Oprecht geloovig — en niet „gereformeerd”.
„Acht Prof. S.", zoo vraagt Ds Gr., „het mogelijk, dat iemand een oprecht geloovige is, terwijl hij niet (misschien nog niet) een zuiver „„gereformeerd"" mensch is in den Kerkdijken, dogmatischen zin? "
De bedoeling van deze vraag wordt enigermate belicht door de opmerking : „als hij ...... in plaats van „„allen, die de gereformeerde belijdenis aanhangen"", eens was begonnen met: „ „ allen, die Jezus Christus in een oprecht geloof aanhangen"" .
Welke menschen Ds Gr. daarmede op het oog heeft, blijkt uit het volgende: „Menschen, die hij en wij niet gereformeerd in den dogmatischen zin zouden noemen, maar wier namen geschreven staan in het Boek des levens, omdat zij het geloof bezitten van vraag één van den Heidelbergschen Catechismus, al kennen zij de woorden daarvan niet eens".
Beginnen wij met dit laatste, dan zou de vraag ook als volgt gesteld kunnen worden : acht gij het mogelijk, dat iemand een oprecht geloovige is, terwijl hij geen kennis draagt van den Catechismus?
Deze vraag kan zonder moeite bevestigend worden beantwoord. Daar zijn zonder twijfel vele oprecht geloovigen geweest, die nooit van den Heidelbergschen Catechismus hebben gehoord, want de kerk is veel ouder dan deze Catechismus.
Datzelfde kan men ook ten aanzien van de Drie Formulieren van Eenigheid als geheel beweren. Maar — en daarop komt het aan — degenen, wier namen in het Boek des levens geschreven staan, zijn dan toch in hetzelfde geloof gestorven of leven uit hetzelfde geloof, waarvan de Catechismus getuigt. Dat wordt trouwens door Ds Gr. toegegeven, als hij spreekt van het geloof van vraag één. Het geloof hangt niet aan den Catechismus, maar deze is uit het geloof opgekomen. Niet de Catechismus, maar het geloof van den Catechismus is het gemeenschappelijk geloof en de eenheid der kerk.
En om nu op het „zuiver „„gereformeerd" " te komen in bovengestelde vraag, er zijn ongetwijfeld oprecht geloovigen, die nimmer de gereformeerde belijdenisschriften hebben gekend. Men denke slechts aan buitenlandsche kerken, die ook haar belijdenis en belijdenisschriften hebben, welke ten onzent geen algemeene bekendheid hebben. Zoo zijn er hier te lande oprecht geloovigen, die geen kennis dragen b.v. van de Luthersche belijdenisschriften en omgekeerd zijn er elders, die de gereformeerde belijdenisschriften niet hebben gelezen of geleerd. Dat neemt echter niet weg, dat alle oprechte Christenen van dezelfde religie zijn, uit hetzelfde geloof leven en daarom toch één zijn in belijden.
Deze dingen zijn dan ook niet in kwestie. Ook kan het geen vraag zijn, of iemand, wie ook, degenen, die Jezus Christus door een oprecht geloof aanhangen, in de kerk zou willen opnemen, want dezulken zijn leden van Christus' lichaam. Een kerk, die voor zoodanigen geen plaats heeft, zou bezwaarlijk aanspraak kunnen maken op dien titel.
Daarover gaat het ook niet. Ds Gr. heeft het oog op Hervormde menschen, leden en doopleden der Hervormde kerk, die het geloof bezitten van vraag één van den Heidelbergschen Catechismus, al kennen zij de woorden daarvan misschien niet eens.
Het is zeer wel mogelijk, dat die er zijn. Wij nemen het zelfs aan, dat zij er zijn, want het geloof hangt niet aan den Catechismus. Maar, — hun geloof zal dan toch ook niet strijdig zijn met dat, hetwelk in den Catechismus geleerd wordt. Zulke menschen zullen geen bezwaar maken tegen de belijdenis der kerk en ook niet tegen een prediking naar de confessie. Van dezulken behoeft men geen tegenstand te verwachten, indien de kerk haar belijdenis handhaaft. Integendeel, zij zullen zich daarin verheugen en versterkt worden in het gemeenschappelijk geloof der kerk, indien zij daarin onderwezen worden. Tenzij, — maar dan staat de zaak heel anders, — tenzij de belijdenis in strijd zou zijn met de leer der apostelen en profeten.
Dat is echter niet aan de orde en wordt ook niet beweerd.
Dan blijft slechts over, dat er in de kerk menschen zijn, die oprecht gelooven, doch van haar belijdenisschriften niet, of in geringe mate kennis dragen. Dat kan wel zoo wezen, maar dan wijst dit op een ernstige verzaking van de roeping der kerk en van het ambt. Indien zij toch als leden der kerk werden toegelaten, waarom werden zij niet onderwezen in de leer van het gemeenschappelijk geloof, zooals dat in de confessie wordt beleden ? En zoo zij door belijdenis niet toetraden, waarom begeeren zij, die Christus door een oprecht geloof aanhangen, daarvan niet in het openbaar getuigenis te geven?
Het een zoowel als het ander behoorde naar goede orde te worden in acht genomen, zoo men van een geïnstitueerde kerk wil spreken. In bovengestelde vraag wordt gesproken van een oprecht geloovige, die niet (nog niet) een zuiver „gereformeerd" mensch in den Kerkelijken, dogmatischen zin is. Wij laten in het midden, wat Ds Gr. daaronder wil verstaan hebben. Naar onze meening zijn menschen, die belijden, wat de kerk in haar confessie belijdt, gereformeerd, tenzij de confessie niet meer als zoodanig zou gelden. En wij gelooven, dat men het geloof der confessie kan deelachtig zijn, zonder de belijdenisschriften te kennen. Doch zoo iemand is evenwel gereformeerd, hoewel hij dat niet (nog niet) klaar en onderscheiden ziet. Dat kan echter geen bezwaar zijn tegen de juistheid van onze stelling aangaande de handhaving der belijdenis. Wie dat meent, moet nog wat anders op het oog hebben, of er moet een misverstand zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's