MEDITATIE
DE KLOPPENDE CHRISTUS
Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Openbaring 3 vers 20a.
DE KLOPPENDE CHRISTUS.
Bij het lezen van deze laatste der zeven brieven, door Christus aan de gemeente van Laodicea gericht, komt ons als vanzelf het woord voor den geest: „In Zijn toorn gedenkt Hij des ontfermens". Wel vindt ge dat in zekere mate aan alle gemeenten bevestigd, maar in Laodicea ziet ge de gerechtigheid Gods met Zijn genade wel op het innigst verbonden. Immers geen toestand werd er in één der gemeenten gevonden, zóó bedroevend, als hier door de onaandoenlijkheid en lauwheid, waarin de gemeente is vervallen. En daarom is ook schier nergens een zóó ernstige dreiging, een zoo vernederende bestraffing vernomen. Christus laat, bij monde van den apostel Johannes, de boetbazuin onder de christenen van Laodicea uit alle kracht dreunen. Maar juist omdat de gemeente zóó diep is vervallen en Hij haar toch niet wil loslaten, wordt ook nergens de evangelieharp zoo vol teederheid getokkeld. Aan het verst afgedwaalde reikt Christus hier ook het sterkste genadekoord toe. Ja waarlijk, waar de zonde meerder is geworden, is ook de genade overvloediger geweest. Hoe vreeselijk zal 't daarom zijn, indien aan zoo dringende roepstem geen gehoor wordt gegeven. Zoo er één geest is in de gemeente van Christus die Hem tegenstaat, dan is het wel die, welke in Laodicea wordt gevonden. En daarom : „Wie ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt".
De Zelfaankondiging van den Heiland, in het begin van dezen, brief aan Laodicea, is reeds een gloedvol getuigenis op zichzelf. Hij kondigt Zichzelf aan als de „Amen", als Degene in Wien alles waar en zeker is, Die de beloften, maar Ook de bedreigingen gewis en zeker zal doen komen. Hij is de Getrouwe en de Waarachtige, enkel Waarheid, de dingen zeggend zooals ze waarlijk zijn. Des te aangrijpender is echter, na zulk een aankondiging van Zichzelven, het vlijmend oordeel dat als het zwaard Zijns monds de gemeente treft: „Ik weet uwe werken, dat gij noch koud zijt, noch heet; och, of gij koud waart of heet! Zoo dan, omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet. Ik zal u uit mijnen mond spuwen". Neen, Laodicea behoorde niet bij de kouden, die zich in openlijke vijandschap tegen Christus stellen. Maar evenmin behoorde zij bij de heeten, bij wie op het altaar des harten het liefdevuur brandende is. Onder haar was alles rustig en stil, immer gelijkmatig. Niet heet en niet koud, maar lauw. Doch ziet, hoe lauwer de gemeente wordt, des te dieper buigt Christus Zich tot haar neder. Eeuwige armen der ontferming worden tot haar uitgebreid: „Ik raad u, dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden, en witte kleederen, opdat gij moogt bekleed worden en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uwe oogen met oogenzalf, opdat gij zien moogt". Hij biedt aan, wat de gemeente juist mist. Koopen ?
Maar zij hebben niets, zij zijn immers arm ? Ja, en toch : koopen. Koopen met het niets van henzelf. Die met niets komt, zal alles van Hem ontvangen. Met welk een rijke zondaarsliefde komt Hij nog tot dezulken, die Hij toch geenszins noodig heeft! En bovendien : de raadgevende Christus is ook een roepende Christus. Nog duidelijker wil Hij te kennen geven hoe Hij alles er op zet om haar te behouden. „Zie", zegt de Heiland ook : „Ik sta aan de deur en Ik klop". Welk een opzoekende genade staat hier voor ons! Met onwaardeerbaar geduld staat Hij aan de deur des harten : „Zie Ik, de Heiland, sta aan de deur en Ik klop". Het geestelijk leven van Laodicea is immers één groote vergissing. Het waant zich christelijk, maar Christus is er niet. En toch, als de gemeente steeds maar lauwer tegenover Hem wordt, dan nóg laat Hij haar niet los. Ook dan nog toont Hij geen lust te hebben in haren dood: „Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop". Als we dit woord letterlijk vertalen, kunnen we ook lezen : „Zie, Ik ben gaan staan aan de deur, en Ik ben steeds maar bezig met kloppen". Christus spreekt niet deze woorden Zijn ernstige wil uit om de gemeente te redden van een gewis verderf. O, Laodicea, hoor en versta het en laat u ontgloeien: Al zijt gij lauw tegenover Mij, Ik ben niet lauw tegenover u ; al zijt gij liefdeloos. Ik. ben niet zonder liefde voor u.
Zie, mijn lezer, welk een liefde openbaart Christus hier aan dezulken die Hem in zelfvoldoening den rug hebben toegekeerd. Welk een rijke prediking is er in deze woorden gelegen. Want zouden er, wat de geestelijke lauwheid betreft, niet zulke groote gevaren dreigen, óók voor ons ? Wij hebben elken Zondag weer de gelegenheid om het evangelie der genade te hooren. Wij kunnen, altijd weer, de boodschap des heils beluisteren. Maar juist dan wordt het gevaar van lauwheid zoo groot. Immers de klanken daarvan, de klanken van gericht en genade, wij zijn er zoo bekend mee, vaak van onze vroegste jaren af. Doch ziet, juist die lauwheid is het wat Christus met zulk een afkeer vervult. Die lauwheid, waardoor wij niet verschrikken voor Zijn dreiging, en niet getrokken worden door Zijn lokstem, dat is het juist wat Zijn toorn doet ontbranden. Neen, Christus toornt noozï op de zoekers en tobbers, maar op de lauwen. Op allen die lauw zijn in het belijden, ook onder ons. Op allen die lauw zijn in het bidden. Die lauw zijn als het gaat over de zonde, waarmede wij den Geest bedroeven, als het gaat over de genade waarmede God zich tot ons wil nederbuigen. En ziet, ook nu zegt Hij het tot dezulken, óók onder ons : „Zoo dan, omdat gij lauw zijt en noch koud, noch heet. Ik zal u uit Mijnen mond spuwen". Welk een fel en niets ontziend woord. En toch mogen wij zeggen, dat dit harde woord ook nu nog is omspannen door het evangelie der genade. Neen, Christus schept er geen vreugde in om de lauwen uit te spuwen, evenmin als zulks het geval was in Laodicea. Integendeel, de Heiland wéénde over Laodicea en Hij weent ook nu nog over al uw lauwheid en ongevoeligheid tegenover Hem. Christus heeft geen lust in den dood van den zondaar, maar daarin, dat hij zich van zijn lauwheid bekeere en leve. Ook thans laat Hij op Zijn zoo fel woord nog volgen: „Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop". Ook bij u, lezer, die meent nog buiten Hem te kunnen, staat de Heiland aan de levensdeur en zegt Hij: „Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop". Ja, Christus weet dat er buiten Hem nog zoovele anderen zijn die aankloppen aan de deur van ons hart, terwijl zij een gretig gehoor vinden. De zonde, het zoeken van eigen eer, dat alles hooren wij van nature terstond aankloppen, behalve Hem. En toch heeft Hij in Zijn zoo groote zondaarsliefde, om ons te redden van een gewis verderf, ook plaats genomen onder die allen, en Hij klopt. Hij klopt steeds maar door. Onvermoeid doet Hij allerlei roepstemmen tot ons, vol liefdevolle vermaning, uitgaan. Hij klopt, als wij de pralende pracht der natuur aanschouwen en Hij roept het ons toe : Ik ben de Heerlijke. Hij klopt, als wij de teekenen van onzen tijd aanschouwen en Hij roept het ons toe : Ik ben de Rechtvaardige. Hij klopt als de stem van ons geweten spreekt en Hij roept het ons toe : Ik ben de Alwetende. Maar bovenal klopt Hij als de volle Raad Gods ter zaligheid ons wordt gepredikt en dan zegt Hij het tot ons allen: Ik ben het, die alleen uw zonden kan uitdelgen als een nevel.
Ach, hoe diep moesten wij ons schamen dat wij dat kloppen zoo vaak niet opmerken, en ook hierover, dat wij zoo spoedig, nadat wij werden opgeschrikt, ons weer uitstrekken op het leger der valsche gerustheid. Gelukkig echter dat Hij niet wacht tot wij ons eerst tot Hem wenden. Neen, Hij is ons vóór en klopt nog eens en telkens weder. En dat niet, omdat Hij ons van noode heeft, maar alleen omdat Hij weet dat gij, buiten Hem, zult wegzinken in den eeuwigen nacht. Omdat Hij ziet, wat gij van nature niet bemerkt, omdat Hij ziet dat de nacht van den eeuwigen dood zijn schaduwen reeds over u laat vallen. Daarom juist klopt Hij aan bij u, lauwe en koude christen. Want die nacht, waar gij in vertoeft, wil Hij nog verdrijven door Zichzelf, die het Licht der wereld is.
Ziedaar, mijn lezer, de liefde van den kloppenden Heiland aan de deur uws harten. Doch nu zij deze vraag u om uws levenswil gesteld: Hoe staat gij tegenover dien kloppenden Christus ? Mocht gij Hem door genade reeds opendoen ? Werdt gij reeds door de werking des Geestes gewillig gemaakt om Hem in te laten ? Werd uw hart reeds voor Hem geopend, gelijk eens het hart van een Lydia ? Welgelukzalig zijt gij, indien gij het buiten Hem niet kou houden, indien het uw harteroep werd :
„Geef mij Jezus of ik sterf, buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf". Welgelukzalig wie tot Hem leerde uitgaan, tot Hem leerde vlieden in waarheid. Maar indien gij Hem nog niet noodig leerdet krijgen, indien gij nog nimmer acht hebt geslagen op Zijn kloppen, bedenk dan wat tot uwen vrede alleen dienen kan. Bedenk het: buiten Hem wacht u een eeuwigen nacht. Zoek Hem dan nog terwijl Hij te vinden is, roep Hem aan terwijl Hij nabij is. Belijd Hem dan nog de lauwheid en onaandoenlijkheid uws harten. Smeek dan nog om dien Geest, die ook in u nog wil werken de overtuiging van zonde en schuld, maar ook de oprechte bede : Heere Jezus, verbreek Zelf de koperen deuren en spreek ook tot mij : „Heden moet Ik in uw huis zijn". Ook nu nog, mijn lezer, komt Hij ook tot u en klopt Hij bij u aan. Doch eens gaat Hij heen, voor altoos, en zullen wij moeten luisteren, wanneer het ons zal tegenklinken: „Zie, de Rechter staat voor de deur".
Wee ons dan, indien wij op zoo groote zaligheid geen acht zullen hebben gegeven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's