UIT DE HISTORIE
De rechtvaardigheid is uit het geloof : niet uit de werken. Wie zijn Abrahams kinderen? Vers 6—14. (X)
Hoofdstuk II.
Vervolg vers 10.
Degenen, die de Wet trachten te vervullen, kunnen dat niet alleen niet, maar ook verloochenen zij het eerste gebod, Gods beloften en den door Hem beloofden zegen aan Abraham. In den grond van de zaak verloochenen zij het geloof, en zij pogen zichzelf te zegenen door middel van de werken, die zij doen. Dat wil zeggen: zij willen zichzelf rechtvaardig maken ; zich bevrijden van zonde en dood ; den duivel overwinnen, en den hemel met geweld innemen. Dit alles is God verloochenen, en zich op Zijn plaats zetten. Want al het hier genoemde is werk van Zijn Goddelijke majesteit : niet van eenig schepsel, hetzij 't een engel, dan wel een mensch is.
Paulus heeft dan ook gemakkelijk krachtens het eerste gebod kunnen voorzeggen, dat er in de kerk door den anti-christ gruwelen zouden worden ingevoerd. Want zij, die leeren, dat er buiten het eerste gebod, dat vreeze Gods en geloof in en liefde tot Hem predikt, nog een andere religie is, welke ter zaligheid zou noodig zijn, zijn anti-christen, die zich in Gods stoel zetten.
Dat er zulke lieden komen zouden, heeft de Christus voorzegd in Mattheüs 24 vers 5, toen Hij waarschuwde:
„Want velen zullen komen onder Mijnen Naam, zeggende : Ik ben de Christus ; en zij zullen velen verleiden".
Zoo kunnen ook wij heden ten dage met een gerust hart zeggen: wie de gerechtigheid door middel van de werken, buiten het geloof om, zoekt te verkrijgen, die loochent God, en maakt zichzelf tot een. God, want zijn denkwijze is aldus : wanneer ik dit of dat werk doe, dan zal ik rechtvaardig wezen, benevens overwinnaar over zonde, dood en duivel. En voorts zal ik het eeuwige leven deelachtig worden.
Is dit, zoo vraag ik u, iets anders, dan ons aanmatigen, wat alleen aan God toekomt ? En is dat niet zichzelf voor God uitgeven ?
Veilig kunnen wij dan ook profeteeren, en met zekerheid oordeelen, dat allen, die buiten het geloof staan, afgodendienaars zijn; en ook zelf zijn ze afgoden, die God verloochenen, en zich op Zijn plaats zetten.
Op dezelfde gronden heeft Petrus gesproken, als hij zegt:
„En er zijn ook valsche profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valsche leeraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook den Heere, die hen gekocht heeft, verloochenende'' (2 Petrus 2 vers 1).
Ook in het Oude Testament vloeien alle voorzeggingen uit het eerste gebod voort. Want alle goddelooze koningen en profeten hebben, tezamen met het ongeloovige volk, niets anders gedaan, dan wat op het oogenblik de paus en alle huichelaars doen.
Want nadat het eerste gebod en de door God ingestelde religie op zij gezet waren, en de beloften aan het zaad Abrahams, in wien alle volken zouden worden gezegend, in verachting waren geraakt, stichtte men een goddeloozen afgodendienst buiten Gods Woord om, en tegen dat Woord in. En men zeide : door het in acht nemen van dezen eeredienst prijzen en dienen wij God, die ons uit Égypteland heeft uitgeleid.
Zoo maakte Jerobeam twee gouden kalveren, en hij zeide : „Zie uwe goden, o Israël" (1 Koningen 12 vers 28).
Dit bedoelde hij te zeggen omtrent den waren God, die Israël verlost had. Niettemin waren hij en het gansche volk afgodendienaars, omdat zij God anders dienden, dan Hij in het eerste gebod verordend had. Men zag namelijk alleen op hetgeen hij deed, meenende, dat men op grond daarvan voor God rechtvaardig was. Zulks hield echter een verloochening van God in. omtrent wien zij met den mond verkondigden, dat Hij hen uit Egypteland had uitgeleid.
Van zulke afgodendienaars zegt Paulus: „Zij belijden, dat zij God kennen, maar zij verloochenen Hem met de werken". (Titus 1 vers 16).
Alle huichelaars en afgodendienaars, die doen, wat eigenlijk alleen God en Christus toekomt, zeggen welliswaar niet openlijk : „ik ben God" of : „ik ben Christus", maar metterdaad matigen zij zich het ambt van Christus aan, en hetgeen Godes is. In den grond van de zaak zeggen dezulken dus wel degelijk: „ik ben God" en: „ik ben een heiland voor mezelf, en ook voor anderen'.
Door zijn godheid uit te strekken over gansch de wereld, heeft bijvoorbeeld de paus Christus' ambt en. Godheid verloochend en naar beneden gehaald.
Het is van groot nut, dat men zich deze dingen goed in het geheugen grift, bedenkende, dat een en ander dient, om de christelijke leer in haar geheel, alsmede den waren aard van het menschelijk leven goed te kunnen beoordeelen. Ook is het dienstig om 's menschen conscientie te versterken, en de voorzeggingen der Heilige Schrift beter te leeren verstaan. Ook krijgt men er een juister oordeel door over allerlei zaken en onderwerpen.
Want wie de dingen goed vasthoudt, die kan vaststellen, dat de paus de anti-christ is, wijl hij een anderen godsdienst er op na houdt, dan in de eerste tafel der Wet geleerd wordt. Zulkeen kan ook begrijpen, wat het beteekent, Christus te verloochenen. Ook verstaat zoo iemand goed wat Christus zegt in Mattheüs 24 vers 5, en wat er geschreven staat in 2 Thessalonicensen 2 vers 4, waar omtrent den antichrist gesproken wordt, dat hij als een god zal zitten in den tempel Gods.
Alle verkeerde beschouwingen, waarover wij spraken, zijn een gevolg van het feit, dat men niet door den zegen Gods wil gerechtvaardigd worden. Men wil jegens God den Schepper niet de juiste houding aannemen ; men wil geen lijdelijk wezentje zijn, doch zelf krachtig medewerken aan hetgeen men door God zou moeten laten tot stand komen, en wat men van Hem behoorde aan te nemen.
Door eigen werken werpt men zich dan ook zelf op tot schepper en rechtvaardiger, den zegen verachtende, die aan Abraham beloofd en geschonken is : mitsgaders aan zijn geloovige kinderen.
Elke hypocriet is dus tegelijk schepper en schepsel, hetwelk echter strijdig is met de philosophie, die leert, dat eenzelfde persoon niet tegelijk actief en passief kan zijn. Niemand kan onder woorden brengen, hoe verschrikkelijk en vervloekt het is, wanneer men zijn gerechtigheid zoeken wil in de Wet en de werken: buiten den zegen Gods om.
Werkelijke „daders" der Wet zijn dus niet degenen, die de Wet uitwendig nakomen, doch de geloovigen, die, na den Hei ligen Geest ontvangen te hebben, de Wet vervullen, dat wil zeggen : God en de naasten liefhebben.
Nadat wij door het geloof zijn gerechtvaardigd, doen wij goede werken, door welke wij onze roeping en verkiezing van dag tot dag vaster maken. (2 Petrus 1 : 10)
Omdat wij echter slechts de eerstelingen des Geestes hebben, en de overblijfselen der zonde in ons aanwezig blijven, daarom kunnen wij de Wet niet volkomen vervullen. Maar zulks wordt ons, die in Christus gelooven, en die beschikken over den aan Abraham beloofden zegen, niet toegerekend. Wij worden namelijk om Christus' wil in den schoot der Goddelijke barmhartigheid gedragen en gekoesterd. We zijn als een mensch, die door moordenaars overvallen en gewond is, en die door den Samaritaan verbonden wordt, olie en wijn toegediend krijgt, enz.
Wij worden als het ware liefderijk verpleegd in een ziekenhuis, totdat de Heere de hand op ons legt, en ten tweeden male spreekt: „Ik zal u opnemen, en Ik zal u dragen en redden". (Jesaja 46 vers 4) ")
1) Men ziet, dat Luther de paus voor „den" anti-christ houdt. Hiertegenover staat echter de opvatting van vele theologen, die er huiverig van zijn, een bepaald persoon te houden voor „den" anti-christ. De geschiedenis heeft bewezen, dat men zeer voorzichtig moet zijn met een absolute en concrete uitspraak in deze. Veiliger gaat men, wanneer men met opzicht tot deze moeilijke materie de grootste voorzichtigheid betracht, en zich niet laat leiden door allerlei gevoelsoverwegingen.
2) Wij worden hier, gelijk op zoovele plaatsen, getroffen door Luthers schoone woordkeus, die een bewijs is van het diep religieuse leven, dat de Hervormer persoonlijk leidde. Wie de Waarheid Gods niet kent, kan er zich niet zoo teer over uitlaten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's