De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de kerkelijke Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de kerkelijke Pers.

12 minuten leestijd

Zwijgen of spreken.--De waarheid Gods

Zwijgen of spreken.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen, waarin het niet moeilijk is te kiezen tusschen zwijgen of spreken. Duidelijk zien we ons dan in zoo'n geval voorgelegd, wat ons te doen staat. We kunnen door te zwijgen soms de hittigheid des toorns van een ander wat bekoelen of onze smart over wat ons aangedaan wordt toonen. In menig geval is zwijgen soms nog veelzeggender dan een milde woordenstroom. Zoo kan het ook gebeuren dat wij den spotter met zwijgen beter terecht kunnen wijzen dan met spreken. Het hangt er maar van af wie de spotter is, wat hij zegt, en op welke wijze hij ons tracht te treffen. Uit de geschiedenis des lijdens van Christus kennen wij allen het woord over Zijn stilzwijgen.

Maar uit diezelfde geschiedenis weten wij ook van Zijn spreken. Als het gaat over Zijn Zoonschap, over Zijn Messiasschap, dan verbreekt het Lam Gods het zwijgen en Hij bevestigt, dat Hij de Zoon is, de Christus. Toen was spreken geboden. Zoo kan er ook voor ons oorzaak zijn niet om te zwijgen, maar om te spreken. Om zóó te spreken, dat het een getuigen is, evenals ook het zwijgen getuigen kan zijn. Geldt dit voor ieder persoonlijk, niet minder geldt dit voor de Kerk. Ook zij staat telkens voor de vraag : zwijgen of spreken. Ds Touw wijst hierop in de kroniek uit „Onder eigen Vaandel", Juli-afl, 1940. Op geheel nieuwe wijze ziet de Kerk zich geplaatst voor deze toch niet nieuwe, maar eeuwenoude vraag. Alleen de gewijzigde situatie deed ons plotseling deze vraag weer ontdekken. Maar is al het verbijsterende dat ons overkwam, zijn bovenal de hemeltergende zonden van ons eigen volksleven niet een oorzaak om voor Gods Aangezicht te zwijgen ? Als wij het meenen te weten spreken wij, maar als we zien volkomen ongelijk te hebben, zwijgen wij. Daarom was het ons geraden over veel te zwijgen, waarover wij anders zoo gemakkelijk spraken. Dan is dat zóó zwijgen een belijdenis van ons niet-weten en het vernedert ons diep, maar de Heere ontvangt de eere en we erkennen Hem als den God van gericht en genade, in Wiens Hand wij zijn.

Bovendien, is het de Kerk niet geraden juist nu gewoon door te gaan met wat tot haar eigenlijke opdracht behoort, prediking, zielszorg, regeering? Inderdaad behoort het tot het karakter der Kerk, dat zij aan den inhoud van haar boodschap niets toevoegt of afneemt. Vrees of verontwaardiging mogen niet de oorzaak zijn dat wij menschelijke inzichten gaan verkondigen. Het Koninkrijk Gods moet nog steeds verkondigd worden en er moet geroepen worden tot bekeering. Toch mag anderzijds de Kerk maar niet doen alsof er niets gebeurd is. Ten opzichte van vele vragen heeft de Kerk ook nu leiding te geven, te vermanen bij gevaren en te troosten in de aanvechtingen die ons nu omringen. In verband met de nood des volks heeft de Kerk ook nu het woord te spreken. Waarom kwam beproeving over de Kerk en straf van 1795—1815? Waarom kwam 1816 ? Omdat de Kerk niet één was in het belijden. Door de overheid werd haar toen de eenheid opgedrongen. De aanval van buiten was toen niet de zwakte der Kerk, maar haar eigen onwil om te belijden. Vandaar wordt er gehoopt op een sprekende Kerk, die om Sions wil niet zwijgen kan, die ook wachters heeft, die niet zullen zwijgen. „O gij, die des Heeren doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij ulieden wezen!'' We hebben waakzaamheid noodig in de prediking, opdat er geen vreemd vuur op het altaar gebracht worde en er geen willekeurige elementen aan de prediking van den vollen raad Gods worden weggenomen of toegevoegd. De weg in deze wereld moet worden gewezen en er mag geen vlucht zijn in een apokalyptische stemming.

Zwijgen onder de oordeelen Gods, onder de krachtige Hand des Heeren — we mogen wel zeggen : ware dat er eens waarlijk in de Kerk. Een zwijgen, omdat we deze oordeelen als rechtvaardig verdiend moeten erkennen. Ja, een ootmoedig zwijgen, met de hand op de mond, maar niet minder een verbaasd zwijgen, omdat we het met den psêiimist moeten belijden : „Hij straft ons, maar naar onze zonden niet". Als dat zwijgen gevonden wordt, dan zou dit het zwijgen zijn van een Kerk-in-boete, van een Kerk-in-vernedering, van een Kerk-in-het-stof, die iets heeft leeren ervaren van de groote schuld, niet getrouw te zijn geweest aan den Komng in eigen leven, in het volvoeren van de opdracht, haar gegeven. Want ach, hier stapelen de ongerechtigheden zich op. Hier komen we bij de Jona-gestalte, de vlucht voor de roeping des Heeren. En zeker, dan kan alles wel eens een tijdje voor de wind schijnen te gaan op die vlucht. Vond Jona ook niet een schip, dat juist gereed lag om te vertrekken ? 't Kon niet mooier. Maar God vond Jona. God vond hem door de storm. Zoo vindt God nog Zijn ontrouwe Kerk door de stormen, welke razen door de wereld. Zoo treft God nog door het „lot" Zijn ontrouwe dienstknechten. Maar, hoe staat het ? Hebben wij al leeren belijden, in waarachtige ernst, onder de ons vindende en aanwijzende vinger Gods : Ik moet overboord, want ik ben de schuldige ? Als dat waar is en waar zal zijn, dan moeten we eerst hebben leeren luisteren met een door den Heere Zelf geopend hairt. En luisteren op zichzelf, ja, dat is al wat voor ons die altijd zoo graag praten, die zoo gemakkelijk praten over de geweldigste aangelegenheden. Die ook zoo gemakkelijk praten kunnen over straf en oordeel en schuldbelijdenis. Maar praten óver is dan ook iets gansch anders dan zwijgen ónder. Toch — de Gode welbehagelijke weg is duidelijk. Vandaar zij. er ook veel gebeds om de werking des Geestes, waardoor alleen dit zwijgen geboren wordt. Dit is ook de eenige weg om tot het ware spreken te geraken. Voor ieder persoonlijk. Voor de Kerk als Kerk. Voor de ambtsdrager als ambtsdrager. Alleen door deze diepte henen kan de roepstem Gods verstaan worden alsnog getrouw te zijn in het ons aanbevolen werk en in de volvoering van de gegeven opdracht. Dan zou er ook geene spraakverwarring zijn, zooals deze tot nog toe is te constateeren geweest — helaas — binnen de Kerk. Wat baat alle spreken over toenadering, over elkaar beter verstaan enz., wanneer we de „spraak" als de vertolking van wat leeft in het hart, niet allen stellen onder het oordeel, de tucht, het licht van het Woord Gods en de belijdenis der Kerik. Uit de dagen van het laatst ingediende reorganisatie-ontwerp herinner ik me nog een uitspraak van iemand, welke hierop neerkwam, dat wij allen ziek zijn, en dat wij daarom allen naar de belijdenis moeten, ons daarvoor moeten buigen om genezing te zoeken voor onze kwalen. Dat zou inderdaad wat zijn, als allen in de weg van weerkeer deze belijdenis als eigen belijdenis, als eigen spraak leerden stamelen. Dan was er een eenparige stem op Sions muren. Als dit niet komt, wat een schuld is er dan voor God, en óók voor het nageslacht. Dan hebben wij dat nageslacht geen belijdenis meer na te laten. We hebben dan ook bij onszélf en in de eerste plaats bij onszelf te zoeken de schuld, wanneer er hier gesproken zou moeten worden van „stervende kerken". Daarom hebben wij ons meer dan ooit te bezinnen op de vraag, of wij zelf dat leven deelachtig zijn waaruit Gods Kerk leeft en dan, of ook wij de taak verrichten welke de Heere ons te verrichten geeft. Bij het volvoeren van hare opdracht beeft de Kerk nauw toe te zien. Want 't moet haar alléén te doen zijn om

De waarheid Gods

Hierop wijst Prof. Grosheide in „Belijden en beleven". Hij schrijft hierin een artikel over „Lessen uit Calvijn". Met nadruk wordt vooropgesteld, dat wij in ons land, Gode zij dank, geen tijden van vervolging thans kennen. Er zijn moeilijkheden voor het kerkelijk leven, b.v. door de verduisteringsmaatregelen of door vergaderverboden, maar dit zijn geen maatregelen, welke tegen Kerk en Christendom zijn gericht. Daarom mogen we niet van verdrukking spreken. Bij Calvijn is dan ook de achtergrond een geheel andere dan bij ons. Calvijn moest vluchten en strijden terwille van zijn geloof. Toen waren er de brandstapels en de godsdienstoorlogen. Daardoor dragen zijn woorden een bizonder karakter en hebben zij een bizondere beteekenis. Als immers de dood voor oogen staat, gaat men wel na wat men beslist moet doen of wat men mag nalaten en prijsgeven, omdat het door Gods Woord niet wordt geëischt. Bovendien ging Calvijn's groote strijd tegen Rome en was het front der Hervormden ook onderling gedeeld.

Vandaar ook de, vraag, wat nooit mag worden toegegeven en waarin men wel soepel mag zijn. Aan de eene zijde rekent Calvijn dus ten volle met de bestaande werkelijkheid, aan de andere zijde staat hij als een held pal voor de waarheid Gods. In dat opzicht is ook voor óns in dezen tijd veel uit Calvijn te leeren. Prof. G. legt ons dan voor een gedeelte van Calvijn's toelichting op Hand. 4. In dit hoofdstuk worden de. apostelen gevangen genomen en voor den Joodschen Raad geleid, omdat ze een kreupele hebben genezen en gepredikt hebben. Calvijn schrijft dan als volgt: (vert. van Prof. G.): „Over de standvastigheid van Petrus is reeds gesproken, dat één menschenkind, die zulke vijandige rechters had en alleen op het gevaar als bondgenoot kan rekenen, geen enkel teeken van vrees toont, maar vrijuit belijdt in de woedende vergadering hetgeen hij wist dat met zoo vijandige gemoederen zou worden ontvangen. Uit het feit, dat hij hen ernstig bestraft, dat door hen een misdaad is bedreven, is voor ons een regel af te leiden, hoe wij moeten spreken, wanneer wij te doen hebben met erkende vijanden der waarheid. Immers voor twee gebreken hebben wij ons te wachten, we mogen niet door zwijgen of toegeven den schijn aannemen, dat we vleien, want trouweloos zou een stilzwijgen zijn, waardoor de waarheid zou worden prijsgegeven. Maar aan de andere zijde moeten wij er ons voor wachten ons niet te laten meeslepen door onnadenkendheid of overmatige warmte, zooals de gemoederen vaak meer dan recht is opvliegen in den strijd. Hier moge dan de ernst (waardigheid) kracht oefenen, maar gematigd. Vrij zij het protest, maar het kome niet tot een gloeiend kwaad spreken. Wij zien, dat deze regel door Petrus wordt in acht genomen, enz. Even later schrijft Calvijn : „Want het is een mensch onwaardig en ten hoogste smadelijk om rumoer te maken wegens niet noodzakelijke zaken. Doch in het algemeen spreken de apostelen niet, tenzij de noodzakelijkheid om te spreken aanwezig is". Hierbij wordt opgeimerkt ons te houden aan de lessen, die Calvijn uit des apostels woorden trekt. Ook op kerkelijk terrein zijn wij gewoon geweest geen blad voor den mond te nemen. Wij Nederlanders zijn spoedig klaar met ons oordeel. Wij moeten onze woorden, juist op kerkelijk terrein, maar eens nauwkeurig wegen. Ook op kerkelijk terrein gevoelen we ons een vrijgevochten, loslippig volk. Daarom hebben wij juist nu scherp te onderscheiden. Als de waarheid Gods in het geding is, hebben wij te strijden en desnoods te lijden. Maar wat wij meenen of zouden wenschen, mogen we maar niet zóó op één lijn stellen met de waarheid Gods. Veel dat ons dierbaar is kan en moet toch onder bepaalde omstandigheden worden prijsgegeven. Veel willen we gaarne zeggen, maar we kunnen het thans niet zeggen en we kunnen het ook wel voor ons houden, omdat geen gebod Gods van ons eischt, dat wij het zeggen zullen. Daarop moeten wij letten. We moeten den Christus niet verloochenen, maar we moeten ook niet strijden voor datgene, waarvoor niet gestreden behoeft te worden. Bovendien moeten we bedenken, dat ons spreken en doen de geheele Kerk wordt aangerekend. Er is gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Daarom moet men zich stipt houden aan wat Gods Woord van ons eischt.

We zullen ongetwijfeld weldoen, de richtlijnen, welke Calvijn hier trekt, ter harte te nemen. We moeten niet de schijn aannemen van te vleien, wie dan ook. Maar we moeten ook niet in het vuur gaan voor datgene, waarvoor we naar Gods Woord niet te strijden hebben. Wij kunnen heel wat willen behouden, we kunnen heel wat willen tot stand brengen, dat de Heere juist niet gebruiken kan en dat Hij daarom uit onze handen wegneemt. Wat is er al een „rumoer" gemaakt over „niet noodzakelijke'' zaken ! Wat een strijd, Wat een ijver is daarvoor al ontwikkeld! Dat we het inderdaad afleeren. En we zullen het dan alleen grondig en blijvend afleeren, als de Waarheid Gods, als het Getuigenis des Heeren beslag legt op ons hart. Als we het Evangelie leeren kennen als een kracht Gods tot zaligheid, een iegelijk die gelooft. Dan eerst komt door Gods genade de ware strijd, de ware belijdenis, de ware trouw, de ware standvastigheid. Zie het aan Petrus. Eertijds heeft hij den Christus verloochend. Maar nu, niet in eigen kracht, maar vervuld zijnde met den Heiligen Geest, getuigt hij van Jezus Christus den Nazaréner. Dat voorbeeld moet nagevolg worden. Mogelijk is dit alleen als wij „met Jezus geweest zijn" en als wij gezalfd zijn , met den Heiligen Geest. Want in ons is geen kracht. „Want — om met Calvijn te spreken — wie dit voorbeeld navolgen, zullen niet zoozeer Petrus, als wel den Geest van God tot hun leidsman hebben". Alleen zoo gaat het ons om de waarheid Gods, bij zwijgen en spreken, in de Kerk en bui­ten de Kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit de kerkelijke Pers.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's