Gemeenschap en eensgezindheid
De historische ontwikkeling heeft meer verwarrend dan verhelderend gewerkt op het kerkbegrip en het kerkelijk besef. En het ligt voor de hand, dat dit op zijn beurt weer een belemmering moet zijn voor het streven naar kerkelijke eenheid, 't welk zijn stem doet hooren. Het kerkbegrip van degenen, die zich daaroim bekommeren, zal als zoodanig ook zulk een streven reeds bepalen in het afbakenen van den weg, dien men meent te moeten of te kunnen volgen. Omgekeerd heeft ieder project den tegenstand te duchten van hem, die van een ander kerkbegrip uitgaat.
Allerlei vragen komen hierbij aan de orde, waarover men weer verschillend kan denken, ongerekend bezwaren, welke men oppert, die ten deele buiten het kerkbegrip omgaan, maar nochtans grooter moeilijkheid kunnen veroorzaken.
Doch om op het eerste punt terug te komen, de verwarring kan reeds blijken uit het verschillend gebruik van het woord Kerk.
De overeenstemming is inderdaad nog het grootst, als men het heeft over de Kerk, als voorwerp des geloofs. Daarmede wordt een voorstelling opgeroepen, die boven alle bijzondere kerken uitgaat en tegelijkertijd een algemeene betrekking der bijzondere kerken tot die eene stelt. In zooverre is er sprake van een gemeenschappelijk iets, om het maar zeer vaag te zeggen, dat alle bijzondere kerken verbindt. Dat ligt in het kerkelijk besef en wordt concreet in het woord kerk. Een vergadering, die zich als kerk aandient, pretendeert daarmede met de Kerk van doen te hebben.
Het woord kerk. roept nu eenmaal een geheel eigenaardig besef op, dat naar zijn religieusen aard mystiek aandoet, raakt aan een mystieke werkelijkheid. Inderdaad is de kerk een gemeenschap, die wortelt in de mystieke unie met Christus.
Wie kerk zegt, zegt religie, eigenlijk religie van Christus. Het woord kerk is exclusief. Heidensche kerk is een innerlijke tegenstrijdigheid. Christelijke kerk een pleonasme, want de kerk is van Christus. De Kerk kan rechtens nooit iets anders zijn dan de gemeente des Heeren.
Alles wat zich in de wereld als kerk aandient, zal derhalve zijn geloofsbrief hebben te toonen op verbeurte van het recht om alzoo te doen. Waar de kerk is, is de kerk van Christus. Wij hebben het pleonasme toch noodig, want kan zij zich niet legitimeeren, dan is zij een schijnkerk of een leugenkerk.
Dat kan geen kerk meer zijn. Christus sluit den schijn en de leugen uit. Het is misschien nog religie, maar ook dan niet meer dan schijnreligie. De kerk van Christus is even exclusief ten aanzien der religie. De religie van Christus is de eenige, de ware, zoowaar Hij de eenige Leidsman en Voleindiger des geloofs is. Dit is de critische stelling van de Kerk jegens alles, wat zich ook als religie of religieus leven aandient.
Eén geloof, één doop, éên Heere. Buiten de kerk, deze kerk, geen heil. Het radicaal exclusivisme der Kerk, stelt even radicaal haar eenheid en gemeenschap in allen, die van de Kerk zijn, en van alle vergadering, welke rechtens den naam kerk draagt.
De kerk des Heeren is één lichaam, één organische gemeenschap.
Wij komen in verlegenheid met deze werkelijkheid, als wij nu over de kerken gaan spreken. Niet het meervoud, want de veelheid behoeft de eenheid en gemeenschap niet te breken, maar de bijnamen en kwalificaties. De lijst van kerken en kerkgenootschappen biedt een verscheidenheid, waarin de eenheid en gemeenschap zoek is. Dan de waardeering : valsche kerk, kettersche kerk, scheurkerk, gereformeerde en gedeformeerde kerk, om nog te zwijgen van zoovele secten en vergaderingen, die zich onder den naam van kerk of gemeente voordoen. Wij staan voor een toonbeeld van verwarring. Hier is de kerk, daar is de kerk, de ware kerk, de zuiverste kerk, onze kerk. Dat laatste is eigenlijk het ergste : onze kerk. Onze kerk, dat is het typeerende. Zeker, daarin schuilt het gemeenschappelijke. Niet mijn kerk, maar onze kerk. Het gemeenschappelijke is echter zoo menschelijk, dat het gevaar loopt roof te worden, kerkroof, roof van de eer van Christus, want de kerk is des Heeren. Wie heeft het recht om van onze kerk te spreken ? Het heeft iets van den toestand in Corinthe. Ik ben van Paulus, en ik van Apollos, en ik van Cefas, en ik van Christus. Is Christus gedeeld ? Is Paulus voor u gekruist ? Of zijt gij in Paulus' naam gedoopt? (1 Cor. 1 : 12).
Diezelfde Paulus spreekt wel van wij. „Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus". „Door onzen Heere Jezus Christus". Dat is de gemeenschap der kerk, maar wie zegt onze kerk, rukt haar uit het verband en maakt haar tot een domein van menschelijke keur en preferentie. Wij zeggen zoo gemakkelijk onze kerk, hoewel wij in het minst geen recht hebben. Er is reden tot vreeze, dat wij met onze kerk en onze kerkelijkheid buiten de kerk verkeeren. Indien wij de verhoudingen goed zien, staan wij er met onze kerk altijd buiten, want niet in het onze, maar in Christus is behoud en het leven. Onze kerk heeft geen recht op den naam kerk zelfs, zoo zij niet Christus' kerk is. Wanneer wij dat bedenken, is het met onze kerk gedaan.
Zoo moet de verlegenheid worden tot schaamte, de schaamte tot zonde tegen den eenigen Koning der Kerk, bij Wien alleen de macht, het gezag en de heerschappij der kerk is.
Onze vaderen hebben dat in den tijd der reformatie wel verstaan. Daarom konden zij reformeeren. Zij hebben ingezien, dat niemand recht heeft om over de kerk te heerschen en maakten het tot een regel van kerkelijke orde, dat ook de eene kerk niet over de andere, de eene dienaar niet over den anderen zou heerschen, opdat alleen het Woord heerschappij zou hebben. Door dat Woord worden onze kerken geoordeeld. Aan het Woord zullen onze kerken zich hebben te toetsen om in gehoorzaamheid des Woords weder te keeren tot de gemeenbchap van de kerk des Heeren.
Vereeniging zal geen verbetering brengen, als die gemeenschap er niet is. Het woord vereeniging heeft te zeer een formeelen en technischen bijsmaak. Waar de gemeenschap is en werkzaam is door het geloof, daar is meer dan vereeniging. Want, indien men gemeenschap oefent, is formeele vereeniging een zaak van ondergeschikte beteekenis. Vooreerst stelt de vorm, waarin men gemeenschap oefent, reeds een verband, dat uitdrukking geeft aan de organische eenheid der kerk.
De openbaringsvorm van de organische eenheid der kerk is toch de vergadering der kerken in een gemeenschappelijke bijeenkomst of synode der kerken.
Wat verhindert de kerken in zulk een synode saam te komen ?
Het lijkt wel een vraag van een vreemdeling. Stelt u voor, de verwarde hoop van kerken in één synode bijeen ? Wat moest daartoe niet eerst gebeuren ?
't Is werkelijk heel veel, want dan moest men saamkomen als echte kerken, als kerk des Heeren. Dan moest men niet anders willen weten dan Jezas Christus en door Zijn Woord geleid willen worden met voorbijzien van al het andere.
Men roept over den nood der kerk, de nood der kerken eigenlijk, want de kerk van Christus heeft een almachtigen Beschermheer in haar Koning. Waar de kerk van Christus is, heeft zij beroep en vertrouwen op Hem. Waarom zouden dan de kerken niet saamkomen om zich te bezinnen op haar aard en wezen en zich te stellen onder het gezag van Hem, die Zijn kerk duur heeft gekocht, niet met goud of zilver, maar met Zijn dierbaar bloed, Hem, die door den Vader gezet tot haar Hoofd, Zijn gemeente vergadert, beschermt en onderhoudt ?
Kerken kunnen in diep verval geraken, doch dit behoeft geen hinderpaal te zijn om weder te keeren tot gehoorzaamheid aan het Woord, dat haar is toebetrouwd. Ook in de vervallen en verscheurde kerken heeft God nog Zijn kerk bewaard. Hoe zou zij dan vergeefs tot haar Heere roepen, die haar uit den afgrond des doods heeft gered ?
De nood der kerken schuilt niet daarin, dat het fundament is weggezonken, maar dat zij hooi, stroo en stoppelen op het fundament .hebben gebouwd. Wanneer wij door het Woord geleerd willen zijn, worden wij geoordeeld vanwege de werken des vleesches. (1 Cor. 3). Dezelfde apostel betuigt ook, dat het de wil des Heeren is, dat wij allen hetzelfde spreken. „Maar ik bid u, broeders! door den Naam van onzen Heere Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt, en dat onder u geen scheuringen zijn, maar dat gij samengevoegd zijt in eenen zelfden zin, en in een zelfde ge voelen. (1 Cor. 1 : 10), gelijk hij ook elders vermaant, zoo daar eenige gemeenschap des Geestes is tot eensgezindheid. (Fil 1 : 1 en 2).
Zoo loopt dan de weg van de gemeenschap des Geestes naar de eensgezindheid. Indien de kerken, die.zich op dezelfde belijdenis beroepen, deze apostolische vermaning ter harte zouden nemen, zou men, zoo daar eenige gemeenschap des Geestes is, bij elkander moeten komen om de eensgezindheid te vinden, waarvan de apostel spreekt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's