De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.

6 minuten leestijd

De rechtvaardigheid is uit het geloof : niet uit de werken. Wie zijn Abrahams kinderen? Vers 6—14. (IX) Vervolg vers 10.

Hoofdstuk II.

Het „doen'' van de dingen der Wet is dus in de eerste plaats „gelooven", en op deze wijze de Wet vervullen. Eerst moeten wij den Heiligen Geest ontvangen, door welken wij, na verlicht en vernieuwd te zijn, beginnen met het doen van de dingen, die der Wet zijn. Dat wil zeggen: God en onze naasten lief te hebben.

De Heilige Geest wordt echter niet door de Wet ontvangen, want Paulus zegt, dat degenen, die onder de Wet zijn, onder den vloek verkeeren, doch Hij wordt ons deel door de prediking des geloofs oftewel door Gods belofte.

Wij moeten eenvoudig mèt Abraham en zijn geloof in de beloften Gods gezegend worden.

Daarom moeten wij vóór alles luisteren naar de belofte, welke Christus ons en al degenen, die gelooven, voorhoudt. Grijpen wij deze belofte in het geloof, dan worden wij deswege begiftigd met den Heiligen Geest. We gaan dan God en onze naasten liefhebben, goede werken doen, en ons kruis opnemen.

Dit is de werkelijke betrachting der Wet; handelen we anders, dan blijft de Wet voor altijd onvervuld.

Wilt ge dus duidelijk en precies aangeven, wat het zeggen wil: „te doen, de dingen, die der Wet zijn", dan kunt ge het best zeggen : gelooven in Christus. En hebt ge eenmaal door het geloof in Christus den Heiligen Geest ontvangen, dan gaat ge vanzelf doen de dingen, die der Wet zijn.

Op een andere manier kunnen wij de Wet niet betrachten, want de Heilige Schrift zegt, dat er buiten de belofte Gods geen zegen is : ook niet in de Wet.

Het is dus onmogelijk, dat men de Wet zou kunnen houden buiten de belofte om. Want de Wet moet verbonden zijn met den zegen Gods, welke bestaat in de prediking van Christus, die aan Abraham beloofd is. En deze verkondiging houdt in, dat door Hem de wereld zal gezegend worden.

Ge zult dus in de gansche wereld niemand kunnen aanwijzen, die, buiten de belofte des Evangelies om, kan aanspraak maken op den titel: „dader der Wet". Want een echte „dader der Wet" is hij, die den Heiligen Geest ontvangen heeft door het geloof in Christus, en die begonnen is met het liefhebben van God en zijn naasten, zoodat „doen" en „gelooven'' samenvallen en elkaar insluiten.

Het geloof brengt namelijk den boom voort, en wanneer deze er is, dan komen de vruchten te voorschijn. Eerst is er de boom; daarna de vruchten. De boom wordt dan ook niet voortgebracht door de vruchten, maar het is omgekeerd : de vruchten zijn er door den boom.

Zoo ook vormt het geloof eerst 's menschen persoonlijkheid, die eerst daarna goede werken doet.

Wanneer iemand zonder geloof de Wet volbrengen wil, dan is het, alsof er vruchten konden komen, zonder dat er een boom is. Staat de boom er eenmaal, dat wil zeggen : leeft men eenmaal uit het geloof in Christus, dan komen de werken vanzelf. Want de „dader" gaat aan de daden vooraf; het is niet zoo, dat de daden er eer zijn dan de „dader".

Iemand wordt dus geen „dader" genoemd op grond van 't geen hij gedaan hééft, doch men is een „dader" op grond van hetgeen men nog doen zal. Een christen toch wordt niet gerechtvaardigd omdat hij werken en daden doet, die den toets der gerechtigheid kunnen doorstaan, maar zijn handelingen zijn eerst van zoodanigen aard, nadat hij door het geloof in Christus is gerechtvaardigd.

Op profaan terrein moge het anders zijn: theologisch gezien, is het zoo, dat uit het betrachten der werken geen „daders'' voortkomen. Zulks is alleen het geval door het geloof.

Dezulken heeft Paulus op het oog, als hij zegt:

„Want de hoorders der Wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders der Wet zullen gerechtvaardigd worden". (Romeinen 2 vers 13).

Nu leeren en bekennen ook de Sophisten, dat een daad van zedelijken aard geveinsd en ijdel kan zijn, wanneer zij niet met een oprecht hart en een goede gezindheid, doch bloot uitwendig verricht is.

Een Duitsch spreekwoord zegt: onder menige kap zit een schelm.

Want een goddeloos mensch, ja zelfs de ergste boef kan door te huichelen hetzelfde doen wat een vrome krachtens zijn geloof verricht.

Deed niet Judas hetzelfde als de andere apostelen ?

Wat mankeert er dan aan Judas' werk, als hij hetzelfde doet als de anderen ? Hierop antwoordt een Sophist op grond van zijn moraalphilosophie : hoewel Judas hetzelfde deed als de overige apostelen, dragen toch zijn werken een huichelachtig karakter, omdat hij een verworpene, en het gedichtsel zijns harten boos was. Hoeveel Judas' daden ook op die van de overige apostelen mochten lijken, — zij waren niet oprecht bedoeld, wat van de anderen wèl kan gezegd worden.

Ook de Sophisten moeten dus toegeven, dat op profaan en uitwendig gebied de werken niet rechtvaardigen kunnen, tenzij 's menschen hart rechtschapen, en men van goeden wille is.

Wanneer zulks nu erkend wordt door de Sophisten wat profane en uitwendige aangelegenheden betreft, — hoeveel te meer zullen zij dit moeten doen, wanneer het gaat over theologische kwesties, in welk verband de kennis Gods en het geloof van primaire beteekenis zijn.

Bedoelde lieden weten echter zelf niet waarover zij het hebben, en hoewel Paulus overal in duidelijke bewoordingen zegt, dat de Wet niet rechtvaardigen kan, zoo zien zij toch de waarheid hiervan niet in. Daarom zijn zij eigenlijk geen huichelaars, maar booze spoken, die betooverd zijn, omdat zij droomen, dat zij door het volbrengen van de Wet rechtvaardig zijn.

Indien Paulus de woorden : ,,zoo velen als er uit de werken der Wet zijn, die zijn onder den vloek" bewijzen wil met de uitspraak van Mozes: „vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der Wet, om dat te doen", dan is dat geen tegenstrijdigheid, gelijk op het eerste gezicht schijnt; maar dan is dat bewijs wel degelijk juist en ter zake.

Mozes houdt er namelijk dezelfde meening op na, en hij beweert hetzelfde als Paulus. Niemand is in staat, om de Wet te volbrengen. Bijgevolg zijn al degenen, die uit de werken der Wet zijn, nog geen werkelijke volbrengers der Wet in den waren zin van het woord. En wie nalatig is in dit opzicht, ligt onder den vloek.

Er zijn dus tweeërlei daders der Wet : namelijk ware en geveinsde. Ware daders zijn zij, die door het geloof een goede boom zijn, vóórdat zij vrucht dragen; zij zijn, reeds daders, vóórdat zij eenig goed werk verricht hebben. De geveinsde daders daarentegen meenen door hun werken gerechtigheid te kunnen verwerven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's