Uit de kerkelijke Pers.
De heerschappij van Gods Woord.
De heerschappij van Gods Woord.
Wanneer Ds v. d. Zeein zijn Vaderlandsche Kerkgeschiedenis II de Hervorming gaat behandelen, zegt hij o.a. „Omde Reformatie in ons vaderland te verstaan, zullen wij eerst in het kort nagaan welke buitenlandsche factoren daartoe hebben medegewerkt, alsmede letten op de maatregelen, door Rome genomen om ; het gevaar van de heerschappij van Gods Woord te keeren". Wij schreven dezen zin af, om speciaal te wijzen op de uitdrukking : het gevaar keeren van de heerschappij van Gods Woord. Want in deze enkele woorden hebben we het hart van de hervorming en het hart van Rome's dwaling en tegenstand beide. Het ging bij Luther, Zwingli en Calvijn in hun optreden alleen om de heerschappij van het Woord.
Dat Woord alleen zal het te zeggen hebben. Dat Woord zal men laten staan. Dat Woord alleen beslist. Dat Woord alleen moet regeeren in de Kerk, in het volk, in het hart. Maar van een zoodanige heerschappij van het Woord Gods als werd gepredikt door de reformatoren, moest en moet de Roomsche Kerk niets hebben.
Daardoor gevoelt zij zich met al haar menschelijke inzettingen in het hart bedreigd. Waaruit duidelijk blijkt, hoeverre zij afgeweken is van dat Getuigenis, dat alleen een lamp voor den voet en een licht op het pad is. Wel rijst die Kerk zoo voor 't oog als een massale eenheid op, wel schijnt ze een onwrikbare vastheid te bieden aan het naar houvast dorstend hart, wanneer ze komt met Woord, traditie, onfeilbaarheid van den Paus. — „Ze schijnt allerlei vaste oriënteeringspunten en objectieve normen te bezitten, die dan veel meer waarborgen schijnen te bieden, dan de reformatorische Openbaringsbeschouwing, die wil uitgaan van het Woord Gods. Maar hoe zeer Rome in felle verwijten het Protestantisme van subjectivisme besschuldigt, toch moet geconstateerd worden, dat in de grondstructuur der Roomsche wereldbeschouwing de ware normativiteit permanent in gevaar wordt gebracht". En wanneer wij dan vragen hoe dat komt, dan moet het antwoord luiden, dat de Roomsche Kerk de van God gegeven norm, het Woord der Schrift, met allerlei reserves heeft omringd. Van de doorzichtigheid der Schrift en van de volmaaktheid of genoegzaamheid der Schrift wilde de Roomsche Kerk niet weten. Volgens Rome moet de onfeilbare uitlegging door de Kerk — de paus — worden gegeven. En de Schrift moet aangevuld worden met de traditie, die feitelijk de Schrift gaat verdringen. Maar die traditie heeft de Kerk noodig om haar hiërarchie en haar dwalingen te redden. Vandaar ziet de Roomsche Kerk gevaar in de „reformatorische" heerschappij van het Woord. Als dat Woord haar gemaakte reserves doorbreekt, haar traditie onder critiek neemt, dan stort dat gansche menschelijke bouwwerk ineen. Laat Lessing, en laten velen na hem dan maar zeggen dat wij nu in den Bijbel een „papieren"' paus hebben, dat het dan maar beter is een echte „levende" paus te hebben — wij zien bij nader onderzoek dat deze benaming van de Schrift op een geheel fautieve zienswijze en oniuiste waardeering berust. We kunnen daar niet verder op ingaan, maar we mogen verwijzen naar het boek van Dr Berkouwer over „Het probleem der moderne Schriftcritiek", waaruit we een en ander aanhaalden. Gods Kerk mag met dankbaarheid gedenken, hoe de Heere Zijn Woord weer heeft willen openen, het heeft willen hergeven aan het volk, dat in duisternis wandelde, waardoor de gezegende vruchten van de hervorming voor Kerk en volk konden worden geplukt. Vandaar rest ons ook altijd maar weer één roep, ook in dezen tijd : Het Woord moet heerschappij hebben. Alleen het Woord. Geheel het Woord.
Wat een kostelijke uitspraken vinden wij over dat Woord Gods bij den hervormer Luther. „Met het Evangelie wordt het nimmermeer anders: het is eene prediking, waaraan men zich stoot, en wel geene geringe lieden, maar de heiligsten, vroomsten, wijsten, machtigsten op aarde, gelijk de ondervinding medebrengt. Doch wèl dengenen, die het weten, dat het Gods Woord is! Die zijn genezen, en zijn getroost en gesterkt tegen zulk eene ergernis". „Aan het Woord Gods mag geen meester, noch richter, en zoo ook geen bescherrnheer gegeven worden, dan God zelven".
„Gods Woord is ten tijde van den Heere Jezus en der Apostelen een Leerwoord geweest, dat men vooral in de wereld gepredikt heeft. Daarna, onder het gansche Pausdom, is 't slechts een leesbaar Woord geweest, dat men alleen gelezen en niet verstaan heeft. Maar nu is het strijdbaar geworden, zoodat het om zich heen slaat en houwt, en het wil zijne vijanden niet langer dulden, maar het ruimt ze uit dus weg". „Het Evangelie is de rechte klok en orgel tot de godsdienst''. De Kerk der hervorming belijdt dan ook „de volkomenheid der Heilige Schriftuur om alleen te zijn een regel des geloofs". Deze Schrift vervat volkomenlijk den wil Gods. Wat wij schuldig zijn te gelooven om zalig te worden, wordt daarin genoegzaam geleerd. Niets mag dan ook met deze „Goddelijke Schrifturen" worden gelijkgesteld. „Daarom verwerpen wij van ganscher harte al wat met dezen onfeilbaren regel niet overeenkomt, gelijk ons de Apostelen geleerd hebben, zeggende : Beproeft de geesten, of zij uit God zijn. Insgelijks : Indien iemand tot ulieden komt, en deze leere niet brengt, ontvangt hem niet in huis". (Art. 7, Ned. Gel. Belijdenis). De Kerk, die zelf te staan heeft onder de heerschappij van Gods Woord, heeft niet anders te zijn dan verkondigster van ditzelfde Woord Gods en in die verkondiging te roepen tot een buigen onder de heerschappij van dit Woord. Zijn er die dit tot elken prijs ons als :
Conservatisme
in de schoenen schuiven, best, maar dan zeggen we, : dit is dan conservatisme van de beste soort. We weten wel, dat er een valsch conservatisme is. „Woord en Geest" nam eens een artikeltje in haar kolommen op, wjaarin dit breeder werd uiteengezet. Door conservatisme wordt dan aangeduid die behoudzucht, waardoor in alle tijden verbetering werd tegengehouden. Men wilde tot eiken prijs het oude vasthouden. Wanneer het ons voordeelig was dit te doen, werd er het liefst óók nog een Schriftuurlijke grondslag voor gezocht. Zoo heeft men wel b.v. de slavernij in stand willen houden. Zooals door veel valsch conservatisme vele goede hervormingen jarenlang zijn tegengehouden. Vandaar is het geen wonder dat „conservatisme" een wrange bijsmaak heeft gekregen. Maar nu moeten wij ons wèl wachten voor een ander uiterste. Om namelijk het goede, dat er is, goede fundamenten, goede bovenbouw weg te werpen als „uit den ouden tijd''. En het goede, dat is het Woord van God, dat in de Reformatie weer als een licht door den Heere Zelf op den kandelaar is gezet. In het Noord-Hollandsch Kerkblad schreef G., dat we ons niet door conservatisme moeten laten leiden op kerkelijk gebied.
Maar dan wordt conservatisme bedoeld als het zich vastklampen aan het oude, „alleen omdat het er nu eenmaal is, omdat het altijd zoo geweest is, omdat men bang is voor verandering". In de Kerk mag het zoo niet zijn, en nergens mag het zoo zijn. Daarom wordt dit conservatisme afgewezen, onvoorwaardelijk. Maar hieraan wordt onmiddellijk toegevoegd, „dat de Schrift herhaaldelijk oproept om het oude te bewaren. Wij vinden dat in 't Oude Testament, als de profeten Israël terugroepen naar de oude paden, vermanen te gedenken aan wat God in oude tijden heeft gedaan en bevolen. Wij lezen het ook in het N. Testament, als de apostelen de gemeenten terugroepen naar het evangelie van Jezus Christus en de eerste levenspractijk". „Daarin ligt voor het kerkelijk leven een leering. De Kerk loopt in een zondige wereld groot gevaar om af te vallen, ontrouw te worden. Het gevaar is niet, dat zij zich al te krampachtig vasthoudt aan het oude, veeleer, dat zij het prijsgeeft. Het gaat met de Kerk in de loop der geschiedenis voortdurend in neergaande lijn. Juist zooals we het in de Schrift vinden.
Dan komt Gods gunst met reformatie. En bijna in elke reformatie ziet men het teruggrijpen naar het verleden, naar de Oudste Christenen, naar Augustinus, naar Calvijn". We zien derhalve duidelijk waar 't om gaat. We hebben alleen maar schade te duchten van een conservatisme dat, om met Ds Overduin in Credo te spreken, het historisch-gewordene verabsoluteert. Ds O. wijst er op, dat onder ons wel eens de gedachte leeft, dat een loslaten in het heden van iets, dat God honderd of vijftig jaar lang tot rijken zegen heeft willen gebruiken, altijd beteekent een verloochening van Gods werk in het verleden en ontrouw aan het beginsel. Dit kan zoo zijn, maar dit behoeft niet zoo te zijn. De Souvereine God kan ook hier zeggen : „Kom, en het komt", maar ook „Ga, en het gaat''. Als personen en instellingen hunne taak volbracht hebben, kunnen ze door God als onnutte dienstknechten opzij worden gezet, 't Is waar, dat God ten diepste altijd hetzelfde vraagt, maar dat kan voor honderd jaren iets anders beteekenen dan nu. Verstaan moet worden waar het om gaat. We mogen in dit verband wel een woord aanhalen van Prof. Visscher uit „In Israël vermaard". Hij schrijft daar in hfdst. XLIII: ook de Pharizeën beriepen zich bij voorkeur op de ouden en ook 't Roomsch- Katholicisme zoekt een steun voor eigenwilligen godsdienst in het beroep op de oudheid. Het is daarom altijd noodzakelijk onderscheid te maken tusschen de oudheid van de waarheid en de oudheid van de dwaling. Wij moeten onderscheiden leeren tusschen de onvergankelijke, eeuwige waarheid en tijdelijke voorstellingen. Want ook in de oudheid waren de menschen zondaren, aan al hetgeen met de zonde gepaard gaat, onderworpen. Omdat de vaderen iets deden, is het daarom nog niet gerechtvaardigd ; omdat de vaderen bepaalde voorstellingen huldigden, is het nog niet noodzakelijk, dat wij daarin met hen moeten overeenkomen. Dat is niet alleen niet noodzakelijk, maar ook in strijd met de wijze, waarop de Heere werkt. Wij hebben alleen te vnagen naar Gods waarheid". Op grond van de belijdenis zegt Prof. V., dat het overgeleverde moet en mag worden getoetst aan het Woord Gods. „Zoo hebben de vaderen het Roomsch-Katholicisme verworpen, omdat zij goed wisten, dat dit een godsdienst was, die als nieuwigheid moest worden beschouwd, vergeleken bij de oude waarheid Gods. En daarom, zij zochten weder de oude waarheid". Na er dan op te hebben gewezen dat er geen geslacht in de geschiedenis is, dat ten volle Gods Woord uitput, wordt gezegd : „En de Heere leidt zijne gemeente zoo, dat wij bij zijne leiding wel moeten aflaten van hetgeen niet naar Gods Woord is". Zoo zien wij ons duidelijk de lijn aangewezen, waarnaar wij ons hebben te richten. In de reformatie, die de Heere werkte door Luther, Zwingli en Calvijn, werd verworpen datgene wat op „oude overlevering" steunde — maar wat desalniettemin streed met de waarheid Gods, de oude en altoos nieuwe waarheid. En 'tis juist de groote zonde geweest dat dit oude, dit góéde oude, dit door God geopenbaarde oude niet werd vastgehouden en beleefd. Wat intusschen nóg zoo is. In alle tijden moet dit worden bedacht. Als het oude weg moet, dan hebben wij ons af te vragen : zit hierachter ook verborgen de afrekening met Gods Woord en Zijn heerschappij ? Bij al het nieuwe dat komt, hebben we ons te bezinnen op de vraag : Kan dit onder de heerschappij van het Woord Gods ? In de Kerk en op alle levensterrein. Want afrekenen met het oude omdat het een afrekenen is met Gods Woord, is verwerpelijk. Maar evenzeer is verwerpelijk het vasthouden aan het oude, omdat men daardoor de heerschappij des Woords wil keeren. Evenals het aanvaarden van het nieuwe, omdat men daarin de Schriften opzijschuift, geoordeeld is. Maar tevens is geoordeeld het verwerpen van dat „nieuwe", dat niet anders bedoelt dan terugvoeren onder de heerschappij „van Gods getuigenis. Noodig hebben we daarom kennis van Gods Woord. Leiding door Gods Geest. Ernst moet gemaakt worden temidden van allen die hun stem verheffen met het Schriftwoord: Beproeft de geesten, of zij uit God zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's