Nahum, de Trooster.
De last van Ninevé
III.
Na de inleidende beschouwingen willen we nu met elkaar het boek van den profeet lezen en kort verklaren.
Hoofdstuk I.
De last van Ninevé. Het boek des gezichts van Nahum den Elkosiet.
Een oude Vertaling als de Vulgata vertaalde het woord Massa reeds in den zin van last; zoo vinden we het ook in onze Statenvertaling. Daarin ligt opgesloten, dat het woord, dat de profeet te brengen heeft, een oordeelsaankondiging inhoudt en dat is wat ons boek betreft zeer zeker juist ; in het algemeen, wanneer het oorspronke lijke woord Massa met den naam van een stad of volk is verbonden, heeft de inhoud van de Godsspraak het karakter van onheilsaankondiging. Omdat het soms deze dreigende klank niet heeft en ook om andere redenen, vindt ge in nieuwere vertalingen het woord Godsspraak: God als de hoogste rechter zegt den volken hun vonnis aan en voorzegt hun Zijn gerechte wrake. (Zie Goslinga, a.w., pag. 148). Boek des gezichts van Nahum. Hieruit blijkt dus, dat wat Nahum verkondigt geen product is van eigen verbeelding, geen profetie van zijns harten bedriegerij, geen gezicht zijns harten, maar ontvouwing van het protocol van zijn Zender als een goed heraut.
De Heere, wreker en weldoener, vs 2—8. Een ijverig God en een wreker is de Heere, een wreker is de Heere en zeer grimmig; een wreker is de Heere aan Zijn wederpartijders en Hij behoudt den toorn Zijnen vijanden.
De profeet geeft hier als een algemeene inleiding, als hij de deugden Gods beschrijft, die ter wrake komt tegen zijn vijanden. Wat hier in het algemeen aangaande de volmaakte deugden Gods gezegd wordt, zal straks toegepast worden op het oordeel over Nineve. Nineve moet weten, met wien het te doen heeft — met den Heere, een wreker, en Israël moet weten met wien het te doen heeft: met — den Heere, een weldoener.
Een ijverig God, een ijverend, of zooals soms vertaald wordt (Obbink, Smit) een naijverig God. Wat dat beteekent wordt ons duidelijk, als we Joel 2 vs 18 opslaan: Zoo zal de Heere ijveren over zijn volk en Hij zal zijn volk verschoonen, d.i. Hij zal voor zijn volk opkomen; voor de levensrechten van dat volk, waarvan Hij zich lot en leven aantrok. Een ijverend God, dat is dus een God, die zijn rechten zich niet uit de handen laat spelen, die een ander niet gunt, wat Hem alleen toekomt. Wee, wie aan Gods rechten komt: En als dus Ninevé zich aan het volk Gods vergrijpt, dan grijpt het God aan, die recht heeft op dat volk, dat Hij zich verkoor, dat Hij zich verwierf en loskocht! IJverig en een wreker, dat staat vlak naast elkaar, zoodat Calvijn (Praelect. in N.) dan ook zegt: ijverig dat beteekent eigenlijk, dat God geen onrecht kan verdragen.
De Kerk Gods is in die dagen diep in nood en dan komt de bange vraag: Gaat het den Heere niet ter harte ? Maar Nahum is trooster in Gods naam en bij Gods gratie; hij troost door te wijzen op de komende oordeelen des Heeren, die den toorn behoudt aan zijn vijanden. De vijand heeft nog wat te goed; bij de opgelegde zonde (Hosea 13 vs 12) behoort bewaarde toorn, zóó, als we het lezen bij Paulus. Maar naar uw hardigheid en onbekeerlijk hart vergadert ge uzelven toorn als een schat in den dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods, welke een iegelijk vergelden zal naar zijn werken (Rom. 2 vs 5, 6). De toorn bewaard, totdat Gods tijd komt! De Heere ziet alle goddeloosheid aan. Laat Hij het ongestraft passeeren ? Wordt in den hemel de leuze gehuldigd van het: laissez faire, laisser passer, het laat-maar-gaan-systeem? Zoo méént de mensch soms, — alsof God even onverschillig zoude staan tegenover de zonde als dit goddeloos geslacht! Ach, neen, zegt een ander, God kan er ook niets aan doen — alsof het den almachtigen Schepper van hemel en aarde aan krachten zoude ontbreken om den goddelooze tot de orde te roepen — en in zijn zonde gaat de mensch voort en verhardt zich tegen zijnen Schepper. Is dan de Heere gevoelloos voor den nood van zijn Kerk, dat Hij niet eerder toeslaan wilde in de verdrukking, waarmede Assur het volk benauwde? Maar God heeft den tijd; Hij kan wachten, want Ninevé zal Hem niet ontloopen kunnen. Géén zondaar zal 't gewis verderf ontkomen als in het gericht door God wordt wraak genomen.
De Heere is lankmoedig, doch van groote kracht (vs 3). Ja, zeker, de Heere is een gaarne vergevend God; Hij is traag tot toorn. Maar wee, wie op risico van 's Heeren barmhartigheid zondigt en daarmede misbruik maakt van Gods lankmoedigheid en geduld. De mensch maakt zich dan een God naar zijn eigen gedachte : ik neem het niet zoo nauw : God zal het ook wel niet doen! Maar denkt de wereld dan, dat ze met een kind te doen heeft ? — zoo vraagt Calvijn. De Heere wacht met Zijn gerichten — wie weet zal de zondaar zich bekeeren en den Heere zoeken, terwijl Hij te vinden en Hem aanroepen, terwijl Hij nabij is. De goddelooze wacht met bekeering, want wie weet, zal de straf niet komen; het is al zoo lang goed gegaan.
Maar niemand vleie zich met Gods barmhartigheid, die niet door genade geleerd heeft de zonde te haten en te vlieden. Lankmoedig — alleen door de uiterste noodzaak gedreven, komt de Heere met Zijn gerichten en wie zal dan bestaan ? Zijn weg is in wervelwind en storm. Zooals een cycloon met onweerstaanbaar geweld alles neerwerpt, wat zich op haar baan bevindt, zoo geweldig is de openbaring van Gods toorn. Dan breekt de Heere af, wat Hij eerst zelf bouwde ; Hij rukt uit, wat Hij zelf heeft geplant; niets blijft op zijn plaats. Zijn macht, die niet te stuiten is, maakt de aarde tot een wildernis; verstoring en verwoesting rondom, als God ingrijpt. Een landschap, schoon als de hof des Heeren, wordt een Doode Zee en het prachtland Gods wordt een woestijn gelijk.
Door Gods machtwoord wordt de geheele schepping uit haar voegen gelicht. De kosmos wordt een chaos. Elders zegt de Heere toe, dat de wildernis bloeien zal als een roos, dat in de woestijn wateren zullen uitbarsten en beken in de wildernis (Jes. 35 vs 1, 6). Of Thabor en Hermon zullen juichen in Uw naam (Ps. 89 vs. 13).
Maar het is juist andersom. Gods absolute souvereiniteit openbaart zich ook in de elementen der natuur ; zij allen zijn Zijne dienaren; Hij scheldt de wind en 't wordt stil; Hij scheldt de zee en zeeën worden droog en rivierbeddingen zijn zonder water. Alles kwijnt; de velden juichen noch zingen. Basan en Karmel, als streken met rijke vegetatie genoemd, kwijnen; doodsheid en kaalheid is gespreid over de velden. De bloem van den Libanon verwelkt.
Zelfs bergen en rotsen, toonbeelden van onwrikbare vastheid, van bestendige duurzaamheid en onbewogenheid, houden het voor God niet uit. De bergen beven en de heuvelen wankelen. De Heere vernieuwt het gelaat des aardrijks (Ps. 104 vs 29) maar Hij vernietigt ook! De aarde en haar volheid kan geen oogenblik bestaan dan door de genade en goedheid Gods ondersteund (Calvijn). Hoeveel te minder dan de mensch, wiens adem is in zijn neusgaten. Als Gij Uw aangezicht verbergt, zoo worden zij verschrikt, neemt Gij hun adem weg, zij sterven en keeren weder tot stof.
Ziet Hij de aarde aan, zoo beeft zij. Raakt Hij de bergen aan, zoo rooken zij (Ps. 104 vs 29, 32). — De aarde licht zich op voor Zijn aangezicht of : de aarde siddert voor Hem (Obbink), rijst bang voor Hem op (Smit), de wereld en hare inwoners. Zie, dezen vermelden van wagens en die van paarden, maar wij zullen vermelden de Naam des Heeren onzes Gods (Ps. 20). Juda's vijanden steunden op hun macht, maar daartegenover stelt de Heere Zijn macht, die rotsen verscheurt en bergen doet wankelen; veel durft de mensch tegen God te wagen, omdat hem niet te binnen komt eigen zwakheid en Gods koninklijke majesteit.
Wie zal voor zijn gramschap bestaan en wie zal voor de hittigheid Zijns toorns bestaan? (vs. 6). Van Gods verbolgenheid beeft de aarde en de heidenen kimnen zijn gramschap niet verdragen. (Jer. 10 vs 10). Zijn grimmigheid is uitgestort als een vuur en de rotssteenen worden van Hem vermorzeld. Met onweerstaanbaar geweld breidt het vuur zich naar alle kanten uit en voor de brand van Gods gericht staat een nietig schepsel volkomen machteloos. Wie zal het vuur Gods blusschen ? Zijn grimmigheid is uitgestort als een vuur ; misschien moeten we hier denken aan de bliksem, die van den hemel valt of aan den vuurregen Gods, bij de aangrijpende omkeering van Sodom (Gen. 19 vs 24).
Dan ineens wordt een andere toon vernomen. Onwillekeurig worden we herinnerd aan het Avondmaalsformulier : Maar dit wordt ons, zeer geliefde broeders en zusters, niet voorgehouden om de verslagene harten der geloovigen kleinmoedig te maken. Zoo ook hier : Het volk, dat voor Gods Woord beeft, wordt wonderlijk vertroost door de sprake van Gods goedheid. Zeker, de Heere is aan alle menschen goed, en niemand van de menschenkinderen zal zich over een tekort aan ervaring van Gods goedheid in zijn leven hebben te beklagen. De Heere is goed, de groote Weldoener der menschheid! De Heere is goed. Hij is tot sterkte in den dag der benauwdheid en Hij kent degenen, die op Hem betrouwen (vs 7). De Heere heeft in souverein welbehagen Zioh lot en leven van Zijn volk aangetrokken en daarom zal Hij het beveiligen en bewaren. Het vreeselijke oordeel Gods over de vijanden strijdt niet met Gods goedheid. God brengt in de benauwdheid om het geduld van Zijn volk te beproeven, maar ook om aan wie Hem vreezen te doen ervaren, wat zij aan hunnen God in den nood hebben. De Heere blijft Zichzelf gelijk : Hij is de God der wrake en de ontfermende Wachter ! Wreker en Weldoener! Goed, voor wie op Hem betrouwen.
En met een doorgaanden vloed zal Hij hare plaats teniet maken en duisternis zal hare vijanden vervolgen. (vs 8). De Statenvertalers denken bij hare plaats aan Ninevé. Tegenwoordig wordt meestal vertaald : Met een overstroomenden vloed vernietigt Hij, wie tegen Hem opstaan, verdelgt Hij zijn tegenstanders (zoo Ridderbos en Smit. Obbink meent, dat dit vers nog betrekking heeft op de belofte van vs 7 en vertaalt: voor den overstroomenden vloed behoedt Hij hen). Een overstroomende vloed, die gedachte vinden we ook in Ps. 90 : Gij overstroomt ze. Zooals een bandjir met onweerstaanbaar geweld alles meesleurt, zoo is er geen tegenhouden aan het geweld van Gods toorn en geen stuiten aan de kracht, waarmede de Heere komt tegen den goddelooze. Duisternis zal de vijanden vervolgen. Velen vertalen : Zijn vijanden stoot hij weg in duisternis. Denk dararbij aan Job 18 vs. 18. Men zal hem stooten van het licht in de duisternis, of aan Jesaja 47 vs. 5 : Zit stilzwijgend, gij dochter der Chaldeën, en ga in de duisternis. De bedoeling is klaar: De vijanden zullen niet meer opstaan : Ninevé komt er nooit weer bovenop en zial geen enkele hoop op herstel behoeven te koesteren. „De kinderen der duisternis zullen in duisternis omdolen". Zooals de stad spoorloos verdwijnen zal, zoo zullen haar inwoners in duisternis ondergaan (Goslinga). Dit is een zeer nuttige les, zegt Calvijn, omdat in het algemeen de profeet de goddeloozen leert, dat zoo dikwijls zij het der Kerk moeilijk maken, zij niet alleen menschen onrecht aandoen, maar God zelf aanvallen. Duisternis beteekent hier allerlei jammer en ellende, zegt de Kantteekening op de Statenvertaling.
De Heere Wreker en Weldoener! En daarbij gaat het niet om vleeschelijke afstamming, maar om de gezindheid des harten. De Heere is goed voor wie op Hem betrouwen. Het gaat niet om het behooren tot Abraham, maar tot Christus ! Niet natuurlijke geboorte, maar wedergeboorte door den Heiligen Geest beslist over het zien van Gods Koninkrijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's