UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.
De rechtvaardigheid is uit het geloof : niet uit de werken. Wie zijn Abrahams kinderen ? Vers 6—14. (XI).
Hoofdstuk III.
Vervolg vers 10.
Antwoord op de bedenkingen, geopperd door de tegenstanders van de leer der gerechtigheid uit het geloof.
Daar deze tekst daar gelegenheid toe biedt, moeten wij hier iets zeggen over de argumenten, die door de tegenstanders van de leer der gerechtigheid uit het geloof worden aangevoerd. Bedoelde bedenkingen maken bezwaar tegen onze leer, dat wij alleen door het geloof gerechtvaardigd worden.
Er komen in de Heilige Schrift, in het Oude en in het Nieuwe Testament, meerdere plaatsen voor, die spreken van werken en belooningen. En hierop stuiten onze tegenstanders, meenende, dat zij nu de leer des geloofs, welke wij onderwijzen en verdedigen, onderstboven kunnen werpen.
Op deze dingen moeten wij dus bedacht zijn.
Allen, die het stuk der rechtvaardigmaking niet vasthouden, kennen geen andere gerechtigheid, dan de burgerlijke en die, welke uit de Wet is. Ook de heidenen kennen deze soorten van gerechtigheid eenigermate.
Men ontleent aan de moraal-philosophie en aan de Wet eenige uitdrukkingen, namelijk de woorden „doen" en „werken", en men draagt deze over op theologisch gebied, wat niet alleen ten onrechte geschiedt, maar wat bovendien goddeloos is. Want de theologie en de philosophic moeten namelijk zorgvuldig onderscheiden worden.
Vanuit theologisch standpunt heeft „doen'' een heel wat verhevener inhoud, dan op natuurlijk en philosophisch terrein. In de theologie krijgt het woord „doen" namelijk een geheel nieuwe beteekenis, welke de menschelijke rede, de philosophen en de leeraars der Wet niet kennen, wijl zij de wijsheid is, die in verborgenheid bestaat. (1 Korinthe 2 vers 7).
Theologisch gezien, is 't geloof de noodzakelijke voorwaarde, die aan onze werken voorafgaan moet.
Wanneer dus zij, die in den grond van de zaak tegenstanders zijn van de plaatsen der Heilige Schrift, die over „werken" en „doen" handelen, toch met deze teksten komen aandragen, dan moet ge ze aldus antwoorden : de woorden, waarop gij wijst, hebben een theologischen inhoud, en zij hooren niet thuis op natuurlijk gebied, en zij hebben ook niets te maken met uw zedeleer. Weliswaar kunnen dezelfde woorden op uw terrein gebruikt worden, maar dan moeten ze ook als zoodanig begrepen worden. Past men ze echter toe in de theologie, dan behoort bij hem, die ze gebruikt, een gezond verstand en een rechte gezindheid ondersteld te worden, welke het menschelijk verstand vreemd zijn.
„Doen" beteekent in de theologie steeds: iets doen uit het geloof. En wanneer wij, theologen, dus over „doen" spreken, dan spreekt het vanzelf, dat wij het hebben over hetgeen opkomt uit het geloof, want in de theologie kennen wij nu eenmaal geen gezonde uiting van het menschelijk verstand, en geen rechte gezindheid, tenzij die vrucht zijn van het geloof.
Deze regel werd reeds in acht genomen in Hebreen 11, waar velerlei werken van Bijbelheiligen worden opgesomd.
Van David wordt bijvoorbeeld verhaald, dat hij een leeuw en een beer versloeg. Goliath doodde, enz.
Een Sophist nu (domme ezel die hij is) ziet hierin niet meer, dan oogenschijnlijk medegedeeld wordt. Men moet echter op Davids gesteldheid letten, vóórdat hij een en ander verrichtte. Zijn hart vertrouwde namelijk op den Heere, den God Israels, want in 1 Samuel 17 vers 37 zegt hij : „De Heere, die mij uit de hand des leeuws gered heeft en van de hand des beers, die zal mij redden uit de hand van dezen Filistijn. En in vs 45 spreekt David tot Goliath:
„Gij komt tot mij met een zwaard, en met eene spies, en met een schild; maar ik kom tot u in den Naam van den Heere der heirscharen, den God der slagorden van Israël, dien gij gehoond hebt''.
En voorts nog:
„Deze gansche vergadering zal weten, dat de Heere niet door het zwaard, noch door de spies verlost" (vers 47).
Zoo ziet ge, dat David rechtvaardig en Gode aangenaam was, vóórdat hij aan het werk ging. Hij stond sterk en standvastig in het geloof. Zijn daden waren dan ook geen vrucht van natuurlijke of aan een bepaalde zedeleer ontleende overwegingen, maar vrucht des geloofs.
In Hebreen 11 hebt ge dus een richtsnoer, hoe ge eenvoudig antwoorden moet op de bedenkingen van onze tegenstanders, wanneer zij komen met de Wet en de werken.
Uit dit alles blijkt derhalve duidelijk, dat in de theologie een of ander werk geen waarde heeft, wanneer het niet opkomt uit het geloof. Het geloof behoort aan onze daden vooraf te gaan. Want zonder geloof is het onmogelijk, Gode te behagen. (Hebreen 11 vers 6).
Het offer van Abel was beter, Omdat hij geloofde.
Bij Kaïn daarentegen vinden wij geen geloof in de genade Gods, want hij was een huichelaar en een goddeloos mensch. Bij hem was er een vermetel vertrouwen op eigen gerechtigheid, en daarom was zijn daad, waarmede hij God zocht te behagen, huichelachtig van aard, en in ongeloovigheid verricht.
Onze tegenstanders zullen dus moeten toegeven, dat bij alle werken der Bijbelheiligen het geloof eerste voorwaarde is, willen zij Gode aangenaam zijn.
Wij zouden het woord „doen" op drie verschillende manieren kunnen opvatten. In natuurlijken of uitwendigen zin; zedelijk ; en theologisch.
Op natuurlijk en uitwendig gebied, alsmede op het terrein der moraal, worden de woorden „doen" en „werken'' opgevat zooals voor de hand ligt.
In de theologie echter zijn het woorden met een nieuwen inhoud en een nieuwe beteekenis. Alleen de werken van godzalige lieden zijn theologische in den strikten zin van het woord, wijl zij geloof insluiten.
Daarom : wanneer ge in de Heilige Schrift leest, dat onze vaderen, profeten en koningen, daden van gerechtigheid hebben verricht, dooden opgewekt en koninkrijken bedwongen hébben, dan moet ge wel bedenken, dat zulke en dergelijke uitspraken ontleend zijn aan het nieuwe, aan het theologische spraakgebruik, en aan de hand daarvan moeten worden uitgelegd.
Door het geloof hebben zij gerechtigheid gewerkt.
Door het geloof hebben zij dooden opgewekt.
Door het geloof hebben zij koningen en koninkrijken overwonnen, zoodat het geloof aan hun daden de beteekenis gegeven beeft, welke zij wezenlijk hadden.
Dit kunnen onze tegenstanders, wanneer zij hun gezond verstand gebruiken, niet loochenen. Tegen deze gegevens der Heilige Schrift kunnen zij niets inbrengen. Zij mogen luide verkondigen, dat de Bijbel toch dikwijls over „doen" en „werken" spreekt, — wij voor ons antwoorden hierop isteeds weer opnieuw, dat dan gesproken wordt over daden, die opkomen uit het geloof. Want het verstand moet eerst verlicht zijn door het geloof, wil het waarlijk iets kunnen doen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's