NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 67)
Met vreemde blikken werd het tweetal nageoogd door de overige patiënten, zooals zij zoekend, met verlegen houding, langzaam naderbij kwamen. Tot zij achter het scherm plotseling zagen, die zij zochten.
Een zacht gekreun, vergezeld van een gesmoord gesnik, sprak meer dan woorden. Moeder en kind hadden elkander weer gevonden, maar hoe ! „Moeder, o moeder !" klonk het opeens als een rauwe kreet, luide door de zaal en deed ook de anderen weenen. Wat daar toen verder is verteld en beleden en vergeven, laat zich beter gevoelen dan beschrijven. In het uur des gerichts ontwaakt meer dan ooit de stem des bloeds en roept om genade voor recht.
Een half uur later werden moeder en zoon weer door den doolhof van gangen naar buiten gebracht, om daar in den tuin van het ziekenhuis rustig te toeven, tot het middaguur hen nogmaals naar de kranke zou brengen voor het afscheid. Moeder had voorloopig genoeg te denken, en de patiënte moest rust hebben. Wat 'n mensch al niet beleven kon! En nóg had Liesbet niet alles gezegd, daarvoor was de tijd te kort geweest. Alleen het voornaamste was gebiecht, en daarover vergeving gevraagd. Moeder had nog zooveel vragen, waarop zij zoo gaarne een antwoord had. Ook betreffende het kind, anders het middelpunt van de blijdschap en de bewondering, om wiens wil al het doorgestane leed zoo spoedig vergeten werd, thans een oorzaak van diepe smart en bekommernis. Zij had het wel gedacht, toen dat telegram kwam, dat het zooiets wezen zou.
„Wandel nu maar eens in den tuin", — had de Zuster gezegd — „'t Is daar zoo heerlijk. Alles bloeit daar, en de bloemen ruiken zoo lekker. Over een paar uurtjes heb ik mijn rusttijd, en kom jullie dan wel even opzoeken". Een vriendelijk mensch, die juffrouw. En wat een mooi, wit schort droeg zij, en dan die stijf gestreken jurk! Net haast als de pleegzuster van het Groene Kruis in Zevenhuizen. Maar dan veel mooier en vriendelijker. Hé, op wie leek zij toch. Precies alsof zij dat gezicht, wie weet, hoe vaak, gezien had. En Melle, die tot hiertoe bijna iedere keer gezwegen had, geheel beduusd en verlegen te midden van deze vreemde omgeving, zoo verschillend van de aardkluiten rondom Zevenhuizen, waarmede hij gewoon was zijn krachten te meten, vond dit ook. 't Was alsof hier, in de natuur, zijn tong weer los kwam. Wat was het hier mooi! Wat een verschillende boomen en planten en bloemen. Zooiets als in den pastorietuin van Zevenhuizen, en rondom het huis van mijnheer Krips, en de boterfabriek. Maar dan veel grooter en mooier. In de verte klingelden de bellen van de trams. Hoeveel van die wagens reden hier wel niet?
Een wonder, dat zij niet tegen elkaar aanvlogen. Moeder en hij waren ook in zoo'n wagen gaan zitten en heelemaal tot aan het groote hek toe gebracht. Erg vriendelijk van die conducteur, en het kostte maar één dubbeltje. Heelemaal vanaf het spoorstation, waar de boot dichtbij lag, tot hier. Maar één dubbeltje! Natuurlijk voor élk. Maar het was hen veel meer waard geweest, want vooreerst was het zoo'n eind hier naar toe en dan, zij hadden het nooit kunnen vinden, met al die straten en pleinen en vaarten, 't Leek wel, dat hier nooit van z'n levensdagen een eind aan de rijen huizen kwam. En wat waren deze hoog ! Hooger nog dan de kerk van Zevenhuizen. En hij had gezien, dat daar menschen woonden. Dan maar liever wat lager bij den grond, in het kleine kamertje van de armvoogdij, met die smalle raampjes en dat groene deurtje, waar hij, als hij op de teenen stond, aan de dakgoot reiken kon. Kijk, daar wandelden meer menschen in den tuin. Zeker óók gekomen voor ziekenbezoek. Wat een floddermuts die vrouw had! Moeder moest eens kijken. Als een witte kraag rondom het geheele hoofd, en dan van achteren uitstaande als een pauwenveer. Wat zag je op reis allemaal vreemde dingen! Wacht? zij kwamen naderbij. Smart verbindt. Met een ,,goeden morgen", ving de kennismaking aan, en toen was het los.
Althans voor zoover dat kon. Want de Friezen konden de Zeeuwen en deze laatsten de eersten soms niet verstaan. Men begreep elkaar niet, omdat elk zijn eigen denkwereld had. Evenwel waren daar óók wel punten van gemeenschap. Omdat men hier was op het gemeenschappelijk terrein van de levenssmart en het levensleed.
„Ook een patiënt in 't Gasthuis ? " vroeg de Zeeuwsche. Daarop schikten zij bij: elkaar en vertelde elk van z'n wederwaardigheden. Zeer uiteenloopend en toch ook weer zoo met elkander overeenkomend, omdat het alles verwant was aan het lijden van 't zuchtend schepsel met een gemeenschappelijke bron als oorzaak. Zooals tenslotte het manneke uit het Zuiden met een zucht ging betuigen : „Waren er geen zonden, er waren geen wonden''. En waarmee vrouw Paulussen, uit het verre Noorden, hartgrondig instemde, omdat zij dit zoo vaak had hooren zeggen en thans in Liesbet de waarheid van dat woord, bevestigd zag.
't Verkortte den langen tijd van wachten, dat men zoo elkaar een blik in zijn levensboek gaf. Eindelijk wees de klok 12 uur, waarop die vriendelijke Zuster beloofd had, hen in den tuin te zullen komen opzoeken.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's