UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.
De rechtvaardigheid is uit het geloof : niet uit de werken. Wie zijn Abrahams kinderen ? Vers 6—14.
De rechtvaardigheid is uit het geloof : niet uit de werken. Wie zijn Abrahams kinderen ? Vers 6—14. (XII) Vervolg vers 10.
Antwoord op de bedenkingen der tegenstanders van de leer der gerechtigheid uit het geloof. (Slot).
Het is wel zeer nuttig, dat degenen, die theologie studeeren, leeren om goed te onderscheiden tusschen de juiste opvatting van het woord „doen", en „doen" in huichelachtigen zin; tusschen „doen" in natuurlijk, en „doen" in geestelijk opzicht. Want degenen die goed onderscheiden, kunnen gemakkelijk alle plaatsen der Heilige Schrift oplossen, welke schijnbaar spreken van een gerechtigheid, die uit de werken is.
't Ware „doen'' is, zooals ik gezegd heb, het „doen", dat voortkomt uit het geloof, en dat theologisch van aard is. Iemand, die de gerechtigheid uit de werken zoekt te verkrijgen, kent dit niet.
Dientengevolge is iedereen, die zonder meer de Wet in acht neemt, alsmede elke werkheiHge vervloekt, omdat hij tegen God ingaat, door vermietel op eigen gerechtigheid te bouwen. Ook wil zoo iemand door eigen wil en menschelijk vernuft de rechtvaardigheid verkrijgen, doch op zoo'n manier vervult hij in den grond van de zaak de Wet niet, alhoewel het de schijn heeft, dat hij zulks inderdaad doet.
Paulus noemt dit „onder de werken der Wet zijn". Dat wil zeggen: de geveinsden doen de Wet wel, maar hun „doen" is geen „doen" in den werkelijken zin van het woord. Zij verstaan „doen" namelijk in natuurlijken trant, welke opvatting in de theologie niet geldt.
Ik herinner er hier nogmaals aan, dat de uitspraken der Heilige Schrift, welke onze tegenstanders aanvoeren aangaande het doen der werken en de belooning daarop, steeds theologisch moeten worden verklaard en uitgelegd.
Laten wij hen, die bedenkingen opperen tegen de leer der gerechtigheid uit het geloof, eenvoudig antwoorden : hier is Christus, en daar hebt ge de getuigenissen der Heilige Schrift, die handelen over de Wet en de werken. Christus is echter de Heere, die staat boven de Schrift en de werken; ook is Hij de Heere over hemel en aarde, over den tempel, den Sabbath, de gerechtigheid, het leven, de gramschap, de zonde en den dood. Hij is Heere over alles, en van Hem zegt de apostel Paulus, dat hij zonde en een vloek voor ons geworden is. En uit de Schrift verneem ik, dat ik op geen andere wijze van zonde, dood en vloek verlost kan worden, dan door Christus' dood en bloed.
Zoo kan ik tot de stellige en zekere conclusie komen, dat Christus zelf aan Zijn eigen lichaam mijn zonde, mijn dood en mijn vloek heeft moeten overwinnen, en niet mijn werken of de werken der Wet.
Is iemand niet voldoende onderricht, om de plaatsen der Heilige Schrift, die over de werken gaan, met elkaar in overeenstemming te brengen, en kan hij de bedenkingen van onze tegenstanders niet weerleggen, en moet hij toch hun opmerkingen aarihooren, — laat hij dan eenvoudig antwoorden : gij bedient u wel van de Heilige Schrift, maar niet van het geheele Woord van God. Ook neemt gij het voornaamste niet in aanmerking, doch gij bepaalt u tot enkele uitspraken. Ik echter, ik houd het bij den Heere, die de Koning der Schrift is, die ook mijn Verdienste en mijn Losgeld is ten bate van mijn gerechtigheid en zaligheid. Hem houd ik vast, en Hem hang ik aan. En houd gij uw werken maar. Deze overtuiging kan noch de duivel, noch een werkheilige mij ontnemen of betwisten. Wanneer ge een en ander zoo ziet, dan zijt ge veilig voor het aangezicht Gods. Want uw hart zal dan voortdurend op het juiste doel gericht zijn, namelijk op Christus, die gekruisigd en een vloek geworden is : niet om zichzelf, maar om onzentwil, gelijk geschreven staat: „Christus heeft ons verlost van den vloek der Wet, een vloek geworden zijnde voor ons" (Galaten 3 vers 13).
Leg op dezen tekst steeds allen nadruk, en houd u aan haar vast, ze stellende tegenover allerlei uitspraken, die u voorgehouden worden over de Wet en de werken.
En zeg tot den Satan: „Hoort ge het ? " Hij zal 't dan niet langer kunnen uithouden, omdat hij wel weet, dat Christus zijn Heer is.
En dat niemand door de Wet gerechtvaardigd wordt, is openbaar, want de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Vers 11.
Hier hebben we een ander getuigenis, ontleend aan den profeet Habakuk. Het is een zeer belangrijke en duidelijke uitspraak, welke Paulus stelt tegenover alle teksten, die over de Wet en de werken handelen.
Het is als wil hij zeggen: wat heeft het nu voor zin, om over deze kwestie zoo lang te redekavelen. Hier hebt ge toch wel een buitengewoon klaar bewijs uit de profeten, waar niemand iets van af kan doen.
De rechtvaardige zal uit het geloof leven! Wanneer hij uit het geloof leven zal, dan leeft hij niet uit de Wet, want de Wet is het geloof niet. En Paulus gebruikt hier toch duidelijk het woord „geloof". En hij bezigt het, om de tegenstelling mei de Wet en de werken te doen uitkomen.
De Sophisten, die altijd gereed staan, om de Schrift te verdraaien, merken over dezen tekst spitsvondig op : het is wel waar, dat de rechtvaardige uit het geloof leven zal, maar bedoeld is : een krachtig en werkzaam geloof, oftewel een geloof, dat door de liefde opgesierd is. Is het geloof niet van zoodanigen aard, zoo zeggen zij, dan kan het niet rechtvaardigen.
Dit voorbehoud hebben de Sophisten echter zelf verzonnen, en zij doen daardoor des profeten woord geweld aan.
Hadden zij onder het ware geloof het waarachtige, theologische geloof verstaan, dat door Paulus „ongeveinsd" genoemd wordt, en dat door God alleen „geloof in den eigenlijken zin van het woord genoemd wordt, dan zouden zij dit voorbehoud niet bedacht hebben, en dan zou het mij nu niet ergeren.
Zij zouden het ware geloof dan ook niet plaatsen tegenover de liefde, doch tegenover een verkeerde opvatting van het geloof, gelijk ook wij onderscheid maken tusschen een waar en een valsch geloof.
Een valsch geloof is een geloof, dat over God, over Christus en over alle verborgenheden der menschwording en der verlossing hoort spreken, en daar ook zelf mooi over weet te praten, en dat toch in den grond van de zaak niet méér is, dan inbeelding. Zulk een hooren is ijdel geweest, want het Evangelie laat in 't hart slechts een flauwe echo na. Zoo iemand bazelt dan ook maar wat over het Evangelie. In waarheid is dat dus geen geloof, omdat 't het hart niet vernieuwt of verandert; het brengt geen nieuwen mensch voort, doch laat hem in zijn vroegere opvattingen en wandel begaan.
Zoo'n geloof is uiterst verderfelijk, en het zou beter zijn, wanneer men er in 't geheel geen geloof op nahield.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's