Nahum, de Trooster.
Oordeel en Ontferming, vs 9—15
IV.
Wat denkt gijlieden kwaad tegen den Heere ? Hij zal zelf een voleindiging maken ; de benauwdheid zal niet tweemaal oprijzen. Hoewel de vijand, om wie het gaat, nog steeds niet bij name is genoemd, gevoelen we onmiddellijk, dat het volk van Ninevé hier door God ter verantwoording geroepen wordt over wat het aan Juda deed. De Assyriërs hebben wel gemeend, dat zij met sterfelijke menschen te doen hadden, maar wat zij deden was tegen den God van dat volk gericht. Onder diens voogdij en oppertoezicht mocht dat volk leven. De pijlen, voor Israël bestemd, treffen den hemelschen beschermer der Kerk. Ninevé heeft niet bedacht, of zij ook tegen God was strijdende! Volgens sommigen (o.a. Goslinga) moet het eerste gedeelte van vs 9 ook tegen Juda gezegd zijn, daar ook in het tweede gedeelte van dat vers Juda wordt aangesproken. Dan zoude dus de zin zijn : Wat denkt ge wel tegen den Heere, dan werd dus Juda tot de orde geroepen, omdat het sceptisch stond tegenover de gedachte aan de hulpe Gods en nogal wantrouwend vernam; van de algeheele vernietiging der vijanden. Ongetwijfeld zullen er in Juda velen geweest zijn, voor wie de belofte te groot was dan dat deze in hun moedeloosheid een hart onder den riem stak van het moedelooze volk. Ook over de uitlegging van het tweede deel is geen eenstemmigheid. Geen tweemaal verheft zich de benauwdheid. Is dit de bedoeling : Geen tweemaal zal de Heere aan Zijn tegenstanders wraak behoeven te oefenen (zoo v. Hoonacker, Nowack e.a.), omdat de eene slag vernietigend zal zijn. Of is de bedoeling, dat geen tweede maal aan Ninevé zal worden toegestaan om het volk te verdrukken ? Bij de laatste opvatting is 't wel wat gewrongen om hetzij alleen aan den tijd van Sanherib te denken of aan de wegvoering van Manasse, zooals Ridderbos meent. Maar één ding is zeker : Assyrië staat niet meer op, het wordt geschrapt uit de rij der volken. De Heere zal opstaan tot den strijd !
De vertaling en verklaring van vs 10 heeft allerlei moeilijkheden. Dewijl zij in elkaar gevlochten zijn als doornen en dronken zijn gelijk zij plegen dronken te zijn, zoo worden zij volkomen verteerd als een dorre stoppel. Ridderbos vertaalt: Ook al zijn ze als doornen dooreen gevlochten en hebben ze zich nat gedronken als hun drank (? ), zij worden als- droog kaf ten volle verteerd. De meest voor de hand liggende verklaring lijkt mij deze: Al is Assyrië een verwarde kluwen doornen gelijk — niet om aan te pakken —, de Heere weet er wel mede aan te vangen; door het vuur van Zijn gericht vergaat het als stoppels. Gij zult hen, waar G' in glans verschijnt, als rook en damp, die ras verdwijnt, verdrijven en doen dolen —. En al zijn de Assyriërs dronken, zooals de Assyriërs plachten dronken te zijn — de dronken man is door het dolle heen — niet om aan te pakken — de Heere weet er mede aan te vangen. Wat Jeremias in Handbuch der Altorientalischen Geisteskultur (2te Aufl. s 473f.) zegt, bevestigt de teekening van den profeet: Drankzucht en ontucht verwoesten het volksleven sedert de vroegste tijden. Hoe woest het in de Assyrische groote steden toeging, blijkt wel uit den tekst, gevonden in de bibliotheek van Assurbanipal, volgens welke de lieden in hun dronkenschap de dolk van hun tegenstander niet gevoelen. Maar de woede en het geweld van den dronken man is slechts schijnbare kracht: een kind kan het soms winnen van een dronken man. Zoo is 't met de kracht van den goddelooze tegenover de majesteit Gods. Met een vinger werpt God ze omver! (anders Ridderbos en Smit). Ondanks al hun woeden dus, de Heere belacht hun haat! Op zijn minst eigenaardig en gezocht verklaart Ridderbos : De profeet schijnt ironisch te willen zeggen, dat de Assyriërs ondanks al dit nat voor het vuur Gods niet anders zullen worden dan droog kaf. Neen, maar God weet ook met de dronkenmanswoede van Ninevé tegen Zijn volk af te rekenen.
In vs 11 wordt de hoofdschuldige aan het verzet tegen God genoemd : Uit u is één uitgegaan, die kwaad denkt tegen den Heere, een belialsman. We behoeven hier niet uitsluitend te denken aan één bepaalden koning, b.v. aan Sanherib ; ook andere koningen hadden het op het volk des verbonds gemunt. Daarmede wordt nogmaals de oorzaak van Ninevé's ondergang geteekend: Het heeft kwaad tegen God beraamd. Gods vaderlijke zorg voor Zijn Kerk is de reden, van Ninevé's algeheele verwoesting.
Ondanks hun aantal en hun kracht, zullen de Assyriërs ten onder gaan. (vs 13). Zij zullen geschoren worden, afgesneden en weggemaaid. Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer. Ik heb u wel gedrukt, maar Ik zal het niet weer doen. In een kleinen toorn heb Ik mijn aangezicht een oogenblik van u verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik mij uwer ontfermen, zegt de Heere, uw Verlosser (Jes. 54 vs 8). Laat het volk, zegt de profeet, niet wanhopen, ondanks de oordeelen des Heeren, die over hen kwamen, want Ik heb u wel gedrukt, maar Ik zal u niet meer drukken ; getuchtigd, maar niet gedood. Ik heb u vernederd en gekastijd, maar een tweede keer zal het niet geschieden. De Heere zal niet eeuwiglijk den toorn behouden (Ps. 103 vs 9) —
Het volk zal ondergaan en de godshuizen zullen vernield en de afgoden zullen worden weggesleept. Het gewogen en te licht bevonden in de weegschaal van Gods heilig recht geldt van het koningshuis van Ninevé en zoo van heel het volk. De menschen zien op invloed en eer en machtsbetoon en aantal en wat niet al meer, maar de Heere weegt de geesten. En daarbij zal dan ook op Godverheerlijkende wijze blijken, dat de afgoden te schande worden en geen sterkte kunnen zijn in den dag der benauwdheid.
De ondergang van Ninevé is zoo zeker. Zie, daar komt reeds de vreugdeboodschapper met het bericht over den val van de bloedstad. Hiji spreekt van vrede. De boodschapper roept Juda toe, den Heere feesten te vieren. Ga maar naar Jeruzalem ; het kan nu ongehinderd geschieden: Vier uw vierdagen, o Juda, betaal uwe geloften, want de belialsman zal voortaan niet meer door u doorgaan; hij is gansch uitgeroeid. Wat zal ik den Heere vergelden voor alle Zijne weldaden ? Ik zal U offeren een offerande van dankzegging en den naam des Heeren aanroepen. Ik zal mijne geloften den Heere betalen, nu in de tegenwoordigheid van al Zijn volk; in de voorhoven van het huis des Heeren, in het midden van u, o, Jeruzalem (Ps. 116). De varren hunner lippen zullen de godvruchtigen den Heere betalen. Het geheel is een moment in den tweekamp tusschen God en Satan om de Kerk. Oordeel en ontferming. De Heere zal het voor Zijn volk voleindigen. De vreugderoep op Judea's bergen: de vijand Gods heeft het verloren, vindt haar vervulling in de overwinningskreet aan het kruis : het is volbracht. Christus Triumphator!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's