Uit de kerkelijke Pers.
Boodschappen.- Nationaal herstel.
Boodschappen.
Er zijn al heel wat boodschappen de wereld ingezonden.
Boodschappen van staatshoofden, waarvoor aller belangstelling werd gevraagd en opgewekt. Maar ook boodschappen van een of andere evangelisatiekring, welke met de kerkelijke hoogtijden. Kerstfeest, Paschen, Pinksteren, de van de Kerk vervreemden eene boodschap liet thuis bezorgen om zoo op deze wijze te getuigen van de groote daden Gods.
In de laatste maanden hebben wij een paar boodschappen van de Synode der Ned. Herv. Kerk ontvangen. De laatste boodschap, welke ons allen reeds bekend kan zijn, zullen we hier nu niet laten afdrukken. Maar wel willen we opnemen wat het Weekblad van de Nederl. Herv. Kerk om te onderstrepen als kort uittreksel van die boodschap er onder plaatst:
„In de Boodschap der Synode wordt alzoo over de navolgende twaalf onderwerpen gehandeld:
1. De zonde der Kerk.
2. De eenheid der Kerk.
3. De Boodschap der Kerk.
4. De Kerk en de Zending.
5. De Kerk en de Jeugd.
6. De Kerk en de Barmhartigheid.
7. De Kerk en de Wereld.
8. De Kerk en de Overheid.
9. De Kerk en de Vrijheid.
10. De Kerk en de School.
11. De Kerk en de Zondag.
12. De Kerk en de Toekomst.
In de sub-commissie Kerk en Pers van „Kerkelijk overleg" wordt ernstig overwogen, op welke wijze naar deze richtlijnen verder zal worden gehandeld".
Deze twaalf onderwerpen zijn stuk voor stuk onze aandacht ten volle waard. En een Kerk, die hare roeping verstaat, zal met ieder der genoemde onderwerpen heilige ernst hebben te maken. In verband met de toestand in onze Ned. Herv. Kerk viel ons oog speciaal op punt 1 en punt 3.
De zonde der Kerk en de Boodschap der Kerk.
De zonde der Kerk. Wat wordt daarmee nu feitelijk bedoeld ? Misschien zal de subcommissie hierover nader licht ontsteken, maar uit de synodale boodschap worden we althans niet veel wijzer. Daarin wordt toch gezegd : „In diepen ootmoed wil zij met de Kerk haar zonde belijden tegenover haar Hoofd en Heer". De vraag blijft dus : welke is de kerkelijke zonde ? Zal over deze vraag een ondubbelzinnig, eenparig oordeel in de Kerk zijn te verkrijgen ? Niemand, die het gelooft.
Daarom komen we met dergelijke algemeenheden ook niet verder. Want het is waarlijk niet ondenkbaar dat, wat de een als zonde der Kerk ziet, de ander als vooruitgang der Kerk zal waardeeren. De een zal zeggen en belijden : dit is onze zonde, dat wij niet geleefd hebben naar Woord en Belijdenis, terwijl de ander zal zeggen, dat het juist de zonde der Kerk nog is, dat niet op alle plaatsen de strengen der belijdenis zijn losgemaakt en de zoo noodige en voor het volk zoo heilzame ruimheid wordt betracht. Wèl moet alle farizeïsme hier verre zijn van een ieder.
Het „ik ben heiliger dan gij" moet van niemands lippen worden vernomen. Want wie zou vrij uitgaan! We moeten allen voor God in de schuld! Deze roep aanvaarden wij ten volle, mits ze geheel goed wordt bedoeld. Want we kunnen ons niet ontworstelen aan de indruk, dat deze uitspraak vaak gebruikt wordt om te zeggen : de zaak, waarvoor gij staat, dat n.l. de Schrift en de Belijdenis hare toekomende plaats moet hebben, is óók niet in orde ! En dat zullen we blijven ontkennen. Die zaak is volkomen in orde. Heeft tenslotte alleen bestaansrecht in Christus' Kerk.
De schuldbelijdenis geldt dan ook niet deze zaak als zoodanig. Maar ze geldt de onvolkomenheid, de lauwheid, de ontrouw, waarmee ze werd behartigd! En 't smeekgebed paart er zich aan : „Heere, gun leven aan onze ziel, opdat we er meer naar staan mogen. Vermeerder het volk dat hiernaar jaagt door de kracht Uws Geestes".
Daarentegen kunnen er andere doelstellingen zijn, welke naar het Woord Gods ten eenenmale geoordeeld zijn. Al wordt er dan ook voor gewerkt met inspanning, met talent, met groote getrouwheid. Dit is inderdaad zondig en onwaarachtig en onwaardig, wanneer elkaar uitsluitende prediking in een en dezelfde Kerk gebracht kan worden. En het is niet onwaarachtig en onwaardig, wanneer de Kerk tucht oefent op het gebrachte Woord. En eischt dat dit in overeenstemming zal zijn met de leer der Kerk. We hebben dit in onze tijd vast te stellen en vast ts houden. Want wat moet er anders terecht komen van de Boodschap der Kerk ? Moet die haar hoogtepunt vinden in de liefde jegens elkander, alsof die liefde een opzichzelfstaande grootheid ware ? Die liefde wordt bepaald door het geloof, en het geloof is er door de Prediking des Woords en de werking des Geestes ! En als het over 't geloof gaat, dan heêben we niet tevreden te zijn met wat gelijkluidende woorden en termen. Als we de naam Christus in een geloofsgetuigenis lezen, dan hebben we maar niet te zeggen : nu is het al in orde. Neen — we zullen de worsteling, die hierover gestreden is, niet als onnut aan de kaak stellen en als belachelijk voorstellen door te doen alsof het alles wel op hetzelfde neerkomt. We kunnen met een zekere waardeering constateeren dat in sommige kringen, waar zulks vroeger niet werd aangetroffen, gesproken wordt over de noodzakelijkheid van binding aan Schrift en belijdenis — maar laten we niet over 't hoofd zien dat zoowat iedereen wel geneigd blijkt te zijn om te zeggen dat alles geschieden moet overeenkomstig of uitgaande van Schrift en belijdenis. Laat ons hier nuchter zijn en blijven. Bij dezelfde woorden kan er een hemelsbreed onderscheid in overtuiging zijn. We moeten maar eens zien wat Harnack maakt van de rechtvaardigingsleer bij Luther, terwijl hij toch wel meent Luther's meening weer te geven. Hier moet strikte eerlijkheid zijn. En geen vulling van woorden, welker beteekenis historisch vaststaat, met geheel andere inhoud. Daarom, zal er iets van terechtkomen, dan moet èn voor zonde-belijdenis èn voor boodschap der Kerk èn voor al die andere punten geleefd worden, kerkelijk, naar het Woord Gods. Dan kan er van de Kerk nog rijken zegen uitgaan voor het volk.
Over de beteekenis der Kerk voor
Nationaal herstel
heeft Ds H. G. Groenewoud gesproken op de vergadering der Confessioneele Vereeniging. Dit referaat is in zijn geheel opgenomen in de Gereformeerde Kerk van 31 October 1940. Sterk wordt hier het pleit gevoerd voor de ware volkskerk, en niet voor de caricatuur van eene volkskerk. Deze ware volkskerk „is de gemeenschap der christgeloovigen in het volk; tot haar behooren dus niet, zonder meer, alle leden van dat volk, omdat ze tot het volk behooren. Haar taak is, niet het volk, maar Christus Jezus te belijden en Zijn genade en heerlijkheid te verkondigen. Haar belijdenis en prediking zijn de zuivere, reine, rechte prediking van het volle Woord des Heeren, naar de boeken van het Oude en van het Nieuwe Testament." „Zij heeft de neiging, en spant zich in, het geheele volk te vereenigen om Jezus Christus en te verbinden aan Hem, in de vreeze deS Heeren. De Volkskerk leeft in het volk, predikt tot het geheele volk, licht het volk met het licht des Woords voor, bewaart het voor verderfelijke invloeden. Door de Volkskerk betoont Christus Zijn ontferming over de scharen, die anders zouden dwalen als schapen, die geen herder hebben. Bij het herstel der Kerk zal het dan moeten gaan om herstel van de functie harer belijdenis in onderworpenheid aan haars Heeren Woord èn om herstel van de eenheid der Kerk. In dezen tijd schijnt er ook weer aanleiding toe te zijn om het woord van Groen aan te halen dat in zijn tijd het beslissingspunt voor het al of niet behooren tot de Kerk verlegd werd van de belijdenis naar de organisatie. Wie dan tot de organisatie behoorde, werd geacht tot de Kerk te behooren. Terwijl Groen er de nadruk op legde, dat de eenheid van belijdenis de grondslag was voor kerkelijke eenheid. Voorts wordt er dan op gewezen dat Kerk en volksleven bij en sinds den oorsprong onzer nationale zelfstandigheid nauw verbonden zijn geweest. Bilderdijks woord wordt geciteerd: „Met de Kerk is onze Staat opgekomen ; met haar is hij groot geworden ; met hare beroeringen is hij t' allen tijde geschokt; met haar heeft men hem ten val zien neigen; en met haar vernietigen." De Nederlandsche natie zal dan ook haar voornaamste steunpunt missen, als ze van de Kerk werd gescheiden. Voor nationaal herstel wordt de Kerk onmisbaar geacht. Hier komt het er maar op aan wat verstaan wordt onder nationaal herstel. Dit is dan niet nationale grootheid in den zin waarin dit algemeen wordt opgevat. „Voor ons is het dit, dat de Nederlandsche natie terugkeert tot haar oorspronkelijke beginsel; tot datgene wat haar kracht en steun is; tot haar eigenaardig kenmerk, haar karakter ; en dat is : de zuivere Christelijke, Gereformeerde religie ; het is : de vreeze des Heeren. Daarin alleen is echt nationaal herstel; en hiertoe is de Kerk onmisbaar. De Kerk zal op dit keerpunt haar leidende functie in het Nederlandsche volksleven moeten hernemen ; wel te verstaan zóó, dat zij op het terrein van haar speciale taak blijft."
Men verstaat, waar het ons bij het weergeven van enkele gedeelten van dit referaat om te doen is. We gaan nu niet in op de naam „Volkskerk" en wat daaronder verstaan wordt. Wie, hierover iets lezen wil kan terecht in een brochure van Dr Kromsigt: „Tweeërlei Volkskerk", een brochure van Ds M. van Grieken „Gereformeerde niet Volkskerk". Bovendien wijdt ook Prof. Severijn hieraan enkele bladzijden in Kerk en Staat. Maar 't is ons nu te doen om uit te laten komen de beteekenis der Kerk in het midden van het volksleven, ook in onzen tijd. 't Is echter duidelijk, dat we dan al heel weinig kunnen beginnen met kerkelijke toestanden, zooals wij die thans hebben. En met een organisatie, zooals de Ned. Herv. Kerk die heeft. Neen „we wenschen een uit de plaatselijk-belijdende Kerken opgekomen Nationale Kerk, die haar belijdenis zuiver houdt en die in het midden van héél ons volk zal wezen een stad op een berg, die niet verborgen kan zijn". Vandaar dringt nu meer dan ooit de noodzaak dat allen van Gereformeerde belijdenis ook kerkelijk Gereformeerd kunnen leven.
Met Prof. Severijn zeggen we — zie Kerk en Staat, bldz. 108, 112 — , Hoeveel meer kracht zou er van ons Gereformeerde volk kunnen uitgaan, indien het ook kerkelijk Gereformeerd kon leven. Juist door de verdeeldheid der Gereformeerde Kerken, kan zij zich niet uitspreken, terwijl dit op zoovele punten noodig is. Vele vraagstukken kwamen in het proces der geestelijke ontwikkeling op, die om o'plossing vragen in het licht van Gods Woord. Doch zoolang de Kerken, die zich aan de positieve belijdenis van den Christus der Schriften vasthouden, geen weg vinden om als geheel zich daaromtrent uit te spreken, blijven wij in de verwarring en onzekerheid." ,,Het Gereformeerd kerkelijk leven in ons vaderland kan daarom niet tot nieuwen en generalen opbloei komen, tenzij het kerkelijk vraagstuk in de Hervormde Kerk tot oplossing wordt gebracht".
Welnu — hiervoor moet gedaan, wat de hand vindt om te doen. Hiervoor moet des Heeren Geest worden afgebeden. Alleen zóó zal er een krachtige invloed van de Kerk kunnen uitgaan op het volk, om dat volk te leiden tot ware geestelijke vernieuwing, tot de ware vreeze des Heeren.
Over Jeruzalem heeft Jezus eens geweend en het oordeel moest uitgesproken worden: Uw huis worde u woest gelaten. En we zeggen: ontzaglijk, en toch, geen wonder, want in dat Jeruzalem was een tempel, die men gemaakt had tot een huis van koophandel, tot een moordenaarskuil. Wat moet er dan van het volk worden. God make allen, die Sion liefhebben, getrouw, opdat er geleefd worde naar het Woord des Heeren en in het Huis des gebeds een schuldbelijdend volk, weerkeerend tot Hem, Zijn Aangezicht zoeke.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's