Uit de kerkelijke Pers.
Ambtsglorie en Ambtstrouw.--De ambts-opleiding.
Ambtsglorie en Ambtstronw.
In één der kerkelijke bladen lazen we de uitdrukking, dat voldoening in den ambtelijken arbeid niet zoozeer ligt in de ambtsglorie als wel in de avahtstrouw. Het was in een verwijzing naar het onlangs verschenen boek van Prof. M. van Rhijn, Gemeenschap en Vereenzaiming, een studie over J. J. van Oosterzee, dat deze opmerking werd gemaakt. In dit boek zien we n.l. Van Oosterzee ook als de gevierde prediker. Te Rotterdam b.v. moest men, als Van Oosterzee optrad, vroeg aanwezig zijn, anders was er geen plaats te verkrijgen. Als V. O. in een namiddagbeurt optrad, dan had de collega, die 's morgens in diezelfde kerk preekte, een goed gehoor, want de menschen bleven dan gewoon in de kerk zitten, om zeker te zijn van een goede plaats. Hij had honderden catechisanten. Overal, waar hij optrad, was het tot benauwens toe vol. Vanuit Rotterdam schreef hij aan Da Costa: „Mijn toeloop blijft dezelfde, wat het cijfer betreft — de kerken meestal meer dan vol, en altijd ben ik in dat opzigt primus inter pares'. En toch moeten we nu niet denken dat Van Oosterzee hierdoor een aangenaam, opgewekt leven had. Integendeel. We zien in zijn leven voortdurend dat iets begeerd wordt, en als het bereikt is, komen de teleurstellingen. Bij het lezen denkt men wel eens aan de regels :
Ieder woelt hier om verand'ring En betreurt die dag aan dag; Hunkert naar hetgeen hij zien zal, Wenscht terug 't geen hij eens zag.
Als hij in Rotterdam is, hooren we hem zeggen: Och, dat mij nog eens een deur geopend werd om uit Rotterdam te komen. Vooral tijdsgebrek om te studeeren drukte hem zwaar. Hij schrijft aan Da Costa : „Gij kunt niet begrijpen hoe ik hier werken moet. Nu eens een uurtje tusschen een paar vergaderingen of catechisaties, dan een enkele morgen in een week vol homiletische of pastorale zorgen, straks weder enkele dagen aaneen, nadat er verscheiden weken daarvóór of daarna niet aan gedacht worden kon". „Dat ik van wat men toejuiching en bewondering noemt, reeds lang verzadigd ben, zult gij mij wel het regt aandoen te gelooven. Ik heb iets anders noodig, — kalmte, rust om te denken, te werken, te ontwikkelen, en met een goed geweten te kunnen vaststellen, waar ik sta en staan kan in deze zoo belangrijke dagen''. En aan Schotel vertelt hij, dat hij geheel in „een preek- en visite- en catechiseer- en vergader- en draef- en knormachine verandert.
Nu is het waar, dat verschillende factoren een dergelijke „stemming" hebben doen ontstaan, maar het blijkt toch zonneklaar, dat ambtsglorie het geluk niet aanbrengt. Dit nu geldt onverminderd in onze dagen. Wie het fundament van zijn geluk, van zijn goede zielsgesteldheid zou willen leggen in toestroomende, toejuichende scharen, hij zal bedrogen uitkomen. Naar buiten mag er dan het blinken zijn van goud, anderen mogen den bewierookte benijden, maar de bewierookte zelf kan nauwelijks vele zijner klachten binnenhouden. Neen, de ambtsglorie doet het hem niet. Wat blijven we innerlijk arm, als we het daarvan verwachten, als we daarop uit zijn. Dan grijnst achter de krans der vereering de donkere leegte en de innerlijke onvoldaanheid. Dan komen er oogenblikken, waarin het sterk gevoeld wordt — op deze glorie kan ik mijn levenshuis niet bouwen, neen, dat levenshuis kan alleen rusten in de glorie van den grooten ambtsdrager Christus Jezus, die de weg ging waarop Hij door God en menschen verlaten werd.
Er moet veel meer oog zijn voor de noodzakelijke ambtstrouw, op iedere plaats en op iedere tijd, waar God ons roept. Door allerlei omstandigheden zal dit niet steeds even scherp op ons afkomen. Men kan door God op een plaats gezet zijn waar men uit de volheid des harten danken kan dat wij daar mogen arbeiden. Maar 't is ook mogelijk ergens te zijn heengeleid waar de dagelijksche bede wel bijzonder oprijst : Heere, ik weet dat ik hier zijn moet, maar geef me kracht om hier staande te blijven, anders bezwijk ik.
Toch, hoe dit ook zij, onze ziel zal eenigszins getroost kunnen zijn, niet als wij door menschen wel getrouw worden geacht, maar als we voor den Heere, Wien wij rekenschap hebben te geven, het mogen belijden : Heere, Gij weet alle dingen, mijn ambtelijke zonden, mijn ambtelijk tekort, maar Gij weet toch ook dat ik mijn tijd besteed in het mij toebetrouwde werk, naar de krachten die Gij mij verleent.
Dit getrouw zijn in het kleine, in het onopvallende, in het niet door menschen geziene, is niet gemakkelijk. Daartoe hebben wij noodig de kracht des H. Geestes. Veel gemakkelijker is het getrouw te zijn in datgene, waardoor wij gezien worden en op den voorgrond treden en een naam verwerven mogen. Maar op dat getrouw zijn over de geheele linie komt het aan, zooveel in ons vermogen is. 't Is niet naar het vleesch om stil, getrouw, voor Gods Aangezicht onzen weg te gaan. Da f is een vrucht van Gods genade — om dan bij alle arbeid te zeggen: Ik ben een onnutte dienstknecht. Maar 't is ziels verrukkend en hartsterkend als dan de ervaring in 's Heeren dienst mag opgedaan worden dat de Heere vriendelijk op ons neer ziet, onze ontrouw toedekt in den eeuwig trouwen Hoogepriester, Die het zeggen kon: Ik heb voleindigd het werk dat Gij Mij gegeven hebt en Hij ons in Hem ook voor ons werk een blijk van Zijn goddelijke gunst komt schenken.
De ervaring, dat we het in de glorie niet vinden kunnen, gebruikt de Hesre om het ons te doen vinden in de zaligheid van Zijn liefdedienst, in de groóte genade voor Hem te mogen werken. Laat ons mogen arbeiden, stil, getrouw, wars van menschenbehagerij en toejuichingen der schare, alleen vragend : Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal.
Hiermede is echter allerminst goed gepraat , ieder roepen: Ziet ge wel, in de ambtsglorie zit het hem niet Ach, wordt dit geroep ook niet vaak gehoord uit de mond dergenen die deze glorie missen, maar ze toch zoo vurig begeeren ? Die zelfs nijdig worden op degenen die met deze glorie zijn bedeeld? Dan hebben we 't altijd over de „groote hanzen'' en „adellijke heeren" — maar o, als we 't zelf eens waren. Men wil er dan zelfs leege kerken mee goed gaan praten. Ja, de „waarheid" kan er zelfs nog bijgehaald worden. De menschen willen dan de waarheid niet meer hooren !! Maar als bij diezelfde persoon de kerk eens vol werd, en voller, wat dan ? Wel, dan staat het zoo — zegt men — dat de menschen toch. nog wel weten waar waarheid te hooren is! We hebben oprecht te wandelen voor het Aangezicht des Heeren. En bij alles te vragen naar het Koninkrijk Gods. Vooral ook bij onze ambtelijke arbeid. De getrouwmakende genade vermenigvuldige zich, ook in deze tijden, over ons allen. Wil de Heere er glorie bij geven, 't zij ons een gunst van Hem, die ons ootmoed en dankbaarheid leert. Naast de ambtsglorie en de ambtstrouw wordt ook de aandacht gevraagd voor :
De ambts-opleiding.
Prof. H. Kraemer wijdt hieraan een artikel in het Algemeen Weekblad. Het vraagstuk van de opleiding der predikanten krijgt volgens Prof. Kr. een nieuwe onderstreping voor een gezond en vernieuwd kerkelijk leven. In „Woord en Wereld" heeft Prof. Kr. uiteengezet wat z.i. noodig is om nieuwe beweging te krijgen in de vastgeloopen Reorganisatiebeweging. Ambtsdragers en leden der Kerk zouden zich tot de hoogste organen der Kerk moeten wenden met wenschen aangaande vitale vraagstukken van het kerkelijk leven. Principieele discussies zonder meer bergen het gevaar in zich dat zij, wanneer ze niet door iets anders vergezeld worden, de geesten verstijven of van elkaar verwijderen. De, evenals de principieele discussies, onmisbare plannen van actie om de principieele inzichten in de gemoederen uit te zaaien, zijn evenmin voldoende. Het aan de orde stellen van vitale vraagstukken is daarbij noodzakelijk, vraagstukken „die het ganse leven der Kerk raken en die, goed gezien, elk lid en elke gemeente tot in de gewone dagelijkse practijk aangaan".
Als een der vitale vraagstukken werd dan genoemd: de opleiding van onze predikanten. De heroverweging van de opleiding onzer predikanten moest als dringende vraag aan de Synode worden voorgelegd. Want Prof. Kr. is het met de uit spraak eens, dat Kerk en opleiding der predikanten één der urgentste vragen voor de Kerk is. Het kernpunt van het vraagstuk moet dan echter niet gezien worden in het groot aantal vakken dat de kerkelijke hoogleeraren hebben te onderwijzen. Het vraagstuk moet bezien worden „in het licht van de urgente reorganisatie der Kerk in de zin van een vernieuwing van het kerkelijk en geestelijk leven, principieel en organisatorisch". Reorganisatie in den dieperen zin des woords zal het best gediend worden door het aangrijpen van die vraagstukken, die het geheele kerkelijke leven raken en waarvan ieder ernstig gemeentelid gevoelt dat zijn Kerk en zijn gemeente er bij betrokken is. Hierdoor kan dan ook in het licht treden dat de predikantenopleiding naar vorm en inhoud past bij een vergane periode van ons cultureele en maatschappelijke leven. Daarmee wordt niet bedoeld de wereld van vóór 10 Mei. Bedoeld wordt dat de predikantenopleiding een weerspiegeling is van een kerkelijke, maatschappelijke en geestelijke toestand, die 100 jaar achter ons ligt. Deze kant wordt ook eerst voldoende belicht, wanneer ze gezien wordt „binnen het verband van het verlangen en streven naar een werkelijke vernieuwing van het kerkelijk leven".
De tijd waarin wij leven doet ons dan de urgentie van dit vraagstuk nog dieper aangrijpen. De Kerk wordt nu meer dan ooit geroepen duidelijk te maken dat zij dat lichaam is, waaraan de Heere de schat van het Evangelie heeft toebetrouwd. De Kerk moet klaarwakker zijn voor het feit dat zij leeft in een geestelijke oorlogstijd. Daarom moet er bezinning zijn op de vraag hoe nu het best de krachten te verzamelen en haar Hoofd te dienen. Gewezen wordt op berichten uit Zwitserland, o. a. van Brunner. Deze wil, dat de Kerk op betere recruteering bedacht zij. Hij raadt zelfs aan een onderzoek van persoonlijk en pastoraal karakter, om op grond hiervan te bepalen wie de theologische studie kun nen aanvangen. De vorming der predikanten moet veranderd worden. Behoorlijke aandacht, volgens Brunner, krijgt alleen de theologisch-wetenschappelijke. Maar hierdoor wordt geen goede scholing verkregen om het Evangelie van Jezus Christus dicht bij de tegenwoordige mensch te brengen. Als eisch wordt gesteld een hulppredikerschap van twee jaar. Prof. Kr. zegt niet, dat wij hier nu met dezelfde eischen moeten komen. Hij wijst alleen op overeenkomstige nood in de predikantenopleiding in Zwitserland en bij ons. Daaruit blijkt dat dit vraagstuk het Protestantisme en de Protestantsche Kerken in de geheele wereld raakt. Wanneer dit vraagstuk aan de orde gesteld wordt, dan wil dat niet anders zeggen dan daardoor aantoonen dat de Kerk, wil zij haar taak en roeping vervullen en haar verantwoordelijkheid aanvaarden, bare predikantenopleiding ernstig moet heroverwegen.
Ongetwijfeld wordt door Prof. Kr. hier een vitaal vraagstuk naar voren gebracht. Waardoor duidelijk wordt aangetoond dat de nood der Kerk óók — niet alléén — bestaat in de nood der opleiding.
De wenschen der Gereformeerde belijders mogen zeker in de groote lijnen bekend worden geacht. Ook de hoogere organen der Kerk zijn hier zeker mee op de hoogte, 't Is ook uitnemend dat door het weer opnieuw, in gesprek brengen van deze en dergelijke vraagstukken, getracht wordt de droevige toestanden in de gemeenten te doen gevoelen. Maar dit zal toch dan alleen gewenschte vrucht afwerpen als tevens daardoor gedrongen wordt naar een gereformeerd kerkelijk leven. De noodzakelijkheid daarvan moet meer en meer worden gevoeld. Een zóó vernieuwde Kerk zou de predikantenopleiding in gereformeerden zin kunnen aanvatten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's