Eén kudde onder één Herder.
Wie kerk zegt, bedoelt Christelijke Kerk, de kerk van Christus en staat binnen de grenzen der Christelijke religie. Dat wil dus zeggen, dat buiten het Christendom de kerk niet is. Als de confessie zegt: de kerk is de vergadering der ware Christgeloovigen, komt dat overeen met het zooeven gestelde.
Het wordt echter een weinig anders als wij niettemin belijden, dat God de kerk van den beginne der wereld tot aan het einde vergadert, beschermt en onderhoudt. Dit verandert niets aan het bizonder karakter der kerk, maar strekt zich verder uit dan wat wij onder Christendom plegen te verstaan. Het Christendom omspant trouwens reeds een wijder begrip dan de Christelijke kerk, doch ook zoo is het niet ouder dan de Christelijke jaartelling, naar ouder gewoonte tellende van af het jaar onzes Heeren.
De Christelijke kerk is de openbaring der kerk na de vleeschwording des Woords, of de kerk der nieuwe bedeeling. De kerk is echter ouder, zij is van den beginne der wereld. In een vroegere eeuw werd zij ook openbaar, hoewel haar verschijning anders was : Zoo meldt Gen. 4 : 26, dat men den Naam des Heeren begon aan te roepen. Dit heeft betrekking op de kinderen van Seth, en wordt verstaan als een gemeenschappelijk aanroepen van den Naam des Heeren. Onder de aartsvaders had de kerk het karakter van huisgemeente, waartoe de aartsvaderlijke familie met al, wat daartoe gerekend werd, behoorde. Denk slechts aan Abraham en zijn knecht Eliëzer, die niet vreemd was aan de religie van zijn heer. Het gansche huis werd ook besneden. (Gen. 17 : 27). Verder wordt het volk Israël de gemeente des Heeren genoemd. Na de ballingschap verschenen in vele plaatsen synagogen, waar de Joden saamkwamen tot de godsdienstoefening. Ook de Heere Jezus ging naar Zijn gewoonte op naar de synagoge. Hij zelf sprak van Zijn gemeente, (Matth. 16 : 18), welke Hij vergadert, n.l. de geroepene heiligen Gods, gelijk ook Zijn kerk Zijn gemeente (ecclesia) wordt genoemd. In de discipelen, die Hij tot zich vergaderde, verschijnt dus reeds de Nieuw- Testamentische gemeente of de kerk. Zien wij op de geroepene heiligen, dan heeft Christus altijd Zijn gemeente op aarde gehad, zien wij op de uitwendige verschijning, dan. is de gestalte der kerk in het Oude-Testament zeer verschillend.
Uit geestelijk oogpunt beschouwd kan men dus zeggen, dat er slechts één kerk is, n.l. de kerk van Christus. Men spreekt ook wel van de kerk des Nieuwen Verbonds, doch dan moet men met Augustinus opmerken, dat het Nieuwe Verbond ook door het Oude Testament heengaat.
Let men echter alleen op de saamkomst der gemeente, d.w.z. dat men alleen de godsdienstige vergadering in het oog vat, dan vindt men ook in het Heidendom overeenkomstige verschijnselen. Godsdienstige vergaderingen en bonden zijn niet zeldzaam. Dat ligt in den aard der religie. Religie zoekt gemeenschap. Waar de menschen in stammen leefden of nog leven, is de religie de hechtste band van den stam en een gemeenschappelijke aangelegenheid van den stam.
Zoo treft men ook geheime bonden van mannen en vrouwen aan, die een religieus karakter dragen, en groepen of gemeenschappen, die zekere overeenkomst vertoonen met het monnikenwezen.
Aangezien echter het Heidendom een veelheid van goden vereert en den eenigen God niet kent, vindt men desondanks toch niets, dat het wezen der kerk benadert. Men kan alleen zeggen, dat ook de heidensche religie een gemeenschappelijke wil zijn, welke niet aan de willekeur van den enkeling wordt overgelaten.
Zij is krachtens haar wezen een gemeenschappelijke zaak, die zelfs niet een enkele groep, maar geheel de menschheid aangaat, omdat God een eenig Heere is en de menschheid uit éénen bloede is geschapen. (Hand. 17 : 26).
Elders hebben wij er reeds op gewezen, dat zij een levende betrekking stelt tusschen God en den mensch. Die levende betrekking is met de schepping van den mensch gegeven. Zij is er en zij is reëel. God is de Schepper van hemel en aarde en de mensch is naar Zijn beeld geschapen. Daarin is die relatie der religie als werkelijkheid gezet, zoodat niemand zich daaraan straffeloos kan onttrekken. Alleen de mensch naar Gods beeld is een redelijkzedelijk wezen. Dat beteekent, dat hij deze werkelijkheid kan negeeren en zich van God afkeeren, gelijk hij ook in Adam gedaan heeft.
Dit neemt echter het feit van de eene en algemeene religie niet weg. Het wezen der religie wordt niet veranderd, als de mensch zich aan den God der religie niet onderwerpt. De mensch werd veranderd en gaat zijn weg in duisternis, zonder God in de wereld, tenzij de Heere hem in Zijn genade opzoekt.
De Heere handhaaft Zijn recht op de gansche menschheid, van welke Hij wil geëerd en gediend worden. Naar de orde der schepping is daar alzoo slechts één religie, en staat de gansche menschheid schuldig als ééne religieuse gemeenschap Hem de eere te geven, die Hem alleen toekomt.
Zoo gaat er van den hemel een roep uit tot alle menschen, want de Heere heeft zich niet onbetuigd gelaten jegens een wereld, die zich van Hem heeft gewend. Hij openbaart zich als de Schepper en Onderhouder, die in Christus een Verlosser en Vader wil zijn. Hij roept door Zijn Woord en Geest en vergadert zich een gemeente in den Zoon Zijner liefde door het Evangehe der genade. Hij brengt haar tezaam in het alleen zaligmakend geloof, dat den heiligen is overgeleverd, een eenig geloof, dat allen vereenigt door één Geest, die daartoe geordineerd zijn, van welken staat of conditie zij ook mogen zijn.
De gemeente van Christus is éen lichaam onder één Heere, de eene heilige algemeene Christelijke kerk, welke Hij Zijn gemeente noemt. Tegelijkertijd is de eenigheid en de eenheid, maar ook het universeel karakter van de kerk des Heeren daarmede geteekend.
Reeds in de dagen der apostelen werden aan vele plaatsen, waar de prediking ingang vond, gemeenten gevormd. Ziedaar het meervoud. Er verschenen meerdere gemeenten of kerken. Het woord gemeente, dat eigenlijk niet voor een veelheid of meervoud in aanmerking kan komen, werd toch zoodanig gebruikt. Toch kan men niet zeggen, dat Christus vele gemeenten of kerken heeft, want het lichaam van Christus is niet gedeeld. Hij is het Hoofd der gemeente en deze is Zijn lichaam.
Men moet zich dus anders uitdrukken. De gemeente des Heeren komt in vele plaatsen tot openbaring, neemt in verschillende plaatsen een zichtbare verschijning aan. Overal, waar dat geschiedt, is de gemeente des Heeren. Ter plaatse, waar de kerk openbaar wordt, is deze vergadering de gemeente des Heeren. Het kan zelfs zoo zijn, dat de gemeente in eenzelfde stad weer aan meerdere plaatsen saamkomt. Dit was het geval reeds in de eerste tijden te Jeruzalem. Men vormde dan zoogenaamde huisgemeenten : de gemeente ten huize van die en die. Hoevele gemeenten op deze wijze ook ontstonden, zij blijven allen tezamen de ééne gemeente des Heeren. Dat kan niet anders, omdat zij Christus' lichaam is. De gemeente des Heeren wordt niet opgebouwd uit de verschillende gemeenten, die over de aarde verspreid zijn, maar de kerk van Christus is er, alvorens zij openbaar wordt. Zij is op een verborgen wijze bij God en degenen, die tot haar geordineerd zijn, liggen verborgen in den schoot der menschheid. Dat is het zaad Abrahams. Zij is er dus en wordt door de geslachten heen openbaar in degenen, die den eenigen Middelaar en Zaligmaker in een oprecht geloof aannemen.
Van deze verborgen gemeente moet men dus uitgaan. Dat is de eene, heilige, algemeene Christelijke kerk, waarvan de apostolische belijdenis getuigt. Zij is een voorwerp des geloofs. Het geloof ziet die kerk. Tot die ééne gemeente behooren alle heiligen Gods, die op aarde woonden, die er thans zijn en die nog zullen geboren worden. Zij omvat degenen, die in den Heere gestorven zijn, en die op de aarde zijn en vereenigt alzoo hemel en aarde in het heilig lichaam des) Heeren.
Waar nu op aarde deze gemeente van Christus tot openbaring komt, is dus niet een kerk, maar de kerk des Heeren. Aan haar komt die titel toe, niet, omdat zij op zich zelf iets is, maar, omdat zij als openbaring van bet lichaam van Christus naar Zijn Naam genoemd is. Daarom heeft zij de roeping en alle rechten en voorrechten van de eene, heilige, algemeene Christelijke kerk. Al wat tot het wezen dezer algemeene kerk behoort, behoort ook tot het wezen der bijzondere kerk, zooals in iederen enkelen mensch het wezen van den mensch tot openbaring komt.
Wanneer men dus zegt, dat de eene algemeene kerk aan de bijzondere kerken voorafgaat, is dat in zekeren zin juist. In zekeren zin, d.w.z. zoo men maar vasthoudt, dat die algemeene kerk is de kerk des geloofs, of beter nog de kerk, waarop het geloof ziet. Men kan dezen voorrang nimmer toepassen op een bijzondere kerk op aarde. De oudste kerk op aarde heeft geen meerder gezag dan de jongste, omdat zij beide openbaringen van het ééne lichaam van Christus zijn en beide haar naam, recht en gezag aan die eene, heilige, algemeene. Christelijke kerk ontleenen.
Dit leidt dus tot de gevolgtrekking, dat aan een bijzondere kerk alleen de naam gemeente des Heeren toekomt, zoo zij de kenmerken draagt van de eene, heilige, algemeene Christelijke Kerk. Alleen, wanneer zij bewijst een, openbaring van Christus' lichaam te zijn, heeft zij de rechten en het gezag van de kerk des Heeren. En zij bewijst dat door haar roeping te vervullen en die rechten en dat gezag waardig en overeenkomstig het bevel van Christus te laten gelden. De bijzondere kerk heeft geen ander beroep dan de kerk, n.l. op het onfeilbaar Woord. Dat is haar grondslag, regel en kracht.
Wanneer wij deze betrekking der bijzondere kerk tot de eene, heilige, algemeene. Christelijke kerk goed verstaan, zal het duidelijk zijn, dat de gemeenschap der afzonderlijke kerken geestelijk is. Die geestelijke gemeenschap wordt door 't woordje algemeen aangeduid, hetwelk een overzetting is van het woord katholiek ; de eene, heilige, katholieke kerk. Dit woord werd reeds van ouds gebruikt en bedoelde de geestelijke gemeenschap van de kerken, die over de gansche aarde verspreid zijn. Het is dus gbed het woord Katholiek niet te veruitwendigen, maar in geestelijken zin te nemen. De Katholieke kerk is de kerk van de apostolische belijdenis, de kerk, die aan alle aardsche kerken voorafgaat, en die in de bijzondere kerken op aarde tot openbaring komt.
Wij willen daarop bijzonderlijk de aandacht vestigen, omdat er altoos neiging blijkt te zijn dat geestelijk gezicht te verliezen en den maatstaf des Woords in te ruilen voor dien van een uitwendig instituut. De historie leert, dat dit alzoo is geschied en de kerk op een weg heeft gevoerd, welke haar steeds meer deed afwijken van wat met haar aard en wezen overeenkwam.
Aanleiding tot deze ontwikkeling gaf de onzuiverheid, die steeds in iedere openbaring der eene Katholieke kerk gevonden wordt. De gemeente zonder vlek en rimpel zal eerst in den hemel worden gezien. De belijdenis zegt, dat er altoos hypocrieten gevonden worden. Dat was ook in de eerste eeuwen zoo. Reeds toen maakte men onderscheid tusschen ware en valsche leden der kerk. Daarbij kwamen spoedig secten en ketterijen op, die verwarring stichtten in het kerkelijk leven.
De vraag naar het ware geloof, den waren Christen, de ware kerk drong zich op en vroeg om kenmerken en zekerheid. Het ging dus om een maatstaf. Dat mocht geen andere geweest zijn dan het Woord Gods. ledere ketter heeft echter ook zijn letter en verschillende secten begeerden naar hun inzicht de kerk te zuiveren. De Montanisten zochten een zuivere kerk, die zoo overgeestelijk was, dat zij boven het gezag des Woords uitging, Novatianen en Donatisten werden gedreven door voorstellingen van een kerk van heiligen, die wij eenigermate met de Dooperschen zouden kunnen vergelijken.
De kerkvaders, die deze secten bestreden, namen hun toevlucht tot de traditie, die zich in het episcopaat had gezet. Zij zagen het instituut der kerk onder de leiding der bisschoppen als de noodzakelijke, door de traditie aangewezene middelares der genade, die de ware prediking verzorgde en ais een moeder der geloovigen. De kerk werd onder invloed dezer beschouwing tot een heilsinstituut gemaakt, buiten hetwelk geen zaligheid is.
De dwaling in deze beschouwing, ligt niet daarin, dat men aan de kerk op aarde toeschrijft, wat aan de eene, heilige, katholieke kerk toekomt, want daarop heeft iedere bijzondere kerk recht en aanspraak, zoo zij de kenmerken der ware kerk vertoont. Maar de fout schuilt hierin, dat men haar toeschrijft, dat zij de eene heilige, katholieke kerk is. Daarmede werd de geestelijke gemeenschap der kerken veruitwendigd in het instituut, en dit moest tengevolge hebben dat het instituut de veruitwendiging van het lichaam van Christus op aarde zou pretendeeren te zijn, de macht en autoriteit voor zich opeischende van Jeruzalem dat boven is, hetwelk is ons aller moeder.
Zoo dreef de strijd tegen vergeestelijking van de aardsche kerk de kerkvaders in den hoek eener veruitwendiging, welke voor een gezond geestelijk leven niet minder gevaarlijk zou worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's