De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Nahum, de Trooster.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Nahum, de Trooster.

12 minuten leestijd

Ninevé's ondergang beschreven

V.

Ninevé's ondergang beschreven, hoofdst. 2.

Zegt den rechtvaardige, dat het hem wèl zal gaan, dat zij de vrucht hunner werken zullen eten ; wee den goddelooze, het zal hem kwalijk gaan, want de vergelding zijner handen zal hem geschieden. Dit tweeërlei vinden we telkens weer in de bediening des Woords. Ook hier bij den profeet Nahum. Licht zal het zijn in de woningen der Israëlieten, maar diepe duisternis in de huizen der Egyptenaren. Een boodschap Gods ontvangen beiden, Juda èn Ninevé : de Heere laat zich aan niemand onbetuigd.

Voor Juda: Houd u bereid, want de Heere komt — Hij, die Israels verdrevenen vergadert.

Voor Ninevé: Houd u bereid, want de Heere trekt tegen u op. Hij, die den verstrooier macht tegen u geeft. De Heere doodt en maakt levend.

Tot Juda komt het woord: Zie uit op den weg naar de komst van den vreugdeboodschapper, maar — aangrijpende tegenstelling — voor Ninevé is de boodschap : Zie uit, den weg op, naar den vijand! Den een wacht de verlossing, want Israël zal verlost worden met een eeuwige verlossing. Den ander wacht de verstrooiing, want de Heere zal Zijn vijanden verdoen door den adem Zijns monds. Juda wacht de feestelijke opgang naar Jeruzalem, ongehinderd. Ninevé wacht de fatale ondergang en dat onontkoombaar.

Vier uwe vierdagen, o, Juda, en onmiddellijk daarachter lees ik: De verstrooier komt.

Voor Juda komen de vierdagen van des Heeren barmhartigheid en trouw, waarop zij den Heere met dankoffers zullen loven, en voor Ninevé komen de vuurdagen van Gods gericht, waarin.de stad tevergeefs zal zoeken zich te verweren tegen de felle aanval van den vijand.

De vijand nadert, hier als verstrooier aangeduid. In dat verstrooien ligt de gedachte opgesloten van vernieler, verderver. Zooals stoppelen voor den wind zullen verstrooid worden, zoo zullen de Ninevie ten verjaagd, verstrooid, verdreven worden en daar zal niemand zijn om hen uit de hand van hun machtigen vijand te verlossen. Ninevé moge het haast onmogelijk achten, dat het zoo ver komen zal, toch, het onheil nadert, onafwendbaar.

De nood klimt; (vs 1) maak nu haastig alarm, Ninevé, en kondig de hoogste graad van strijdvaardigheid af. Vooruit, aanpakken nu, bewaar de vesting ; doe wat gij kunt om den voortgang van den vijandelijken opmarsch te stuiten. Laat verkenners speuren, wat op den weg nadert. Zet alle posten op de muren maar uit en weest klaar voor de uiterste krachtsinspanning (de lendenen zijn zetel der kracht, zie Deut. 33 vs 11). Maar laat Ninevé bij voorbaat weten, dat het alles tevergeefs zal zijn. Tegen God kan geen enkele verschansing het uithouden.

Het uur van Ninevé's ondergang is geslagen, vs 2, want Israël is nu genoeg vernederd. Zware kastijdingen uit Gods hand kwamen over Israël en Juda. Nu is het genoeg : de Heere heeft de hoovaardij van Jakob afgewend. Lang genoeg hebben plunderaars geplunderd en hebben zij de wijngaarden verdorven. Hier gaat dus een licht op over de vraag, hoe 't komt, dat Ninevé zoovele jaren woeden en plunderen en verdrukken mocht, — omdat Juda niet eerder geoefend was in de leerschool der verdrukking. Als de stok, waarmede de Heere ter kastijding slaat, gebruikt is, dan kan de Heere die verbreken en wegdoen en in het vuur werpen. Dat is de verklaring, die de Statenvertalers in navolging van Calvijn e.a. van het tweede vers geven. Maar er is een andere vertaling en verklaring mogelijk, die Calvijn ook noemt en in het algemeen tegenwoordig aanvaard wordt.

Het woord, dat door de Statenvertalers met hoogheid, in den zin van hoogmoed, vertaald wordt, kan ook beteekenen : heerlijkheid, dus in goeden zin worden genomen. Dan wordt de zin van vers 2: De Heere herstelt Jakobs heerlijkheid, want plunderaars hadden hem uitgeplunderd en zijn ranken vernield. Hier wordt dan aan Juda en Israël een blijde toekomst voorzegd : De Heere zal zijn volk in vroegere heerlijkheid herstellen : Als Hij bedroefd heeft, zoo zal Hij zich ook ontfermen naar de grootheid Zijner goedertierenheden. (KL 3 vs 32). Wat eens de glorie was van het volk des verbonds, komt dus terug. Ook uitwendige voorrechten, en uiterlijke heerlijkheid behooren tot de voorrechten, waarin Gods kerk in den ouden dag mocht deelen. Maar als het volk den Heere in deze dingen niet erkent, dan neemt God die uitwendige luister af. Als b.v. de zegeningen van het wonen in het land der belofte aan Baäl worden toegeschreven, dan voert de Heere in ballingschap. De uitwendige zegeningen en voorrechten, die de Kerk in het Oude Verbond genoot, waren een beeld en profetie van het heil, dat de Heere in den Middelaar en Verlosser heeft geschonken. Als we dan ook vragen, wanneer deze profetie volkomen is vervuld — want immers na de verdrukking van Assyrië komt Juda onder de niet minder zware hand van Nebucadnezar — dan moeten we verder zien dan het Oude Verbond en denken aan den vollen zegen, waarmede Christus Zijn gemeente vervult, totdat in de heerlijkmaking en vernieuwing aller dingen alle beloften Gods zullen zijn vervuld. Wat door de zonde verloren ging en door de macht van den vijand teloor ging, vindt zijn herstel in den Christus Gods. Want God heeft ons bekend gemaakt de verborgenheid van Zijnen wil om in de bedeeling van de volheid der tijden alle dingen wederom tot één te vergaderen in Christus. (Ef. 1 vs 10). Ninevé's val dus conditie van Israels heerlijkheid. Het rijk van den Antichrist zal eens vallen, want de luister van Gods Koninkrijk zal krachtig openbaar worden. De gebrokenheid zal toch eens voorbij zijn. Jakob (d. i. Juda) en Israël zullen één zijn: de gouden eeuw keert weer. „De Heere wil Zijn volk weer op de hoogte stellen, van welke de Assyriër het afstiet", v. Andel.

Assyrië heeft de Kerk des Heeren veel kwaad gedaan (vs 2b). En Israël was Gods wijnberg, waaraan de Heere alle moeite had besteed. Wanneer de Assyriër zich dus vergrijpt aan dezen wijnberg, dan is dat een aanranden van Gods eigendom ; Ninevé vergreep zich aan Gods bezit en wie Gods volk aanraakt, raakt Gods oogappel aan. Hij zal het niet langer gedoogen. Hij laat Zijn kwijnend volk niet eeuwig in het verdriet.

Nu (vanaf vers 4) volgt een teekening van den aanval op en de belegering van de stad. Over welk een enorme macht beschikt de oprukkende vijand. Welk een geweldige bedreiging vormt dit leger voor Ninevé! Het geheele oorlogsapparaat, waarover de vijand beschikt, komt in den sc'hrikaanjagenden en geweldigen aanval in beweging. Bloedrood is het schild der helden; in scharlaken rood kleed trekken de mannen op. Het staal van de strijdwagens fonkelt. De lansen worden gezwaaid. Ja, deze aanvaller is paraat. — Het rood van de schilden is wel te verstaan van het koperbeslag of van de beschildering, die op de schilden waren aangebracht. De uniform van de strijders was weleer veelal rood van kleur. „Omdat het zoo moeilijk was de Judeërs te overtuigen, dat de ondergang van Ninevé voor de deur stond, stapelt hier de profeet verschillende spreekwijzen opeen om de macht Gods in de vernietiging der Assyriërs uit te drukken'' (Calvijn). Omdat de hoop, dat Ninevé ooit zou vallen, nauwelijks gekoesterd kon worden, laat de Heere door Nahum de verschrikking en verwoesting beschrijven, die dit geweldige leger over Ninevé zal brengen.

De strijdwagens — hét gevreesde strijdwapen van die dagen — rollen aan. Over velden en wegen razen de wagens voort, vol van dreiging met vernieling en dood Zij schieten vooruit om de vijandehjke voorposten in de stad terug te werpen. De aanblik van de aanrollende wagens en van de stormtroepen is als van fakkelen en bliksemschichten (vers 4).

De koning van Ninevé doet wanhopige pogingen om zijn stad te verdedigen. Niets blijft achter, wat dienen kan om de stad in staat van verdediging te brengen. Wellicht moeten de laatste voorbereidingen nog worden getroffen. Vol vertrouwen ziet hij op zijn edelen (zoo vertaalt Goslinga: Hij zal aan zijn voortreffelijken gedenken). Hij rekent op zijn mannen. Deze haasten zich naar hun posten op de muren; zij struikelen in hun verwarring en angst. Ach, wat zal alles baten! Reeds staan de stormdaken tegen den muur en de geschuttorens zijn opgesteld. Het beschutsel is reeds vaardig, d. i. reeds zijn de belegeringswerktuigen opgesteld. Met de stormdaken, die hier waarschijnlijk bedoeld zijn, moeten we denken aan belegeringswerktuigen, die, met een dak voorzien ter bescherming van het bedieningspersoneel, dienen moesten om bressen in de muren te rammelen. Deze verklaring wordt wel door moeilijkheden gedrukt, omdat de koning van Ninevé hier plotseling wordt ingevoerd, hoewel hij tevoren niet genoemd was, en ook worden nog wel andere argumenten genoemd, maar deze verklaring, die men ook bij Calvijn kan vinden, lijkt mij toch aannemelijker dan de andere, door velen aangenomen, waarbij dit vers (vs 5) betrokken wordt op den aanvaller.

De profeet ziet het gebeuren; het is, als maakt hij van oogenblik tot oogenblik het beleg mede.

Ninevé zal zich aan Gods almacht, die perken kent noch palen, niet kunnen onttrekken. De rivierpoorten openen zich. Het paleis, een machtige burcht, blijft niet ongehavend en stort ineen. Door velen wordt dit in oneigenlijken zin verstaan. Zoo vertaalt b.v. Prof. Obbink: De paleisbewoners versmelten van angst. Dat is ook de opvatting van Ridderbos. Ninevé achtte zich door het water van Tigris en Choser met de tallooze bijkanalen zoo veilig. Maar de rivierpoorten openen zich. Moeten we bij de rivierpoorten denken aan die stadspoorten, die vlakbij de rivier de Choser lagen ? Of zijn hier misschien sluizen bedoeld ? Ook is niet zeker, of de rivierpoorten zich openen onder de aanvallen van de stormtroepen (zoo Ridderbos e. a.), of dat het water zelf den toegang tot de stad forceert. Misschien is het laatste te verkiezen. Reeds Xenophon en Diodorus vertellen, dat de inname van de stad mogelijk was door een geweldigen toevloed van water als gevolg van storm en onweder, waardoor de muur over een afstand van 20 stadiën doorbroken werd (denk aan wat Nahum 1 vs 8 schrijft). Of dit geheel juist is, kunnen we daarlaten, maar zeker is, dat Kyaxares eenvoudig gebruik heeft gemaakt van de verwoesting, die een abnormaal hooge stand van het water in de lente van 612 aan de muur had veroorzaakt. (Gadd, Fall of Ninevé). Dat is het beslissende feit. Het water, waarop zij hadden gehoopt, wordt hun ten val. —

De zaak van Ninevé is beslist; de slag is verloren. Hussab wordt weggevoerd. Wie is dat ? Velen denken aan de koningin. Reeds de Kantteekening op de Statenvertaling oppert deze verklaring. Ridderbos denkt aan Ninevé, hier als vrouw voorgesteld, die van haar heerlijkheid ontdaan, weggevoerd wordt: het volk wordt in ballingschap weggevoerd. Hij vertaalt Hussab met: het is bepaald — Calvijn denkt aan den staat, waarin het koninkrijk verkeert. De bedoeling is duidelijk : Het is uit met Ninevé's macht. Ten teeken van diepe rouw slaan zich de dienaressen op de borst. Donker en somber is het beeld, dat de ondergaande stad vertoont. Zooals uit een watervijver het water wegloopt, zoo loopt de stad leeg. Onder den verpletterenden indruk van 's vijands overmacht maakt een panische schrik zich van de inwoners meester (cf Goslinga). Het wordt een algemeene uittocht. Men tracht de menschen staande te houden om orde te krijgen in de chaos, maar niemand luistert. Ieder zoekt het veege lijf te bergen.

Na het beleg komt de plundering. Totaal wordt de stad leeggeplunderd, Ninevé moet over fabelachtige rijkdommen beschikt hebben. Er komt geen einde aan den voorraad ; de overvloed van kostbaarheden wordt.weggenomen. Wat een verlatenheid en ellende! De menschen sidderen en beven van ontzetting ; de knieën knikken ; krijtwit is het gelaat. Zoo wordt Ninevé overgegeven aan de lust der vijanden". Door een geheime aandrift Gods hebben de Babyloniërs de Assyriërs gestraft, omdat de Heere de wreedheid en hebzucht van Ninevé wilde bezoeken (Calvijn). Maar zijn dan — zoo vraagt Calvijn — de Babyloniërs te verontschuldigen ? Dat niet, maar de profeet toont, dat Ninevé niet toevalligerwijze door de vijanden beroofd werd, maar, omdat de Heere het onrecht. Zijn volk aangedaan, wilde wreken". De Babyloniërs gaven Gode niet de eer, maar de geloovigen moeten weten, dat dit alles geschiedt door de voorzienigheid Gods. Zoo moet het hun een klaar en zichtbaar getuigenis zijn van de Vaderlijke liefde Gods jegens Zijn Kerk, dat Hij de zaak van Zijn verdrukte volk ter hand neemt" (Calvijn). Ninevé krijgt loon naar werk. Ninevé waande zich zoo veilig, maar in een oogenblik tijds kan de Heere de harten zoo week maken, dat zij sidderen.

Nahum vraagt: Waar is nu Ninevé gebleven ? Waar is de woning der leeuwen ? De koningen van Assyrië waren leeuwen gelijk, die rooven en plunderen en in hun hol sleepen. De leeuw rooft voor welpen en worgt voor zijn leeuwinnen. Die met buit zijn woningen vulde en met roof zijn holen. Ninevé wordt dus als een leeuwenhol geteekend. Het koninklijke hof heeft geleefd van wat uit de onderworpen gebieden werd binnengehaald. Maar nu, de roover wordt op zijn beurt beroofd en de plunderaars kaal geplunderd.

De leeuw acht zich veilig in zijn hol. Wie waagt zich in het leeuwenhol door te dringen ? Groote rijkdommen mochten zij opeenstapelen, maar het zal alles vergaan! Dan nog rechtstreeks richt het woord des Heeren zich tot Ninevé. Eén ding moet het volk goed verstaan; Ninevé wordt niet getroffen door een noodlot; de stad heeft niet te doen met een onweerstaanbare menschenmacht van een overmachtigen vijand, maar het heeft met God te doen, met den Heere, die niets ongestraft laat. Ninevé's verwoesting Gods strafgericht. Zie, (vs 13) Ik wil aan u, d.i. Ik wreek mij op u (Smit), of Ik maak mij tegen u op (Obbink). Het vuur zal de wagens verslinden en het zwaard zal de helden wegmaaien. De stem van de afgezanten van Ninevé zal niet meer gehoord worden. Zij gingen rond om tribuut te vorderen van de onderworpen volken en het was niet weinig, wat binnengehaald werd. Had niet één van de 15 poorten van Ninevé den bijnaam van inbrenger van het tribuut der volken ? Gingen die gezanten niet rond om de volken op te eischen voor Ninevé en den wil op te leggen van den koning ?

Ninevé valt. Gods woord ging in vervulling. Alleen Gods Koninkrijk zal staan tot in der eeuwigheid!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Nahum, de Trooster.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's