De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De ark des behouds

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De ark des behouds

10 minuten leestijd

Eenmaal op den weg der veruitwendiging, trad de kerk als instituut zoozeer op den voorgrond, dat zij allengs meer een middelares der genade werd. Buiten de kerk geen zaligheid. Zien wij op de Kerk als het geestelijk lichaam van Christus, dan is deze spreekwijze niet onjuist. Immers buiten het lichaam des Heeren is geen zaligheid. Men zal echter inzien, dat deze stelling niet staande kan worden gehouden, indien men haar betrekt op een kerkelijk instituut. Dan toch trekt zulk een instituut de pretentie, aan zich van de alleen-zaligmakende kerk te zijn. Wel hebben wij er op gewezen, dat een kerk op aarde deelt in de voorrechten der eene heilige, algemeene. Christelijke Kerk, maar geen kerkelijk instituut kan die voorrechten alleen voor zichzelf opeischen; zij neemt daardoor den vorm van een heilsinstituut aan, alsof zij de eenige ark des behouds en de middelares der genade ware. Bovendien is God de Heerede eenige bron der genade en niet de Kerk. Deze vindt haar oorsprong in de genade Gods. Geestelijk kan men de Kerk wel weer de arke des behouds noemen. Wie in de ware Kerk is ingelijfd en een lid van Christus' lichaam is, is opgenomen in de arke des behouds. Men zou dat ook mogen overdragen op de zichtbare kerk en zeggen, dat zij een arke des behouds is, doch het gaat alweer niet aan om dat van één bepaald kerkelijk instituut met uitzondering van andere te beweren.

Toen de practijk der Middeleeuwsche kerk die richting inging en deze allengs als de alleenzaligmakende kerk liet gelden, kon bestrijding niet uitblijven. Deze had echter tengevolge, dat men wat door de gewoonte was geijkt, ook in de leer omtrent de kerk ging verdedigen. Inderdaad gaf men aan het instituut der zichtbare kerk den voorrang en ging daarvan bij zijn beschouwing uit. De kerk met haar geheele organisatie van boven naar beneden, haar ambten en sacramenten, werd als de eenige en onfeilbare kerk aangeduid, welke geen andere kerk of kerken naast zich kan erkennen.

Deze kerk stelt zich daarmede tot de eenige ark des behouds. Haar alleen is de genade van Christus toebetrouwd om die te bewaren en uit te deelen. Zoo werd de orde omgekeerd, alsof de Heere Zijn volk niet door Zijn Woord en Geest tot de kerk vergadert, maar de kerk de menschen naar de Schrift en naar Christus zou leiden. Deze kerk deelt dan de genade uit door ambt en sacrament. Zij oefent haar middelaarschap uit door den priester. De kerk als ; instituut met haar priesterlijke orde wordt als zoodanig voor de ware kerk gehouden, ook, al zou zij op een zekeren tijd om het heel sterk te zeggen, geen leden hebben. Zij blijft dan ook de ware kerk, als haar leden ongeloovigen zijn.

Met deze beschouwing komt het dus overeen, dat vroomheid en geloof dergenen, die. buiten de alleenzaligmakende kerk staan, nutteloos worden geacht. Niet het persoonlijk geloof, maar het tot de kerk behooren geeft deel aan het heil. Zelfs het geloof wordt veruitwendigd. De uitwendige instemming met het geloof der kerk en het deelnemen aan de sacramenten is noodig om een actueel lid der kerk te zijn. Zoo staat deze kerk tusschen Christus ën het volk in. Hiermede zijn enkele trekken van het Roomsche kerkbegrip geteekend, niet zoozeer om daarvan een indruk, te geven, maar om op het gevaar te wijzen, hetwelk allen bedreigt, die al te zeer hangen aan een uitwendig kerkinstituut. Dezelfde factoren, die aan de practijk en ontwikkeling der Roomsche Kerk bevorderlijk zijn geweest, zijn nog altoos werkzaam. En zij winnen meer veld, naarmate het leven der waarachtige religie verslapt is. Wanneer dit een krachtige polsslag vertoont, behoeft men niet te vragen naar de ware kerk, doch in dezelfde mate als dit achteruitgaat, zal zich die vraag voordoen. In ander verband hebben wij reeds meermalen gewezen op de leer van een inwendig en uitwendig verbond, welke daarmede ook van doen heeft.

Deze leer maakt echter de kerk niet tot een heilsinstituut. Zij theologiseert over den toestand der zichtbare kerk als een vergadering waarin, gelijk ook de belijdenis zegt, altoos hypocrieten zijn. Zij tornt echter niet aan den aard der Kerk en schrijft haar geen ongerijmde dingen toe. Wij hebben gezien, dat deze toestand wel moeilijkheden heeft gebracht in verband met het Doopsformulier. De vraag moest rijzen, of de waardeering van het sacrament in het Doopsformulier niet in strijd komt met de leer van het uitwendig verbond. Moet men degenen, die slechts uitwendig tot de kerk behooren, niet uitsluiten van het sacrament ? Dat is éen zijde der kwestie. Zoo niet, wat beteekent dan het sacrament des Doops voor de gedoopten, van welken het toch niet zeker is, dat zij levende lidmaten van Christus' lichaam zijn.

Wij hebben deze vragen vroeger reeds onder de oogen gezien, maar het is nuttig die nog eens op te halen, omdat het in verband met het sacramenteele kerkbegrip, waarover het thans gaat, duidelijk kan zijn, dat de sacramenteele waardeering van de kerk als heilsinstituut eeri uitweg zou bieden, waartegen dient gewaarschuwd.

Laten wij het eens zóó zeggen : Wanneer men allen, die onder het uitwendig verbond vallen, onder de sacramenteele kracht der kerk denkt, doet het er weinig toe, welke hun persoonlijke conditie des geloofs is. Zij behooren tot de kerk, ontvangen het sacrament en worden geacht in de genade te deelen. Men zou dan ook een soort onderscheiding van geestelijken en leeken kunnen maken en zou ook weder een priesterdom moeten invoeren.

Het behoeft niet gezegd, dat wij deze en dergelijke redeneeringen en practijken niet verdedigen, maar de bedoeling is inzicht te geven in de vragen der practijk van het kerkelijk leven, die gemakkelijk tot sacramentalisme voeren. Dat is het gevaar.

En dat gevaar is veel grooter dan men vaak denkt. Men is er voordat men het weet, aan toe en velen, die zich beijveren in middelen om den ingezonken toestand der kerk op te heffen, grijpen middelen aan, die in hun gevolgen erger zullen blijken dan de kwaal. Daaronder vallen ook liturgische middelen en leerpractijken, die ondanks het streven om de confessie te bewaren, den weg naar het heilsinstituut effenen. De verroomsching der oude Christelijke Kerk heeft zich langs den weg der practijk voltrokken en iedere kerk staat daarvoor open. Daartegen kan niet genoegzaam op de zuivere prediking des Woords, de noodzakelijkheid van de wedergeboorte en persoonlijk geloof en de handhaving der kerkelijke tucht worden gewezen, gelijk deze door de reformatie op den voorgrond werden geplaatst.

Wij willen dit nog nader toelichten onder beding, dat het niet over personen, maar over de geestelijke belangen gaat, die op het spel staan. Men hoort in deze dagen, waarin men althans spreekt en schrijft over vereeniging der Gereformeerde Kerken en de Christelijke Gereformeerde Kerk, over dogmatische bezwaren gewagen en noemt de leer der veronderstelde wedergeboorte en de Verbondsleer. Uitdrukkelijk noemen wij hier het woord : de leer, want strikt genomen geldt het hier een leerpractijk. De confessie kent geen leer der veronderstelde wedergeboorte. Zij kent wel het Verbond, hoewel ook niet een bepaalde uitgewerkte Verbondsleer.

Niettemin hebben de gereformeerde theologen wel degelijk aandacht aan het Verbond geschonken en daaromtrent verschillende leeringen voortgebracht. Men kan bij hen ook wel een en ander vinden tot verdediging van de z.g. veronderstelde wedergeboorte, al vindt men bij hen geen zoodanige leer.

Het gaat in deze stukken dus over leeringen omtrent stukken des geloofs als het Verbond der genade en de wedergeboorte in verband met het sacrament van den Doop. Deze leeringen staan bovendien niet op zichzelf, maar hangen samen met de kerkelijke practijk, den Dienst van Woord en Sacrament en het kerkbegrip.

Deze practicale zijde der zaak moet men niet vergeten. En wat blijkt dan ? Dat de tegenstand tegen deze leeringen eveneens van practischen aard is. Dogmatisch kan men geen bezwaar inbrengen tegen de leer, dat de Kerk in het Verbond der genade staat. Het Doopformulier zegt dat zonder eenige restrictie. „De Doop is een zegel en ongetwijfeld getuigenis, dat wij een eeuwig verbond der genade met God hebben".

Dat is belijdenis der Kerk. En verder : „Hoewel onze kinderen deze dingen niet verstaan, zoo mag men ze nochtans daarom van den Doop niet uitsluiten, aangezien zij ook zonder hun weten der verdoemenis in Adam deelachtig zijn, en alzoo ook weder in Christus tot genade aangenomen worden''.

De leer der Kerk strekt het Verbond der genade uit over de kinderen der geloovigen en heeft daarin den grond om hen te doopen. Dit wordt voorts uit Gods Woord bevestigd. (Zie formulier).

Nog eens: dogmatisch kan men geen bezwaar maken tegen een leer, die de kinderen als kinderen des Verbonds aanneemt, niet omdat zij gedoopt zijn — Let wel, maar, omdat zij als kinderen der geloovigen wederom in genade aangenomen worden, worden zij gedoopt, anders gezegd, omdat zij in Gods Verbond begrepen zijn, wordt hun de Doop als teeken en zegel daarvan toegediend.

Het gedoopt zijn kan dus niet als grond van het genadeverbond worden aangemerkt, maar het genadeverbond is grond van de doopsbediening.

Dit moet men vóór alles goed voor oogen houden, anders is men reeds op weg naar het sacramentalisme : Gij zijt gedoopt, dus zijt gij een bondeling, alsof de doopsbediening bondehngen maakte. De zaak staat anders : Gij zijt gedoopt als kind van geloovige ouders. Hier wordt de weg naar het sacramentalisme afgesneden en de geestelijke weg des geloofs geopend. Op het persoonlijk geloof komt het aan.

Met de z.g. Verbondsleer is het evenzoo gesteld. De Kerk staat in het Verbond, zij is de Kerk des Nieuwen Verbonds. Doch nu kan ook het Verbond sacramenteel worden belast, hoewel het geestelijk is. Het Verbond en nog minder de Verbondsleer is geen sacrament. Wie zich tot de kerk voegt, voegt zich onder het genadeverbond, maar deze handeling geeft op zich zelf geen deel aan het Verbond.

Daarom moet men zich wachten het Verbond te veruitwendigen, alsof de Kerk met haar prediking en sacramenten het Verbond ware. Het Verbond is geestelijk en men heeft geen deel aan de genade des Verbonds, omdat men lid van een kerk is, maar alleen door het geloof in Christus, den Middelaar des Verbonds.

Tegen vereenzelviging van Verbond en zichtbare kerk moet met alle kracht worden gewaakt, opdat de leer des Verbonds niet worde ontzield tot een sacramenteel formalisme. Het Verbond der genade is Geest en leven.

Wij treden niet in beoordeeling of en in hoeverre een dergelijk formalisme ingang heeft gevonden, doch wijzen alleen op het gevaar. Denkbeeldig is dat niet, vooral niet, wanneer men den nadruk legt op de ware kerk te zijn.

De geschiedenis leert, dat dit steeds dreigt, wanneer de pretentie ware kerk zich aan het instituut gaat hechten. Hiermede is niet gezegd, dat een geïnstitueerde kerk niet de pretentie mag hebben een openbaring der ware Kerk te zijn. Integendeel, indien zij die niet voert, zou zij welbewust wat anders zijn dan zij behoort te wezen. Maar dan gaat de ware kerk boven het instituut uit en valt de geinstitueerde kerk onder het criterium der eene, heilige, algemeene Christelijke Kerk, die geestelijk is en de eenige arke des behouds, waarin allen een toevlucht vinden, die Christus door een waarachtig geloof zijn ingeplant.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De ark des behouds

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's