Uit de kerkelijke Pers.
Volksevangelisatie.--Evangelisaties,
Volksevangelisatie.
Hierover schrijft Ds J. J. Knap een alleszins lezenswaardig artikel in „Oude Paden". Hij begint met te wijzen op véél, waarvoor wij in ons volksleven den Heere nog mogen danken. Nergens ter wereld, zullen zooveel huizen zijn, naar verhouding van het cijfer der bevolking, waarin een open Bijbel ligt, die ook met eerbied wordt gelezen. Er is aanhoudende vraag naar Bijbels, ook ai heeft dit boek niet achter zich de stuwende kracht van de reclame der Schlagers. Hiermee kunnen wij echter geenszins voldaan zijn. Ds Kn. ziet heel wel en wijst daarop dan ook, dat een groot gedeelte van ons volk afgeweken is van de beproefde oude paden. Velen, die opgebracht zijn bij de waarheid en schijnbaar er voor bogen, hebben onder invloed van den modernen tijd hun eigen verleden verloochend. De wassende stroom der onkerkelijkheid heeft ze gegrepen. Van de eerste schrede kwamen ze tot bijna algemeene ontkerstening, 't Beeld van een keldertrap wordt gebruikt. Tree voor tree daalt men lager tot het bereiken van de onderste trede en dan staat men geestelijk geheel in het donker. We zijn nu zoover gekomen, dat in Nederland vele groote groepen on geveer geheel aan het Christendom, ja, aan alle religie ontzonken zijn. De Prediking wordt niet meer verstaan. De doop niet meer gekend. Niet de minste behoefte aan 't Avondmaal is er, want de beteekenis er van is reeds lang vergeten. Bidden en danken is een ledige ceremonie geworden. Dit heeft zijn invloed in eigen woning en levenskring. De Bijbel komt niet meer op tafel. Er wordt niet meer gebeden en gedankt. De gesprekken gaan alleen over 't gelijkvloersche leven van lederen dag.
't Behagen in de Kunst kan nog een verheffende factor zijn. Maar anders heeft alleen het materieele nog beteekenis. Aan godsdienstige opvoeding van de kinderen wordt niet meer gedacht. Dit nieuwe geslacht maalt niet om God en godsdienst, weet de weg naar de Kerk niet meer. Zonder God staat dit jonge geslacht in de wereld en laat zich door iedere strooming meevoeren.
De Christenheid nu mag deze afgedwaalden niet aan eigen lot overlaten. De Kerk mag hier niet zwijgen en werkeloos blijven. Met het zeggen : „De Kerkdeuren staan open", zijn de vervreemden niet te winnen. De Kerk moet tot deze verdoolden uitgaan, zooals de Goede Herder uitging om het ééne verloren schaap te zoeken, met volharding, totdat Hij het vindt. Hier wordt dan gezien de roeping der Volksevangelisatie. Deze moet niet verward worden met de roeping, die de Kerk heeft voor hare lidmaten. Deze kudde, waartoe jongeren en ouderen behooren, moet geweid worden in de grazige weiden van Gods Woord. De volksevangelisatie nu wordt gezien in het verlengde van dezen Dienst der Kerk. Hiermee wordt dus ook niet bedoeld de evangelisatie, welke opgericht is om de leden der Kerk, die geen bevrediging vinden in de prediking van de Kerk ter plaatse wegens leerverschil, te verzorgen. Volksevangelisatie is gericht tot hen, die geestelijk verwaarloosd zijn en verdoold, die zoo goed als niets meer gelooven. Dit zijn waarlijk niet alleen slampampers, maar ook knappe burgers en arbeiders. Ook nu in deze tijden moet op eenvoudige wijze door Volksevangelisatie de groote massa gewezen worden op het Woord Gods. In het verleden is hieraan reeds gearbeid. Op allerlei wijze, door Kerk en vereeniging en enkele personen, door tractaat en pers. Denk maar aan Leger des Heils, tentsamenkomst, bijbelcolportage, enz. enz. Ook moet hier gedacht worden aan de sociale stichtingen, die hun zorg uitbreiden over lichaam en ziel. Dit werk is echter tot nog toe in vele gevallen te danken aan het initiatief van groepen of enkele personen.
De vraag wordt daarom gesteld, of het nu niet raadzaam zou zijn dat de Kerk zelf den stoot gaf tot een Volksevangelisatie. Begonnen zou dan moeten worden met de groote en middelgroote steden. Hier is de arbeid veel minder overzichtelijk dan in kleinere dorpen, waar de predikant zoo goed als ieder persoonlijk kent. Bovendien werkt de geest der ontkerstening in grootere plaatsen door allerlei oorzaak veel sterker door dan op het platteland. Veel winst wordt dan gezien in het vormen van „geestelijke stoottroepen", om den heiligen oorlog aan te binden met den geest van vervreemding en afval. Alle middelen, die in de lijn des geloofs liggen, moeten aangegrepen worden. De mannen daarvoor zijn zeker te vinden. Gewezen wordt op leekepredikers, om een stoottroep te vormen. Frankrijk deed dit tijdens den oorlog. Amerika doet het thans. Zijn er ook in ons land geen brandende harten voor dit werk ?
De roeping der Kerk, niemand zal het ontkennen, ligt op dit terrein ook. De Kerk is toch niet een gesloten gemeenschap, die, wat zij ontvangen heeft, angstvallig voor zich zelf vast moet houden en nauwlettend moet toezien dat niet een of andere buitenstaander aan de weet komt wat die Kerk dan wèl „weet". Met de banier des Kruises heeft de Kerk de wereld in te trekken — niet alleen de heidenwereld bearbeidend, maar evenzeer ziende op eigen volk. We zijn hier waarlijk niet gereed met klachten, ach-en-wee-roepen, protesten, enz. Neen, de Kerk heeft uit te gaan om de haar van God toevertrouwde boodschap te brengen aan de „ontkerstenden". Hier ligt een taak voor iedere predikant en voor iedere Kerkeraad. In iedere gemeente heeft de Kerkeraad met zijn predikant niet alleen te letten op de verzorging der „kudde", maar ook moet aandacht besteed worden aan de verdoolden en afgevallenen. Het is niet mogelijk een voor alle tijden en plaatsen geldende methode van arbeiden aan te wijzen. De eene tijd zal geschikter zijn voor grootere bijeenkomsten, terwijl weer een andere tijd of plaats meer het persoonlijke bezoek zal eischen. Als ik mij niet vergis, dan treedt de laatste jaren meer en meer het persoonlijk bezoek als doeltreffend op de voorgrond. Wat kunnen de Kerkeraden, al of niet bijgestaan door hulpkrachten, hier uitnemend werk verrichten. Ik weet wel, dat er dan steeds deuren gesloten blijven. Ik weet wel, dat dit niet gemakkelijk is. Ook zijn niet steeds de gewenschte krachten hiervoor te vinden. Maar ik weet ook, dat menige deur opengaat en dat menige gelegenheid aldus geboden wordt om het zaad des Woords uit te strooien. Een krachtige oproep tot dezen arbeid mag hier niet ontbreken. Laat men zich echter steeds van alle reclame-achtig gedoe onthouden. Met Amerikaansche methoden bereiken we hier niets, ja, verknoeien we juist de arbeid. We bedoelen zulke methoden, waarover „De Gereformeerde Kerk" een en ander vertelt. Van de 120.000.000 bewoners der Vereenigde Staten behooren 40.000.000 tot geen enkele Kerk. Velen blijven het daar nu verwachten van oppervlakkig succes, van groote groei van het ledengetal. Vooral wordt gevraagd : „Hoe richten we de kerkdienst zóó in, dat zooveel mogelijk menschen getrokken kunnen worden? " Allerlei propagandamethoden en inrichting van wereldsche instellingen, zooals de bioscoop, vonden navolging. Zelfs verklaarde een Baptistenpredikant bij zijn intreepreek de functie van uitgever, publicist, radioomroeper, prediker en handelsreiziger in zich te zullen vereenigen. Om de verkeerde levenshouding van vele menschen aanschouwelijk voor te stellen, organiseerde een voorganger in Juli een ,,sneeuwdienst". De kansel werd „versierd" met stapels ijs en jonge meisjes dienden bier rond. Een ander gaat goochelen om de kerkdienst aantrekkelijk te maken. Een derde organiseert een ,,jongen-met hond-dienst, waarbij iedere jongen zijn hond mee in de kerk mag brengen. Allerlei attracties zijn er, om de kerk maar vol te krijgen. Alsof het goed is als de kerk maar vol is. Terecht kan dan ook gevraagd worden: Wat moet er in kerken, waar men van zulke middelen heil verwacht, worden van de bediening des Woords en der Sacramenten ? Op de oude vraag, waar Gods Zoon zich Zijn gemeente tot het eeuwige leven verkoren, vergadert, blijft toch het evenoude antwoord van kracht: daar, waar het Woord Gods recht gepredikt en de Sacramenten bediend worden naar de instelling van Christus. Waar dit geschiedt, behoeft men zich niet druk te maken met het zoeken naar telkens nieuwe „methoden". Hier wordt inderdaad het hart van de zaak getroffen. We hebben toe te zien wat aan het volk wordt gebracht. Of anders gezegd: De Kerk heeft toe te zien welke boodschap in zijn naam wordt uitgedragen in de wereld. En nu moeten we een stap terug. Dan heeft de Kerk in de eerste plaats toe te zien, welke boodschap er wordt uitgedragen op de kansels in het midden der gemeente. Hier ligt wel een eerste en voornaamste roeping van alle Kerkeraden. We kunnen toch zeker in de Kerk maar niet zeggen wat we willen. De preekstoel is toch maar niet een publieke spreektribune, waar een ieder eens zegt wat hij op zijn hart heeft. De kansel is; toch geen „houten broek", die deze en gene maar eens „aanschiet" om een boodschap van eigen makelij uit te dragen. Neen. In geen enkel opzicht. Een ieder, die in de Kerk arbeidt, heeft te spreken het Woord Gods, naar de belijdenis van die Kerk. Vandaar zit aan de Volksevangelisatie wel degelijk het kerkelijk vraagstuk vast. En hierdoor komen wij ook bij de vele
Evangelisaties,
die wij in onze Kerk hebben. We weten heel wel, dat er al wat waarschuwingen tegen Evangelisaties zijn gehoord. We weten ook, dat de naam als onjuist in vele gevallen kan worden bestreden. Dat hier gevaren dreigen van „kerkje spelen" en wat dies meer zij. Bovendien zijn er evangelisaties opgericht, omdat een bepaald gedeelte van een gemeente niet gediend was van een bearbeiding naar Woord en belijdenis. Maar we weten eveneens, dat evangelisaties kunnen ontstaan uit den kerkelijken nood en in stand gehouden worden met moeizamen arbeid en vele financieele offers, omdat men deze „noodkerk" behoeft om het Woord Gods naar de belijdenis te hooren verkondigen. Om mogelijke gevaren, die dreigen, omdat wij zondige menschen zijn, hebben we nu dezen arbeid maar niet na te laten. Alléén, het abnormale hiervan hebben we te gevoelen. En we hebben wel te bedenken dat dit nu niet „je ware" is. Maar met de „Gereformeerde Kerk" zijn we het eens, dat het euvel hier allereerst schuilt bij de Kerk.
Vanwege de abnormale toestand der Kerk werden de Evangelisaties dan ook in het leven geroepen. Als de prediking van den kansel af niet is naar de Schriften, dan moet er, wil de gemeente niet geestelijk verwoest worden, officieus in den evangeliedienst worden voorzien. ,,De toestand der Kerk was abnormaal geworden, omdat in het kerkelijk leven de norm was zoekgeraakt. Men stoorde zich in de hervormde Kerk niet meer aan de norm van het Schriftgezag, waarnaar de hervormers zich voegden, eerbiedigde niet meer het gezag der Schriften, die van Christus getuigden als 't gezag van Gods Woord, Kerkbesturen dachten er niet aan deze eerbiediging van kerkleeraars te eischen''. Zoo is het.
Daarom roept iedere „goede" Evangelisatie als 't ware de Kerk op zich te stellen onder en te leven naar het eenige Hoofd der Kerk, Christus, zooals deze in het Woord is geopenbaard en zooals deze in de belijdenis wordt beleden. Dat willen onze Hervormde Evangelisaties op Geref. grondslag. We mogen onze lezers ook hier wijzen op deze Evangelisaties. Het laatste nummer van het Hervormd Evangelisatieblad laat in verschillende artikeltjes iets van deze arbeid en hare noodzakelijkheid zien. Tevens wordt er in aangekondigd de derde jaarvergadering, D.v. Woensdag 20 November, aanvang 1.30 n.m. in het gebouw voor Chr. Soc. Belangen, Kromme Nieuwe Gracht 10, te Utrecht. Laten velen, ook vele predikanten, daar tegenwoordig mogen zijn. Aller medeleven en steun is zoo noodig. Ook aller financieele steun. „Thans, ja nu, zijn de velden wit om te oogsten, geef ons uw gaven, opdat we de wachtende arbeiders kunnen uitstooten in Gods wijngaard!" Deze zin uit het Evangelisatieblad moge u op het hart gebonden zijn. Voor alle arbeid in Gods Koninkrijk hebben wij te zorgen. Dat is een taak, ons opgelegd. Is men hiervan genoegzaam doordrongen ? In dit verband mogen we elkaar wel voorleggen een stukje uit „7 dagen Rotterdam" van Ds G. van Veldhuizen, zooals we dit vonden in het Algemeen Weekblad :
We zingen in het Huis des Heeren van schatten, die roest noch mot verslindt, maar potten de schatten op inplaats ze dienstbaar te maken aan de verkondiging van Gods Woord. Vorige geslachten hébben cathedralen gebouwd, die wij geenszins meer onderhouden kunnen: we hebben onze handen vol aan onze huizen, zakenpaleizen, bioscopen en winkels. We hebben één gesalarieerd arbeider op een totaal van 7—15.000 Hervormden in onze groote steden, die mag zien, dat hij er wat bijverdient om te kunnen leven, zooals men het van hem wenscht. We delibereeren jarenlang over een nieuwe predikantsplaats, en een halve eeuw over een nieuwe kerk, en als ze er gekomen zijn met de noodige schuld, rusten wij op onze verflenste lauweren. Kan dit maar zoo door gaan : deze niet noodzakelijke bezuinigin? op Gods akker, dit achterhouden van de offers der dankbaarheid ? Om ons heen gaat een wereld in vlammen op, we hebben het nog zoo goed. Maar wij steunen en klagen en hebben bezwaren (gewichtige, breed uitgemeten financieele bezwaren). We doen er allen aan mee, de een is niets beter dan de ander — we zijn zoo bitter verburgerlijkt. Onze staatspapieren en onze pandjes zijn zooveel zekerder dan een leening aan de Kerk. En een belegging in offeranden, ja, wie komt daartoe ? "
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's