker niet gegeven. Wie de Wet niet verstaan, misbruiken haar, gelijk de apostel in Romeinen 10 vers 3 zegt:
„Want alzoo zij: de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hunne eigene gerechtigheid zoeken op te richten, zoo zijn zij de rechtvaardigheid Gods niet onderworpen".
Zulke lieden zijn blind, en verstaan niet, hoedanig het geloof en de beloften Gods zijn. Daarom werpen zij zich zoomaar zonder eenig oordeel des onderscheids op de Heilige Schrift, waaruit zij maar een greep doen : in dit geval slechts de Wet grijpen. En het feit, dat zij die meenen te vervullen, is niet meer dan een droom, een betoovering en een inbeelding des harten. En de gerechtigheid der Wet is in werkelijkheid niets anders dan afgodendienst en lastering van God. Daarom blijven zij noodwendig onder den vloek.
Het is dus onmogelijk, om de Wet op de wijze der werkheiligen te vervullen. Hoeveel te minder zullen we door haar gerechtvaardigd worden!
Dat zulks niet kan, wordt in de eerste plaats betuigd door de Wet zelf, die juist het tegendeel bewerkt, dan waarvan de werkheiligen droomen. De Wet vermeerdert namelijk onze zonde; zij verwekt toorn; zij klaagt aan, verschrikt en veroordeelt. Hoe zou zij dus kunnen rechtvaardigen ?
Ook de beloften Gods geven hetzelfde te kennen, want tot Abraham is gesproken : „in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden". Derhalve is deze zegen alleen in de aan Abraham gegeven belofte. Staat ge buiten dezen zegen, dan zijt en blijft ge onder den vloek. Verkeert ge echter onder dezen vloek, dan vervult ge de Wet niet, omdat ge u bevindt onder de heerschappij van de zonde, den duivel en den eeuwigen dood, hetgeen alles te zamen een uitvloeisel is van de vervloeking Gods.
Om kort te zijn : wanneer ge door het volbrengen der Wet tot rechtvaardigheid zoudt kunnen komen, dan zou Gods belofte geen beteekenis hebben. Doch omdat God wist, dat wij de Wet niet houden kunnen, heeft Hij aan Abraham de belofte van den zegen geschonken, waarin alle volken zullen deelen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's