De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de kerkelijke Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de kerkelijke Pers.

15 minuten leestijd

De weg naar eenheid.--Om de Waarheid Gods.

De weg naar eenheid.

Wegwijzers zijn meer en meer een onmisbaar goed geworden. Vooral bij nieuwe wegen en verlegging van oude bestaande paden doet zich dit gevoelen. Verdwalen is niet zelden een gevolg geweest van niet letten op goede óf het beter willen weten dan jarenlange beproefde wegwijzers. Moeilijker wordt vanzelf het geval, wanneer uiteenloopende of tegenovergestelde richtingen worden aangewezen om hetzelfde doel te bereiken. Dat komt ook al door het verschillende „standpunt" dat men bij 't plaatsen van een wegwijzer gelieft in te nemen. Met betrekking tot de zoo veel besproken en door meerderen vurig begeerde eenheid zijn er al verschillende wegen aangewezen. Intusschen kan het zijn nut hebben er op te wijzen dat iemand dezer dagen de opmerking maakte of ook het volk, het kerkvolk al zeer door de eenheidsdrang was aangegrepen. We zien hiervan meer of minder bij de „voormannen'', maar hoe is het bij de gemeenten.

Hiermee wordt een zeer belangrijke kwestie aangesneden. Wil er waarlijk eenheid komen in kerkelijke openbaring van wat bijeenbehoort, dan zal dit niet door „oplegging" waarlijk te verkrijgen zijn, maar zal de drang daartoe ook in de respectievelijke gemeenten moeten gevon­ den worden. Hier kunnen we niet op commando iets verkrijgen. We moeten niet vergeten, dat reeds jarenlang de gedeelde toestand op kerkelijk gebied bestaat. Waarbij waarlijk niet steeds naar vereeniging is gezocht, maar de verschilpunten meerdere malen flink zijn onderstreept. Daarom getuigt het van weinig werkelijkheidszin als men in een paar dagen alles in orde wil hebben. Bovendien is daartoe, naar onze meening, nog iets anders noodig. Voor we daarop echter wijzen willen we eerst de „Gereformeerde Kerk'' nog aan het woord laten komen om ons de rechte weg tot de eenheid te laten wijzen. Deze is — naar opgemerkt wordt — reeds lang gewezen. Melanchton n.l. heeft gezocht, in zelfverloochening niet de overwinning van zijn overtuiging, zijn belijdenis, zijn woord, maar de overwinning van Gods Waarheid en Gods Woord over zijn woord en dat van anderen om samen in hun woorden Gods Woord des te zuiverder en rijker te mogen vertolken. Melanchton wilde daartoe samenkomen in een waarlijk oecumenische synode en zegt dan : „Daar zal ik bereidwillig èn andere geleerde mannen hooren èn op mijn beurt mijn gevoelen zeggen en de redenen daarvoor toonen. Wat sommige dingen aangaat, anderen overtuigende, wat andere dingen aangaat, zelf overtuigd wordende, zooals aan geloovigen betaamt. Want de Waarheid, Gods eer en het heil der Kerk moeten altoos de overwinning behalen, niet eenig privaat gevoelen". Hierbij wordt er op gewezen, dat het moet komen tot eenheidsopenbaring door de macht der Waarheid. Dit kan niet gebeuren als wij onze „waarheid" stellen tegenover de waarheid van een ander, maar wanneer wij met dien ander ons aan Gods Waarheid onderwerpen en wij beiden op haar als op onze scheidsrechter ons beroepen. —

Kort samenvattend zouden we dus kunnen zeggen : het gaat om onderwerping aan Gods Waarheid. Ik vermoed, neen, weet zeker, dat niemand uit onzen kring dit zal tegenspreken. We mogen nog wel verder gaan: Zegt tenslotte ieder dit niet, die nog met de Kerk rekening houdt? Wordt het van alle zijden niet vernomen dat het gaat om de Waarheid Gods en de onderwerping daaraan ?

Maar dan weten we ook dat we tegelijkertijd in menige vraag terechtkomen. Nu kunnen we het al beluisteren : Terwille van de onderwerping aan de Waarheid Gods vereenigen. Terwille van de onderwerping aan de Waarheid Gods zoo niet vereenigen. Ten bewijze hiervan mag ik wel iets aanhalen uit een artikel van R. te M. in De Wachter. Hierin wordt gewezen op wat Ds J. Tamminga schrijft in de Chr. Geref. Kerkbode over „De roep om eenheid". Prof. v. d. Schuit had geschreven : „ja, inderdaad, wij zien een jammerlijke verdeeldheid en verscheurdheid onder hen, die zeggen voor Gods Woord te buigen en in één Middelaarsbloed te roemen". Ds. T. zet nu een streep onder zeggen en schrijft dan: „Let op dat: die zeggen. Dat is het juist: die zeggen! „Maar daarom behoeft het nog niet zoo te zijn! „Voor Gods Woord buigen ? ' „En die leerstellingen dan, die naar onze meening in strijd zijn met Gods Woord ? Is dat dan een buigen ? "

R. te M. merkt dan op, dat Ds T. niet zonder meer het recht heeft om dit te zeggen. Om dit met recht en naar waarheid te kunnen doen, moet Ds T. dan eerst duidelijk aantoonen dat de Gereformeerde Kerken dingen leeren die werkelijk met Gods Woord in strijd zijn. De afwijkingen van Gods Woord zouden moeten worden bewezen. Omgekeerd ziet R. te M. weer dingen in het Chr. Geref. Rapport die naar zijn meening niet met Gods Woord overeenkomen. Hoewel hij niet wil vragen: Is dat nu een buigen voor het Woord?

Zoo kunnen er zijn en zoo zijn er geschilpunten over de Waarheid, die van veel grooter omvang zijn en die veel dieper ingrijpen. In de beslissingen, welke hierover moeten vallen, moeten wij, meen ik, ook voorzichtig zijn, met steeds afkeurend en kleineerend te spreken over dat „ons" en „onze" in onze belijdenis, enz. Moet dit nu altijd per se gezien en gequalificeerd worden als het opkomen van een groepje voor eigen meening en eigen belangen ? Of mogen en moeten wij het niet zóó zien dat degenen die dit zoo wel eens zeggen, daarmee hunne eenheid uitspreken met de Kerk van Christus de eeuwen door. De hervormer Calvijn gebruikt toch ook nog wel eens de uitdrukking „onze" leer en „onze" belijdenis. Maar daarmee bedoelt hij dan toch waarlijk niet zijn private meening, om die nu voor Gods Waarheid door te laten gaan. Integendeel. Hij heeft het over „onze" leer, die niet van ons is, maar van den levenden God en van Zijn Gezalfde, wien de Vader tot een Koning gesteld heeft, opdat Hij van zee tot zee zou heerschen en van de rivieren tot aan de einden der aarde. Zoo zien toch ook wij het als wij spreken over onze belijdenis en onze leer. Ik weet heel wel dat er wel vervallen in wat Groen noemt: doode formulierrechtzinnigheid — terwijl ze niet leven uit de Waarheid Gods, die in de belijdenis wordt vertolkt. En daarop doelden wij zoo straks, toen wij zeiden dat er naar onze meening óók voor eenheidsopenbaring nog wel wat anders noodig is. Daarbij raken wij de nood van alle kerken en het heele kerkelijke leven. Waar is het geloof, dat belijdt ? Met deze ééne vraag weet ge héél goed wat we bedoelen. Er wordt gesproken over de Waarheid Gods. Er wordt geijverd voor de Waarheid Gods. Allerlei beschouwingen worden ten beste gegeven. Beschouwingen, die gelijken op het gesprek over de neerkletterende regen, terwijl we rustig en droog in huis zitten. Maar leven uit Gods Waarheid — dat is noodig. Dat is allereerst en allermeest noodig. Wanneer daar meer ernst mee gemaakt werd, dan zou de drang sterker kunnen worden, ook in de gemeente, om met diegenen vereenigd te zijn, ook kerkelijk, die eveneens door het waarachtig geloof den Christus dierbaar achten. Terwijl we nu zien, dat zelfs het geloofsleven dergenen, die God waarlijk vreezen, te ingezonken is om veel van deze drang te openbaren. Leiding in de Waarheid Gods is noodig, door den Heiligen Geest. Dan alleen kan er sprake zijn van die eenheid, waarom Christus bidt: opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in ons één zijn Daarom bidt Christus voor die allen: Heilig ze in Uwe Waarheid. Uw Woord is de Waarheid.

Om de Waarheid Gods.

Om de Waarheid, om het Woord Gods gaat het de schrijver ook in wat hij in het Hervormd Zondagsblad vermeldt onder 't opschrift: De Prediker of 't Woord ? Met deze vraag wordt dan vanzelf bedoeld! waarom het gaat, om den prediker, óf om 't Woord, de verkondiging van het Evangelie, van 't welk de prediker bedienaar is en moet zijn. Het antwoord hierop luidt : „natuurlijk" om 't Woord. De praktijk is echter dikwijls heel anders. Dan gaat het vaak meer om wat de prediker zegt en vooral „hoe" hij 't zegt, dan om 't Woord. Het naloopen van „geliefde" en „gevierde" predikers is een zeer bekende zaak. Ter illustratie wordt dan gewezen op een artikel uit de Herv. Zondagsbode voor de ring Schiedam. Ds Van Rhijn wijst er op, dat wij 's avonds de lichtreclames in het stadsbeeld missen. Op kerkelijk erf doen wij ook aan lichtreclames. Het partijwezen is vaak ontaard doordat de groep zelf of de groote voorman in 't licht kwam te staan.

Het getuige van Christus zijn kwam op den achtergrond en het groote licht Gods werd allang niet meer gezien. Er is een zucht om het te houden met één bepaalden voorman en te zweren bij één bepaalden dominé. Nu moeten buiten de lichtreclames gedoofd worden, maar in de Kerk merkt men van deze „verduistering" nog niet veel. Daar is het nog een roepen : Ik ben van Paulus, ik ben van Apollos en ik van Cefas en ik van Christus. In aansluiting aan het bovenstaande wordt dan nog gewezen op het te Voorburg ingediende voorstel om niet meer te melden welke dominee preekt, maar alleen het uur en de plaats. Dr Houders van Wassenaar is begonnen ook zijn gemeente daarover aan de tand te voelen. Hij stelt de vraag : waar moet het om gaan bij de kerkgang ? Waaraan binden wij den zegen ? Er wordt op gewezen dat de dominees in twee groote kampen ingedeeld zijn. De gemeente heeft haar „geliefde" en haar „gehate" predikanten. Ook zonder dat de richting hierin nog een woord meespreekt. Komt dit er echter bij, dan moet het geheel onmogelijk geacht worden om niet te vermelden welke predikant voorgaat. Dan zou het richtingenfeit een gehoorchaos te zien geven in de kerken met als gevolg : ontstellende achteruitgang van kerkbezoek en al den aankleve van dien.

Bij de prediking gaat het om de Waarheid Gods en niet om de prediker. We zullen het daar allen roerend over eens zijn. Maar hét is dan toch maar waar, dat die Waarheid Gods door een prediker moet worden gebracht. Vandaar de geweldige verantwoordelijkheid van ieder, die het Woord Gods heeft te brengen. In „Het gepredikte Woord'', I, wordt daarover gezegd : „Want de dienaren des Woords zijn niet minder dan deurwachters van het Koninkrijk der hemelen. Zij brengen den menschen zaligheid toe. En juist omdat 't hier gaat over zulke verheven dingert, die beslissend zijn over leven en dood, zal de prediker moeten staan onder den indruk van zijn goddelijke roeping". „Deze militia Christi'' (dienstphcht onder Christus), vraagt voorts van den prediker trouw om ongeschonden zijn boodschap af te geven.

Die de opdracht hebben 't Woord Gods te verkondigen, worden gewaarschuwd om toch met vreeze en beven in hun dienst te volharden; en waar zij komen om het Woord te verkondigen, zullen zij zich wachten het te vermengen met iets dat van henzelf is. Alles wat zij zeggen, moet overeenkomen met de ware en zuivere uitlegging van wat geschreven staat". „De prediker kan niet zeggen : ik heb aan niemand rekenschap af te leggen. En als hij zich ergert aan het feit, dat leden der gemeente de vraag stellen: was de leer, die is voorgedragen, waar of valsch ? dan betoont hij daarmee een tyran te zijn, die wil heerschen. De gemeente zelf is n.l. bij de prediking niet op non-aktiviteit gesteld. Calvijn betrekt zelfs welbewust de gemeente in haar geheel bij den dienst van den enkelen ambtsdrager, zij krijgt een eigen aandeel in dezen krijgsdienst, waartoe de prediker verplicht is. Zoo zegt hij: de leer moet onderzocht worden, er moet een onderzoek zijn aangaande de leer. En hij denkt daarbij speciaal aan wat in de prediking geibracht wordt. Als er zijn die verklaren : wat mij betreft, ik ben zoo devoot, dat ik alles aanneem wat men mij zegt, gaat hij daar heftig tegen in. Hij scheldt ze uit. Want God wil kinderen, die onderscheiden. De gemeente staat mede verantwoordelijk voor de zuiverheid van den dienst des Woords". We hebben er dus wel op te letten, dit is ook volkomen volgens de Schrift, dat de gemeente niet op non-aktiviteit wordt gesteld. Dat wil geenszins zeggen, dat Calvijn zou aanbevelen het dwepen naet deze of gene en het verachten van den ander, terwijl deze toch Gods Waarheid brengt. Integendeel. Daar heeft hij zijn gansche leven tegen gestreden. En daar moet nog tegen gestreden worden. Er zijn menschen voor wie feitelijk maar één predikant bestaat, of hoogstens twee of drie. Ik weet wel, dat hier een bizondere oorzaak voor aanwezig kan zijn. Men is bizonder getroffen enz. onder de prediking van deze of gene. Dat legt een bepaalde band. Goed. Maar dat mag toch niet tot een vereering en verafgoding leiden, waardoor God in Zijn eer wordt getast. Want God alléén gaf de zegen.

Daarom, als dit euvel, deze menschvereering uit de Kerk meer en meer verdween, het zou een zegen zijn. Het zou vooral een zegen zijn, wanneer het voortsproot uit de ware begeerte naar de Waarheid Gods, zooals deze in de prediking behoort te worden uitgedragen. Ongetwijfeld zou dan het „gehoor'' van verscheidene predikers gaan slinken. En soms nog wel van die predikers, die nu het hardst roepen dat het niet om de prediker, maar om de Waarheid Gods te doen moet zijn. Want als alle gemeenten en alle kerkgangers eens waarlijk de maatstaf van Schrift en belijdenis gingen aanleggen ? En waarlijk vroegen naar een voorwerpelijk-onderwerpelijke prediking ? O, ware het eens zoo. Wat zou er dan nog meer contact gevoeld worden met de kerkgangers als in de prediking het werk Gods wordt uitgedragen! Wat zou er dan ook veel „menschelijks" wegvallen.

Dan zou niet allereerst gevraagd worden naar het aantal talenten van den prediker — maar dan zou gevraagd worden of deze het Woord uitdraagt naar de meening des Geestes. Dat zou dan het punt van beoordeeling worden. Bovendien moeten we dan ook verlost worden van „kleinzieligheden" onder bedienaars des Woords. De een kan het vaak niet hebben dat de ander wat kerkgangers meer heeft voelt zich achteruitgezet. Aangetast in zijn eer. Inderdaad, ik kan me indenken dat dit moeilijk kan zijn. Dat dit ingaat tegen vleesch en bloed. Maar nochtans heeft het ons niet te verbitteren of mag het ons niet doen uitvaren tegen de gemeente. We hebben dan bij onszelf de oorzaken op te sporen. En bij de gemeente. Dan kan het ook zijn dat we ons bedroeven mogen en moeten over de gemeente, die iets bijkomstigs laat spreken en zoo weinig vraagt als hongerige en dorstige naar het brood en het water des levens. We mogen hier tot slot wel aan onze lezers en vooral aan onze ambtsbroeders ter overdenking voorleggen wat Voetius schrijft in eene verhandeling over de zichtbare en georganiseerde Kerk, hoofdst.5. (Of allen hierover gelijk zullen denken, weet ik: niet). Daarin zegt hij dat de geestelijke onderscheiding der betere gaven niet mag veroordeeld worden. Wanneer iemand op onwaardige wijze (één predikant uitkiezende) den dienst der overige dienaren in dezelfde stad minacht en ontvlucht, en daarvan geen gebruik wil maken, terwijl toch allen gemeenschappelijk hunne herders zijn, wien van Godswege de zielzorg is opgelegd, die zal Gode rekenschap hebben te geven. Dit moet hun worden ingeprent, die de overige dienaren, als zij op een morgen- of avonduur op Zondag of op een uur in de week alleen prediken, niet willen hooren. 't Is echter een ander geval met hen, die alle preeken van elk hunner predikers, indien zij alleen prediken, gaarne willen bijwonen ; slechts kiezen zij hem uit, die op hetzelfde uur tegelijk preeken. En wanneer dan gezegd wordt: „De predikers, wier preeken niet gehoord worden, kwellen hunne ziel en doen hunne zuchten tot God opstijgen, wanneer zij zien dat anderer prediking boven de hunne gesteld wordt", dan antwoordt Voetius daarop het volgende : „Hoe zou het zijn, indien eens omgekeerd de toehoorders menigvuldiger bij hem toestroomden en een of meer der collega's dan zuchtten ; op welke wijze zou hij hen troosten ? Aan zoodanige predikers zou kunnen toegevoegd worden dat woord tot Jona, dat we vinden Jona 4 : 4, 9, 10, 11. Het is u geoorloofd smart te gevoelen en u te verootmoedigen voor God, dat uwe gaven, indien zij gelijk zijn aan de gaven der andere predikers of ze overtreffen, door de toehoorders buiten uwe schuld gering geacht worden. Intusschen is het u niet geoorloofd tegen uwe collega's verontwaardigd te zijn of hen te benijden, noch om tegen God te murmureeren. Indien uwe gaven minder zijn, moet de Voorzienigheid Gods erkend worden, die deze mindere mate van gaven u ten goede zal doen medewerken, aan elk de mate der genade gevende naar Zijn welbehagen. Prijs de goedheid Gods in uwe collega's. Dank Hem voor de mate, u gegeven. Hij zou immers minder of niets kunnen gegeven hebben. Vraag van Hem vermeerdering. Vergoed datgene, wat ge door predikgaven niet kunt geven, door eenige andere kerkelijke plichten getrouw en met vurigen ijver waar te nemen. Maar indien de predikgaven door gebrek aan ijver, vlijt of vroomheid uwerzijds minder zijn dan die der anderen, moet het hart worden gericht tot vurige gebeden, oprecht berouw en gedurige vlijt, en worden afgekeerd van alle wereldsche rust en bezigheid. Kortom, mits er niet aanwezig zij onwetendheid, zorgeloosheid, hoogmoed, nijd, dan zal ook de twist in den schoot bergende afgunst er niet zijn, welke niet zelden in grootere steden de collega's in denzelfden dienst verontrust en kwelt. Maar meer dan genoeg tegen dezen ruwen en onnutten redetwist van sommigen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit de kerkelijke Pers.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's