De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

DE RECHTE LEVENSHOUDING

9 minuten leestijd

Maar die den Heere verwachten, zullen de krachten vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden, zij zullen loopen en niet moede worden, zij zullen wandelen en niet mat worden. Jesaja 40 vers 31.

Donker zijn de omstandigheden, waarin wij verkeeren. Waar moet het heen ? Wij staan voor raadsels, die onoplosbaar schijnen. Wij voelen ons beklemd en zien geen uitweg. Afgaande op hetgeen zich aan ons voordoet, zijn we geneigd het hoofd te laten hangen, het maar op te geven, moedeloos, de handen slap.

Wij gevoelen ons alles ontzinken, wij zijn op het punt ons houvast te verliezen. Ziehier, wat er van ons worden gaat, wanneer wij alles op ons laten inwerken, wat er de laatste maanden is gebeurd en nog dagelijks gebeurt.

Ziehier de levenshouding, die onwillekeurig de onze wordt.

Is deze de goede ? Kunnen wij zoo voort op den weg, die God ons heeft voorgesteld ?

Gij gevoelt het, nietwaar, hoe begrijpelijk ze ook is, onder de gegeven omstandigheden, ze kan de goede niet zijn. Deze levenshouding voert ons tenslotte tot volkomen uitzichtloosheid en daarmede tot wanhoop.

Wat moet er immers van ons worden, als het nog eens donkerder wordt dan het nu al is ? Dan gaan wij er onder. En dus, zullen wij daaraan ontkomen, dan zal een andere levenshouding de onze moeten zijn of worden.

Welke dan? 'kWeet er maar één, die voldoet: die van onze tekst.

't Is een woord van Jesaja; eenmaal gesproken tot het volk van Israël. Sombere wolken heeft hij over dat volk zien opkomen, 't Zal in ballingschap worden weggevoerd, ver van huis en  haard. In den vreemde zal het ondervinden, wat het zeggen wil, tegen den Heere overtreden te hebben, Zijn gericht over zich te hebben ingeroepen. En, wat het ergste is, hier is geen ontkomen aan, 't is onafwendbaar. Immers zóó vast is Jesaja overtuigd van hetgeen komen gaat, dat hij het voorstelt, alsof het reeds aanwezig is. 't Is dus wel een donkere toekomst, die Israël tegengaat.

Maar, is er dan niets dat troosten kan? Is 't dan enkel duisternis zonder licht ? Gode zij dank, neen. Moge het oordeel zwaar zijn, dat Jesaja aankondigen moet, hij behoeft niet enkel ongeluksprofeet te zijn. Tot troost van allen, die tot het echte Israël behooren, mag hij daarna ook verkondiger zijn van het heil des Heeren.

De ballingschap zal niet altoos duren, maar eens zal de terugkeer weer mogelijk zijn, en het herstel worden gezien. God zal niet altoos twisten met Zijn volk, noch eeuwiglijk den toorn behouden. Het oogenblik komt, dat Hij in Zijn toorn des ontfermens gedachtig zal zijn.

In deze dagen verplaatst ons onze tekst. Jesaja wil er het gekastijde en daarom zoo moedelooze volk mee wijizen op de eenige levenshouding die hun past, en hen voor bezwijken bewaren kan.

Welke andere zal immers dan voldoen ? Zullen de verdrukten in die dagen genoeg hebben aan eigen kracht ? Ach, in die dagen zal alle kracht buiten den Heere om, blijken een gebroken rietstaf te zijn, die de hand doorboort, van geen enkele waardij, 't Zullen immers dagen zijn, waarin jonge menschen, in de kracht van hun leven, zullen moede worden, en flinke kerels gewis zullen vallen.

Neen, maar die zullen goed staan, die de rechte levenshouding gevonden hebben, die met verwaarloozing van alle eigen kracht, den Heere verwachten, die, opblikkend naar boven, weten maar één toevlucht te hebben, n.l. tot God in den hemel, de Bron van alle kracht.

Die den Heere verwachten, die zullen het rechte houvast in hun leven gevonden hebben, die zullen voort kunnen gaan van kracht tot kracht, voortgaan over hoogten en door diepten, langs de steilste paan.

Ziehier Jesaja's woord. 't Is een woord, dat zeker in de eerste plaats gegolden heeft voor het volk in ballingschap.

Maar is het daarmede af ? Neen, wij zouden haast zeggen: 't is een woord speciaal ook geschreven voor onze dagen.

Wat zijn ze in vele opzichten droevig. Waarlijk, wij behoeven geen profeten te zijn om Gods oordeelen allerwegen te ontwaren. Wij zijn het er allen over eens:

God heeft de zonden der wereld, van ons volk, ónze zonden bezocht. 't Is Zijn gericht, dat we aanschouwen. 't Is Zijn grimmigheid, die knaagt aan ons leven, aan het leven, der volken. 't Is Zijn toorn, die ons door diepe wegen voert.Wie heeft er niet reeds iets aan den lijve gevoeld. Wij leven in een wereld. vol radeloozen en wanhopigen. Voor korten tijd rondgaande in ons kleine Nederland, zult ge er Minden : de menschen die alles kwijt zijn; de stakkers, die niets meer over hebben, die radeloos neerzitten bij de puinhoopen van verloren geluk; de ouders, treurend over het verlies hunner kinderen; de jongeren, die wanhopen aan de toekoimst, die alle uitzicht verloren hebben. De wereld is vol moedelooze en wanho­pige zielen. En wij ? Hoe is het met ons gegaan, en zal het met ons gaan ? Zal het blijken, dat ook wij altijd de noodige kracht zullen hebben om voorwaarts te gaan, 't hoofd omhoog ? Wij kunnen het misschien nu nog, maar zullen wij het kunnen, wanneer de nachtelijk zwarte hemel nog eens donkerder wordt ? Zullen wij dan nog genoeg hebben aan onze kracht ? Och, laat ik het u aanstonds maar zeggen. Wie dat denkt, die kent zich zelve niet en wordt zeker beschaamd. Wat zou immers onze kracht? Die is slechts onmacht. Een oogenblik trachtend tegen de stormen des levens op te tornen, zal het weldra blijken dat wij geen stap meer verder kunnen, dat de weg ons te veel is, de strijd te zwaar. In ons geen kracht, geen moed. Alle weerstand ontbreekt. Hoe wij dan staande zullen blijven? Weer zeg ik: 'k weet maar één weg : de weg, door Jesaja aangewezen, en wel deze, dat wij in den nood van ons leven den Heere tot een fontein stellen. Die het alleen doen moet, en alleen doen kan. Die den Heere verwachten, die zullen de kracht vernieuwen, die komen niet om, die wanhopen niet, die wanhopen nooit. „Den Heere verwachten", dat is de levenshouding die ons voegt in onze dagen van nood en stormgetij.

„Den Heere verwachten". Wat hiermee bedoeld wordt ? Is het slechts een lijdelijk wachten ? Is het slechts een stil zitten wachten op den Heere, de handen in de schoot  ......dus passiviteit, een niets doen ? Dwaas, wie dat denkt. Hij geeft blijk niets te kennen van het genadeleven dat God in de ziel werkt. Kan er immers lijdelijkheid zijn, wanneer ik mijn nood ken, mijn krachten mij voel ontzinken, en ik weet dat God mij alleen nog helpen kan? Dan is daar actie, dan is daar werkzaamheid der ziel.

Welnu, zoo ook hier. 't Verwachten, hier bedoeld, 't is juist de hoogste activiteit. Hier verkeert de ziel in de hoogste , spanning, die er is.

„Den Heere verwachten', 't is dit, dat wij in de donkerheid van ons leven maar één doel voor oogen hebben, maar één begeerte onze gansche ziel in beweging zet: n.l. Gods kracht en sterkende genade te mogen ervaren. Wie deze zielespanning kent, die heeft de rechte levenshouding gevonden, die hij noodig heeft, en wordt nooit beschaamd.

Immers wat zegt Jesaja ? Hoort het, gij afgematte lezer, gij, die misschien zóó moede zijt vanwege uw kruis, uw last, dat niemand het zou kunnen uitspreken : „Die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen, zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden, zij zullen loopen en niet moede worden, zij zullen wandelen en niet mat worden".

Gedragen door de eeuwige kracht van hun God, komen zij over alle bezwaren heen. Worden zij in diepten gevoerd, den Heere verwachtend, zinken zij er niet in weg, maar stijgen er als een adelaar weer uit op, om, als op vleugelen, al hooger en fhooger te klimmen tot de lieflijkste hoogten der genade en der verzekerdheid, waar 't lied des vertrouwens opklinkt uit mond en hart.

Is de weg hun te veel, te veel vanwege de lasten des levens, vanwege de zonden, die drukken, vanwege benauwenis, angst en strijd, den Heere verwachtend ervaren zij op Zijn tijd Zijn kracht, zoodat het loopen hen niet meer vermoeit, het voorttrekken hen niet meer mat maakt. In één woord: den Heere verwachtend gaan zij voort van kracht tot kracht, totdat zij voor Hem verschijnen in Sion. Ziehier wat de levensgang is, wanneer de rechte levenshouding wordt gekend. Zij is altijd zeker.

Natuurlijk wil dat niet zeggen, dat zij nooit meer moeheid of matheid zullen kennen op den weg, dien zij te gaan hebben. Dat kan niet zijn bedoeld. Wat leert ons immers de ervaring van Gods kinderen ? Dit toch, dat de hoogten der geloofsverzekerdheid telkens weer afgewisseld worden door de diepten, waarin wij dreigen weg te zinken. Zoo gaan we voort alsof wij nooit moede zullen worden, en zoo liggen wij afgemat terneer.

Dezelfde Elia, die eerst op, den Karmel niemand vreest, geen volk en geen koning, ligt korten tijd daarna neer onder de jeneverboom en bidt zijn goddeloos gebed : „Heere, neem toch mijn ziel weg, want ik ben alleen overgebleven". ,

En dus, dat wij nooit moedelooze oogenblikken meer kennen zullen, dat kan niet zijn bedoeld, maar wèl dit, dat niettegenstaande onze inzinking, onze kracht toch niet bezwijkt, wanneer wij altijd maar weer den Heere verwachten.

Immers in die oogenblikken wordt Gods eeuwige kracht door ons ervaren. Uit de diepten, waarin wij neerliggen, heft Hij ons op, zoodat wij er uit opstijgen gelijk arenden in hun vlucht.

Op den weg, dien wij te gaan hebben, doet Hij ons loopen zonder moede, wandelen zonder mat te worden. Ziehier wat onze levensgang is, zoo wij den Heere verwachten.

Is deze levenshouding reeds, de uwe mijn lezer ? Hebt gij reeds gezien, wat uw kracht is zonder die van God ? Zoo ooit, dan leeren onze tijden ons, dat zij slechts machteloosheid is, en ons immer in den steek laat. Onze levensgang wordt er één, die ons eens vallen doet tot eeuwig naberouw. Och, of wij dan alsnog den Heere alleen leeren over houden. Dan is het goed. Onze eigen onmacht, ons volslagen „niets-zijn" kennend en erkennend, zien wij op naar boven, tot de Bron van alle kracht, en stamelen :

Ik riep tot U, ik zeid' o Heer Gij zijt mijn toevlucht, sterkt' en eer, Gij zijt zoolang ik leef, mijn deel, ' Mijn God, Wien ik mij aanbeveel.

Zalig, zoo wij deze levenshouding tot de onze hebben gemaakt, 't Zal blijken, dat ze de eenige, de echte is, hoe de weg ook zij, welke strijd ook is weggelegd.

Want voorwaar:

De moed kan jeugdigen ontgaan, de jong'ling struik'len op zijn baan; maar die den Heere verwachten, verheffen zich met aad'laarsvlucht al hooger op, naar reiner lucht, met steeds verjongde krachten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's