De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De eisch der drie formulieren onjuist?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De eisch der drie formulieren onjuist?

7 minuten leestijd

„Zou Prof. S. zulk een niet-gereformeerden geloovige in de eenheid der kerk opnemen, ja of neen ? Zoo „ja'', is zijn eisch van de drie formulieren dan niet onjuist gesteld ? ", zoo vraagt Ds Gr.

Letten wij vooral op het woordje zulk in zulk een niet-gereformeerden geloovige, want het ging over menschen, die Jezus Christus in een oprecht geloof aanhangen, terwijl zij niet, of nog niet gereformeerd zijn in kerkelijken, dogmiatischen zin. Wij hebben reeds betoogd, dat zulke menschen geen bezwaar zullen maken tegen de gemeenschappelijke belijdenis der kerk.

Hoe kan dan de eisch der drie formulieren onjuist gesteld zijn ?

Menschen van verschillende belijdenis kunnen hetzelfde geloof deelachtig zijn. Dathenus was niet Luthersch, doch hij onderteekende de Luthersche belijdenis. Luther en Calvijn verschilden van inzicht b.v. ten aanzien van het Heilig Avondmaal en in meer punten, doch dit brak niet het gemeenschappelijk geloof. Men zou zelfs van een Luthersche en een gereformeerde gezindheid kunnen spreken, doch dat sluit niet uit, dat het oprecht geloof bij Lutherschen en gereformeerden wordt gevonden. Misschien gaan wij dus nog verder dan Ds Gr. bedoelt, als wij onderstellen, dat er een gezindheid kan zijn, die niet gereformeerd is. Zou het dan tegenover haar onjuist zijn de drie formulieren te handhaven ? Afgaande op het oprecht geloof, kan dat niet worden toegegeven.

Het geldt hier bovendien de belijdenis der kerk en, indien het al zoo is, dat zij tengevolge van haar niet-handhaving een andere gezindheid zag opkomen, kan niemand beweren, dat de gereformeerde gezindheid intusschen is verstorven, zoodat de kerk als geheel een bepaalde en haar typeerende gezindheid zou hebben aangenomen en mitsdien een ander type zou vertegenwoordigen. En verder behoort de gereformeerde gezindheid volstrekt niet tot de minst vitale, terwijl nevens haar niet een bepaalde gezindheid, maar velerlei richtingen en nuanceeringen worden gevonden.

Wie terwille van welke gezindheid ook de drie formuheren wil loslaten, miskent daarin dus ook de rechten van de gereformeerde gezindheid.

Een dergelijke overweging zou nog te billijken zijn, indien niet slechts afwijkend gevoelen, voor zoover dat aan een oprecht geloof in den Christus der Schriften gepaard kan gaan, een zekere afneiging van de gereformeerde belijdenis beïnvloedde, maar, indien de onderstelling gewettigd ware, dat er bij die andere gezindheid bezwaren waren tegen de confessie, omdat deze met Gods Woord zou strijden. Aangezien dat echter niet het geval is, kan ook dit geen punt van overweging zijn om den gestelden eisch te laten varen. Zoo blijft daar slechts ruimte over voor de onderstelling, dat men de belijdenis zou loslaten, omdat er zijn, die zich onder de confessie niet willen voegen. Wij laten in het midden, in hoeverre zulk een onwil met een oprecht geloof kan saamgaan. Het oordeel is niet aan ons.

Mogelijk ligt de zaak nog wat anders, want in de gestelde vraag wordt nog van een „gereformeerde inquisitie" gesproken, „om te onderzoeken of iemand, vóór hij tot de eenheid der kerk wordt toegelaten, wel in allen deele „zuiver" op de graat is!"

Hier moet zeker een misverstand in het spel zijn, of wij praten langs elkander heen. Want de gereformeerde belijdenis handhaven en een gereformeerde inquisitie instellen zijn twee zaken, die welbeschouwd met elkander in tegenspraak komen. Wat reden kan de kerk hebben om een inquisitie in te stellen ? Zelfs als zij velen zou herbergen, die haar confessie verwerpen, kan dit nog geen inquisitie wettigen. Zij dwingt niemand om tot haar te komen of in haar gemeenschap te worden opgenomen. Zij dwingt ook niemand om te gelooven, wat zij gelooft. Zij heeft daartoe trouwens geen macht. Anderzijds behoeft zij in haar gemeenschap niet op te nemen wie door leer en leven kennelijk bewijst haar niet toe te behooren.

Als wij dan ook den wensch te kennen geven, dat de Hervormde kerk haar belijdenis handhaaft, beteekent dat in de allereerste plaats, dat zij ook overeenkomstig de belijdenis handelt. Afgezien van het zooeven opgemerkte, kan dat dus zeker niet bedoelen, dat de Hervormde kerk, die zoo langen tijd baar roeping in dit opzicht verzaakte, een zuiveringsactie op haar leden zou instellen.

Wie zoo iets onderstelt, moet wel een vreemde voorstelling van de roeping der kerk hebben. Wat zou zulk een zuiveringsactie willen ? Ieder der leden één voor één onderzoeken, of zij wel „zuiver" zijn op de graat ? En dan, wie niet alzoo bevonden werd, uitwerpen ? Het is heusch te ongerijmd om daarbij lang stil te staan. De eerste zorg van de handhaving der belijdenis betreft de prediking, opdat het officieele getuigenis der kerk, waarvoor zij verantwoordelijk is, overeenkome met haar confessie. Daaraan sluit zich een tweede zorg, welke gaat over de toelating tot het predikambt. Dan volgt weer het toezicht op de toelating tot het Heilig Avondmaal, anders gezegd, de aanneming tot lidmaten, waarbij ook behoort te worden toegezien op de kennis der belijdenisschriften.

Indien de kerk deze zaak ter hand neemt, geeft zij slechts gevolg aan wat haar taak is.

Het klinkt misschien wat erg eenvoudig, maar daarom behoeft het niet onjuist te zijn.

De moeilijkheid schuilt echter in het eerste stuk, n.l. de zuivere prediking. Geen prediker kan er terecht bezwaar tegen maken, dat de kerk, aan welke hij zijn ambtelijke bevoegdheid ontleent, van hem vraagt dat hij den Dienst des Woords ook ambtelijk vervulle. Zelfs degenen, die in het ambt staan en een andere leer verkondigen dan het geloof, dat den heiligen is overgeleverd, zullen geen ander bezwaar kunnen inbrengen dan dat de kerk, die hen tot de ambtsbediening toeliet, zelf den teugel vrij gaf.

Dat bezwaar is niet zonder kracht. Het beteekent echter niet, dat de kerk, omdat zij haar plicht verzaakte, nu ook moet blijven verzaken. Maar het beteekent wel, dat zij rekening heeft te houden met den toestand, waaraan zij zelf schuldig is. Moderatie en tolerantie in schriftuurlijken zin zullen haar bij de uitoefening van haar taak ten aanzien dergenen, die in het ambt staan, passen en te stade komen.

Zij zal zekere dingen hebben te tolereeren, die zij anders moet wenschen en geleidelijk hoopt te overwinnen. Zuiverheid op de graat in allen deele — om die uitdrukking over te nemen — zal zij, zoo ooit, in den huldigen toestand zeker niet mogen en ook niet kunnen eischen, doch zij zal op de hoofdstukken des geloofs hebben toe te zien: b.v. dat Jezus Christus de Zoon van God is, de zaligheid uit genade alleen, e.d.g.

Het is mogelijk, dat ook een zoodanige moderatie nog te streng zou zijn om conflicten te vermijden, doch verder kan de moderatie niet gaan. Wie vrijheid wenscht om de voornaamste stukken des geloofs niet te verkondigen of daarvoor een valsche leer in de plaats te stellen, kan en mag de kerk het ambt niet toevertrouwen. Hoe zij in zulke gevallen heeft te handelen is ook een zaak, die waard is onder het oog te worden gevat, maar die is hier niet aan de orde. Hier gaat het om een misverstand uit den weg te ruimen, dat van inquisitie deed gewagen.

Het behoeft niet meer gezegd, dat een zoodanige moderatie bij de toelating van candidaten tot den Heiligen Dienst, geen verdediging kan vinden. Wie zich bij de kerk aandient tot den Dienst des Woords, heeft zich te voegen naar den eisch, dien zij aan het ambt moet stellen. Wie dat inquisitie zou willen noemen, moet wel een dwaas begrip van den aard en het wezen der kerk hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De eisch der drie formulieren onjuist?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's