De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

DE SCHAT IN DEN AKKER

9 minuten leestijd

„Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk een schat, in den akker verborgen, welken een „mensch gevonden hebbende, verborg dien, en van blijdschap over denzelven gaat hij henen en verkoopt al wat hij heeft, en koopt dien akker". Mattheüs 13 vers 44.

DE SCHAT IN DEN AKKER

Gelijk alle gelijkenissen, is ook deze aan het Oostersche leven ontleend. In 't Oosten, waar men geen brandkasten of kluizen kende, was de bodem de aangewezen plaats om het kostbaar bezit voor anderer hand te beveiligen. Vooral in oorlogstijd nam men tot dien maatregel de toevlucht. Ook onze gelijkenis onderstelt een man, die dat gedaan heeft.

Blijkbaar heeft hij er niemand iets van verteld. Heel verstandig, want een geheim, dat aan meerderen bekend is, is op weg een publiek geheim te worden. Maar aan den anderen kant was 't toch zeer risquant. Hij kon toch immers sterven, zonder een ander meer deelgenoot van zijn geheim te hebben kunnen maken. Inderdaad is dit laatste gebeurd, en zoo weet niemand welk een schat daar in den akker verborgen ligt. Hier is dus sprake van een verborgen schat. Om de beteekenis daarvan te verstaan, moeten we eerst letten op den akker. Wat wordt er met dien akker bedoeld ?

Wel — dat is niet moeilijk te zien. Die akker is de wereld — of wilt ge, het leven, waarin wij gesteld zijn.

In dien akker nu is een schat gelegd — het Koninkrijk der hemelen. Als we ons dat goed realiseeren, begint deze gelijkenis direct al voor ons te leven.

Immers — wat ziet die akker er in onze dagen desolaat uit. Als ik het uit moet drukken in 't beeld van onzen tekst, dan zou ik willen zeggen : de akker staat vol met doornen en distelen, die pijn doen en wonden. In tijden van oorlog is het meer dan ooit waar : het uitnemendste van het leven is moeite en verdriet.

Maar — zegt nu de gelijkenis — in den akker is een schat verborgen. Wat is dat een rijke prediking! Oók in den troosteloozen akker van dit leven ligt een schat.

Als we aanzien wat voor oogen is, dan zeggen we : weg zijn de rust, de vergenoeging, de vreugde. Maar — zegt onze tekst — één ding is toch niét weg; één ding is er nog : het voornaamste, het rijkste, het volstrekt genoegzame — het Koninkrijk Gods! Wat we werkelijk noodig hebben in leven en in sterven, dat is nog te vinden. God de Heere heeft in de volheid des tijds Zijn Zoon gezonden om door het kruisoffer zondaren met Zich te verzoenen, en de prediking van dat heil heeft Hij over de wereld doen uitgaan. Stervelingen kunnen het eeuwige leven deelachtig worden, want wie in den Zoon gelooft, die hèèft het eeuwige leven. En — die genade is niet teruggenomen. Wat al de eeuwen door gegolden heeft, is nóg van kracht ........  er is een schat in den akker verborgen. Wie hem vindt, ervaart dat, nog altijd, armen rijk, bedroefden getroost en ellendigen verlost kunnen worden. Het wonder van Habakuk is nog altijd mogelijk : „Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal en er geen vrucht aan den wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal en de velden geen spijs voortbrengen, dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal en dat er geen rund in de stallingen wezen zal: zoo zal ik nochtans in den Heere van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils".

Er is een schat in den akker verborgen. Alléén — let op dat woord „verborgen" ! „Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn', zegt Christus. En dat mogen we voor een oogenblik ook wel omkeeren : waar uw hart is, daar zal ook uw schat zijn. En als het hart nog altijd uitgaat naar de zienlijke dingen, gelijk dat van nature het geval is, dan zijn dié de schat, en is het Koninkrijk der hemelen het niet. Hoevelen zijn er niet, die met de grootste stelligheid verzekeren, dat het Koninkrijk der hemelen van de hoogste waarde is, maar die naar alles vragen, behalve naar dat Koninkrijk. In dat geval is het een verborgen schat.

Dat is een ontroerende waarheid — want dit maakt juist de wroeging uit van degenen, die met het Evangelie in de ooren verloren zijn gegaan. In het Evangelie der genade was het Koninkrijk der hemelen vlak bij hen gekomen. Ze hebben er van gehoord; ze hebben er van gelezen; ze hebben er van gezongen; ze hebben er over gesproken — en ze hebben er toch niet van willen weten. Het was hun een verborgen schat.

Hier ligt trouwens de schuld van allen, die langs den schat heenleven.

We moeten er immers op letten, dat er tusschen de gelijkenis en de werkelijkheid, die ze afbeeldt, een punt van groot verschil bestaat! Geeft de gelijkenis alle reden om te denken, dat wel het opgraven, maar niet 't opgraven-door-een-ander, in de bedoeling van den oorspronkelijken eigenaar gelegen heeft — bij het Koninkrijk der hemelen is het zóó, dat God niet anders wil, dan dat anderen, d. w.z. wij, den schat zullen zien en vinden. In de gelijkenis is er niemand, die over den schat spreekt, maar in de werkelijkheid, die ze afbeeldt, gaat tot jong en oud, rijk en arm, geleerd en ongeleerd, de prediking uit, dat armen rijk en zondaren zalig kunnen worden.

Daarom — wie langs het Evangelie der genade heenleeft, staat in de schuld en stort zichzelf in den dood. God wil, dat de verborgen schat gevonden zal worden.

Maar — wiè vindt hem dan ? De gelijkenis zegt: „een mensch". Dit houdt in de eerste plaats in, dat de Farizeën ongelijk hebben. De Farizeën zeiden, dat het Koninkrijk der hemelen alléén was voor de trouwe zonen van Abraham, voor de dienstvaardige knechten Gods. Maar als Christus het Koninkrijk der hemelen vergelijkt bij een venborgen schat, dan laat Hij hem niet vinden door een zoon of een vriend of een knecht, maar door „een mensch". Een mensch — zonder nadere bepaling. Het vinden van den schat hangt niet af van deugd of vroomheid, maar van de genade Gods.

Wat is dat een zegen! Want als het van onze deugd of vroomheid komen moest, wie zou hem dan vinden ? Wat is het gelukkig, dat we te doen hebben met een God, die Zijn hand tot wederstrevigen wendt! Want nu kan niemand zeggen : die schat is toch niet voor mij. Nu de vinder een anonymus is, mag — ja moet — ieder zich hierin betrokken achten. Iedereen mag met zijn wederstrevig hart tot God gaan, om te vragen, dat Hij ooren geve om te hooren, en oogen om te zien, opdat hij den schat moge vinden. En dan nóg iets.

De vinder uit de gelijkenis is blijkbaar niet rijk. Hij kan den schat althans niet meenemen en er van leven, zonder dat een ander vraagt: hoe kom jij daaraan. Want hij verbergt hem terstond weer, om eerst den akker te koopen. Als hij den schat vindt, zit hij er dus eigenlijk mee verlegen.

Deze trek van de gelijkenis wijst duidelijk heen naar de waarheid, dat het Koninkrijk der hemelen toevalt niet aan rijken, maar aan armen. Niet aan eigengerechtigen, maar aan zondaren.

Dat is troost voor allen, die iets van den schat hebben gezien, maar zichzelf zulk een rijkdom onwaardig achten. De Heere wederstaat den hoovaardige, maar den nederige geeft Hij genade, 't Staat Hem niet in den weg, dat ze van zichzelf arm zijn en ellendig. Hij laat den schat nu eenmaal altijd vinden door menschen, die er verlegen mee zitten. Die zeggen : is dat voor mij ? Dat ben ik niet waard.

Het Evangelie is werkelijk een Evangelie van genade. Voor wie iets van zichzelf verwacht, is het een ergernis, maar voor wie in eigen oog een ellendig mensch is geworden is het een onuitsprekelijke troost.

Want zie tenslotte, hoe de gevonden schat een verkregen schat is geworden.

De gelijkenis zegt, dat de man, van blijdschap over den schat, heenging en verkocht al wat hij had en kocht den akker. Let er op, dat hier iets eigenaardigs in de gelijkenis schuilt, dat we ook in die van de schoone parel vinden, namelijk dat het geheele bezit van den man nèt genoeg is voor den akker, en in de gelijkenis van de schoone parel, het geheele bezit van den koopman nèt genoeg voor de parel. Niet te veel — want ze verkoopen al wat ze hebben, en niet te weinig. Dat is toch wel heel „toevallig".

Inderdaad — Christus heeft dezen trek opzettelijk in de gelijkenis aangebracht, om ons te zeggen, dat we alles zulleh moeten verliezen om den schat te ontvangen.

Alles verliezen om alles te winnen. Ons hart zal van al 't aardsche af moeten. We zullen de verzoening met God door Jezus Christus hooger moeten achten, dan wat ter wereld ook. Zooals Asaf zingt :

Wien heb ik nevens U omhoog ? Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog Op aarde nevens U toch lusten ? Niets is er waar ik in kan rusten.

Dus — óók onze gerechtigheid weg ! We zullen als arme zondaren moeten leven alléén uit den rijkdom van Jezus Christus, Of zooals Paulus het zegt: alle dingen schade achten om de uitnemendheid der kennis van Jezus Christus.

Of dat zwaar is ?

Ja — voor het vleesch wel. Onmogelijk zelfs. En tóch kan het. Het geloof vermag het te doen, omdat het den schat gezien heeft.

De gelijkenis zegt: van blijdschap over denzelven, gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft, en koopt den akker.

Wie den schat gezien heeft, wil er alles voor kwijt. Die kan niet anders. En die ondervindt het in zijn leven: wie dien schat gevonden heeft, die is rijk, al is hij misschien straatarm; die is getroost, al komt allerlei smart op hem aan, en die heeft vrede, al is alles in onrust.

Hebt gij dien schat reeds gevonden lezer ?

Zoo neen — wat zijt ge dan arm, en hoe donker moet dan nu wel het leven voor u zijn.

Maar zoo ja — lééf dan uit het heil, dat God u schonk. En zeg het een ieder : er is een schat in den akker verborgen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's