De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

VERGEVING VAN ZONDE EN ONGERECHTIGHEID

8 minuten leestijd

Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zoo verleiden wij ons zelve en de waarheid is in ons niet. Indien wij onze zonden belijden. Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid. 1 Joh. 1 vers 8 en 9.

Als we deze woorden uit den zendbrief van den apostel Johannes oppervlakkig beschouwen, dan heeft het den schijn, dat er niets gemakkelijker in de wereld is dan om vergiffenis van zonde en reiniging van ongerechtigheid te verkrijgen.

Men heeft eenvoudig zijn zonden aan den Heere te belijden en het is genoeg. De vergeving der zonden wordt er onmiddellijk aan vastgekoppeld.

Welnu, niets schijnt zoo gemakkelijk dan het belijden van de zonde. Vraag in een kring van menschen, of er één onder hen gevonden iwordt, die geen zonde heeft, en ik denk, dat de meest eigengerechtige Parizeer toch zal erkennen, dat er aan ieder mensch wat hapert. Er is nu eenmaal geen mensch zonder gebreken.

Als het belijden van zonde en ongerechtigheid niets meer inhield dan de bloote erkentenis, dat er aan ieder mensch wel wat mankeert, dan zou de vergeving van zonden haast het deel zijn van alle menschenkinderen.

En toch wordt er door duizenden zoo over gedacht. Men wil wel erkennen, dat men fouten en gebreken en tekortkomingen heeft. Het wordt een gulle erkentenis. Maar men laat er nu ook onmiddellijk op volgen, dat men gelooft, dat God zulk een goedertieren Vader is, dat Hij er niet aan kan denken om die zonden te bezoeken. Hij is zoó liefdevol, dat Hij ze genadig vergeven wil, als gij die vergiffenis nu maar geloovig wilt aannemen.

Met zulk een oppervlakkige belijdenis wanen velen den hemel te zullen ingaan. En er zijn er, die de menschen zoo den hemel binnen prediken onder Hallelujahgeroep en onder de muziek van Turksche trommel en tamboerijn.

Toch is het de groote vraag of de apostel Johannes met het belijden van onze zonden ook maar één oogenblik zulke oppervlakkige belijdenissen kan bedoeld hebben. Meestal bepalen de oppervlakkige belijdenissen van de menschenkinderen zich maar tot de zonde in het algemeen. Waag het niet om den vinger te leggen op het een of andere feit.

Ge kent natuurlijk het verhaal van die vrouw, die op het huisbezoek aan haren leeraar in de meest geijkte termen kwam te getuigen van hare diepe verdorvenheid. Toen echter de predikant kwam te vertellen, dat hij al veel van hare slechtheid had hooren getuigen, sloeg de rol ineens om. Ze was verontwaardigd en wilde weten, wie er ter harer oneere ook maar iets had durven zeggen.

Waag het maar eens om een van uwe medemenschen er op te wijzen, dat hij gevaar loopt om verstrikt te raken in de strikken van de geldgierigheid en ik ben er van overtuigd, dat men in vele gevallen uwe beschuldiging zal afwijzen. Wat men misschien aanziet voor een fout, is misschien in de oogen van den beschuldigde wel een van de grootste deugden. Hij is niet gierig, maar veeleer spaarzaam. Hij past op de kleintjes en dat moet als een deugd worden aangerekend.

En hoe gaat het omgekeerd met den verkwister? Zou hij dien naam van verkwister wel willen dragen ? Immers neen ; hij is iemand, die het geld laat rollen. Er is geen sprake van, dat hij er aan zou vastzitten.

We deden maar een greep uit de vele voorbeelden, om te bewijzen dat het belijden van onze zonde niet zoo gemakkelijk is. Helaas, er zijn er velen, die behooren tot den kring van hen, die door Johannes bedoeld worden. Het zijn menschen, die zeggen, dat ze geen zonde hebben en die daardoor zich op een schrikkelijke manier komen te misleiden.

We doen nog één stap verder. Geldt het van nature niet van ons allen, dat we zeggen, dat we geen zonde hebben ? Hebt ge het wel eens opgemerkt, dat Adam ook zijn schuld heeft trachten te verbloemen, toen hij in Edens hof na zijn zondeval door den Heere ter verantwoording werd geroepen ? Inplaats van te bekennen, schoof hij de schuld op Eva. Ja, nog erger, eigenlijk op den Heere. Immers hij antwoordde op de onderzoekende vragen des Heeren : De vrouw, die Gij mij hebt gegeven, heeft mij verleid. En bij Eva merken we het zelfde. Zij werpt de schuld op de slang.

O, wat gelijken we op onze eerste voorouders. Men werpt de schuld op de droevige sociale omstandigheden, waarin men verkeert, of men geeft de schuld aan den duivel.

Zie het maar eens, hoe het gaat in de rechtzalen. Na een langdurig kruisverhoor geeft men eindelijk toe het misdrijf gepleegd te hebben, nadat men tevergeefs heeft gepoogd om door allerlei leugens zich aan de macht van de justitie te onttrekken. Lezers, Gods Woord leert ons duidelijk, dat het ware belijden van zonde en schuld slechts een gewrocht is van den Heiligen Geest. Het is de Heilige Geest, die den blinddoek van de oogen wegneemt. Het is de Heilige Geest, die de schellen van de oogen laat vallen in geestelijken zin. Het is de Heilige Geest, die den verloren zoon tot zichzelven doet komen, zoodat hij opstaat en het uitroept: Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen : Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u en ik ben niet waard om uw kind genaamd te worden, maar maak mij als één van de huurlingen.

En lees nu eens, wat David in den 32sten Psalm heeft gezegd. Daar lees ik : Toen ik zweeg, werden mijne beenderen verouderd in mijn brullen den ganschen dag; want Uwe hand was dag en nacht zwaar op mij, mijn sap werd veranderd, in zomer droogten.

O, wat bemerken we duidelijk uit deze woorden dat er heel wat strijd in zijn binnenste gestreden is, eer zelfs David er toe kwana om het uit te roepen : Mijne zonde maakte ik U bekend en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet; ik zeide: Ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heere en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde.

Ziet gij nu wel, lezers, dat Gods Heilige Geest zelfs den man naar Gods hart te sterk moest worden, eer hij zich aan den Heere gewonnen gaf. De mensch trekt zich liever in zijn uiterste verschansingen terug, eer hij voor den Heere zijne schuld wil belijden.

O, wat zal het ontzettend wezen, om zóó maar te blijven voortleven, alsof men geen zonde heeft. Blind voor eigen verlorenheid, blind voor aangeborene en werkelijke zonden ! Geen oog voor eigen armoede en daarom ook geen behoefte aan den rijkdom van Christus' genade!

Als Gods Geest echter het hart verlicht, dan zal het komen tot een belijden van zonde en schuld. Tot een belijden van onze persoonlijke zonde! Tot een belijden van bepaalde zonden!

En toch heeft David met recht betuigd, dat het maar niet alleen de zonde met Bathseba was, die om straf riep, maar dat hij in zonde ontvangen en geboren was.

O, welk een aangrijpende belijdenis ! Het te moeten erkennen, dat men reeds van de ure der ontvangenis voor God verdoemelijk is.

Maar ziet, lezers, waar het zoo donker en duister is in de ziel bij het ontdekkend geadelicht, vanwege de veelheid van zonde en ongerechtigheid, daar wil God, de Heere, het licht van Zijne vertroostende genade laten opgaan.

Toen David zijn zonde had beleden, heeft Nathan hem onmiddellijk de vergiffenis zijner schuld gepredikt. O, welk een onuitsprekelijke genade !

Van die genade spreekt ook de tekst : Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid.

O, wat is er op menige bladzijde van de Heilige Schrift sprake van de trouw Gods. Wat Hij eens beloofde, dat zal Hij ook doen. Al waren de zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als de sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol.

En wat wordt het na ontvangene genade door Gods kind weer telkens verzondigd. O, ze zijn het waardig, dat de Heere Zijne hand voor altoos van hen zou aftrekken. Maar neen, hun ontrouw doet de trouw Gods niet te niet.

Misschien hebt ge u, lezers, over één woord verwonderd. Er staat „getrouw en rechtvaardig". Gij hadt er voor uw gevoel liever gehad „getrouw en genadig".

Het is net, alsof de glans van Gods genade door dat woord „rechtvaardig" een weinig getemperd wordt. Dan moet ik toch zeggen, lezers, dat ge het mis hebt. Het is gelukkig, dat er staat „getrouw en rechtvaardig". Stelt het toch nimmer uzelven zoo voor, alsof genade bewijzen wilde zeggen, dat de Heere uwe zonde maar door de vingers zou zien.

O, ga met mij naar Golgotha. Zie Gods Zoon daar hangen aan een kruis, omringd met smaad en hoon, in bitter, smadelijk lijden. Daar vindt ge het bewijs, dat God, eer Hij de zonde ongestraft liet, Hij ze heeft bezocht aan Zijnen lieven Zoon Jezus Christus.

O, lezers, Sion is door recht verlost. Hier is plaats voor het borgtochtelijke lijden van den dierbaren Zoon van God, die aan het recht des Vaders volkomene genoegdoening heeft willen schenken.

Dat bloed, o arme zondaar, is alleen uw grond en uwe hope.

Maar er is geen andere weg om deel te krijgen aan die borgtochtelijke gerechtigheid, dan alleen in den weg van het nederig en ootmoedig belijden.

O, lezers, luistert naar den dichter: Wie Hem need'rig valt te voet. Zal van Hem Zijn wegen leeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's