De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Separatisme en Kerkorde

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Separatisme en Kerkorde

8 minuten leestijd

Separatisme — (zucht tot afscheiding) is geen verschijnsel van de laatste eeuwen. Wie de brieven aan de Corinthiërs en de Galaten leest, kan daarin ontdekken, dat ketterijen, partijschappen en oneenigheden reeds in de dagen der apostelen oorzaak werden van scheuringen. Telkens ziet men ook in latere eeuwen secten opkomen, die tot verdeeldheid en verbrokkeling van het kerkelijk leven hebben geleid.

Daartegenover kan worden opgemerkt, dat het sectarisme op zijn beurt de reactie moest sterken die de eenheid trachtte te bewaren en een kerkidee zocht te verwezenlijken, welke daarop was ingesteld. Het kerkelijk instituut werd overheerschend. De geestelijke fundatie der gemeenschap werd op den achtergrond gedrongen, de uitwendige kerk werd allengs voor het wezen aangezien. Men viel van het eene uiterste in het andere, met het gevolg, dat het separatisme door de eenheidsinstituten veeleer werd bevorderd dan overwonnen.

De reformatie staat daar als een voorbeeld in de historie, dat de levende kerk niet kan ademen onder een hiërarchie, welke zich meer macht en gezag toeschrijft dan Gods Woord. (Ned. Geloofsbel. Art. 29). En ook na de reformatie zien wij, dat de landskerkelijke instituten het separatisme niet hebben kunnen voorkomen. Integendeel bloeide het sectarisme welig op en deden zich velerlei scheuringen en afscheidingen voor.

Men kan dat trachten te verklaren en ten deele ook te rechtvaardigen van uit de waardeering ware en valsche kerk. Ten deele is dit ook juist. Men kan het verder betreuren en goed praten, verwijzende naar de zonde en zwakheid van den mensch, maar Calvijn ontleent aan de zonde en zwakheid der menschen juist een argument om de gemeenschap der kerk te onderhouden, ook al heeft zij gebreken. Daarin betoont hij weer de gehoorzaamheid, die zich door het Woord laat leiden, welke hem onderscheidt en waarin wij noodig hebben hem na te volgen.

Met de waardeering ware en valsche kerk komt men echter niet uit, omdat daarin persoonlijk gevoelen en willekeur een woordje meespreken. Calvijn hield de Roomsche hiërarchie zeker voor een valsche kerk, maar toch leert hij, dat God onder het pausdom Zijn kerk nog had bewaard. De ware kerk is geestelijk, zijnde de vergadering der ware Christgeloovigen; zoodra wij een uitwendige kerk onder het criterium waar of valsch bezien, wordt het moeilijk wegens de zonde en de zwakheden van den mensch. Nergens worden de kenteekenen onberispelijk bevonden, zoodat men zelfs in een diep vervallen toestand nog iets van de kerk zal aantreffen.

Vandaar, dat in aansluiting op Art. 29 der confessie de kerkregeering, welke meer macht en gezag toekent aan haar verordeningen dan aan Gods Woord, den stempel der valsche kerk ontving.

Kerkorde en kerkregeering spelen een voorname rol in de geschiedenis van het separatisme. In ieder geval kan de historie aantoonen, dat de hiërarchische kerkidee, die allereerst op de eenheid der Christenheid bedacht is, door de eeuwen verdeeldheid en scheuring heeft bevorderd. (Vgl. Bavinck, Geref. dogm. IV, blz. 345). De voornaamste oorzaak ligt zonder twijfel in de zonde en zwakheid van den mensch, daar de verscheidenheid van gaven de gemeenschap des geloofs niet breekt. Het een zoowel als het ander eischt echter, dat de vorm der kerkelijke gemeenschap ruimte moet laten aan verscheidenheden, die op zichzelf den rijkdom des geloofs openbaren, terwijl ook de Christelijke verdraagzaamheid een taak heeft jegens de zwakheden, die in de gemeente niet ontbreken.

Daarbij moet echter niet worden vergeten, dat de eigenlijke eenheid der kerk rust in het gemeenschappelijk geloof. Verscheidenheid en verschil van inzicht kunnen niet onbeperkt zijn, want het geldt hier een geloofsgemeenschap, opgekomen uit een en dezelfde religie, geleerd door éen Geest, éen geloof, éen doop, éen Heere. Daarom zal de vrijheid van het geloofsleven de bescherming noodig hebben van de geloofstucht, zonder welke de kerk moet ontaarden en haar karakter zal inboeten.

Zoo mag eenerzijds het geloofsleven niet worden opgeofferd aan een kerkidee, welker verwezenlijking tot veruitwendiging en formalisme voert, anderzijds mag het niet prijsgeven aan een ongebonden subjectivisme, hetwelk in de oplossing van het kerkelijk leven moet eindigen.

Een kerkorde, die deze klippen vermijdt, zal de gemeenschap des geloofs zwaarder laten wegen dan de uitwendige eenheid van het instituut. Zij zal meer waarde hechten aan de heerschappij van Gods Woord in alle gemeenten, dan aan menschelijke verordeningen. Zij mag geen aanleiding zijn tot heerschappij van menschen, maar moet de ambtelijke bediening tot haar recht doen komen in den Dienst des Woords, de regeering der kerk en de werken der barmhartigheid en Christelijke liefde.

Deze beginselen wijzen op de presbyteriale kerkorde, welke ook voor de zelfstandigheid der plaatselijke kerken opkomt. Geen rangorde van kerkelijke regenten of besturen, geen instituut, dat alle geloovigen zoo mogelijk van de geheele wereld als onder één kerkelijk dak wil herbergen. De plaatselijke kerk worde, gelijk zij ook is, als een zelfstandige openbaring van het hchaam van Christus erkend en door de ambten gediend overeenkomstig de daaraan gestelde roeping, opdat de groote Herder der schapen over Zijn kudde heersche,

Men zal moeilijk kunnen ontkennen, dat de Heilige Schrift slechts plaatselijke kerken kent. En wie beweren wil, dat ook een andere orde recht van bestaan en geldigheid heeft, ontleent zijn argumenten aan de historie. Het beroep op de Schrift door den verdediger der plaatselijke kerk blijft onaangetast en onverzwakt staan en men behoeft er zich niet over te verwonderen, dat Calvijn van de zelfstandigheid der plaatselijke kerken uitgaat.

De beteekenis van zijn standpunt is van te meer gewicht, omdat hij met alle kracht opkwam voor de gemeenschap der kerken. Men kan hem ook niet verwijten, dat hij de historie niet kent, of te weinig op de hoogte is geweest met de werking van een hiërarchisch instituut.

Zijn inzicht in Gods Woord en in het geestelijk karakter der kerk hebben hem bij deze dingen geleid en de beginselen der gereformeerde kerkorde verdienen ook in het licht van de na-reformatorische ontwikkeling van het kerkelijk leven opnieuw de aandacht.

Wij kunnen het dan ook geen onmiskenbare schaduwzijde vinden, dat het denkbeeld van een eenig, alle geloovigen omvattend kerkinstituut in de geschiedenis voorgoed werd verstoord: (Vgl. Bavinck, G. D. IV, blz. 343). Het denkbeeld werd trouwens niet zoozeer verstoord als de pogingen om het te verwezenlijken. Mogen wij voor een alle geloovigen omvattend „kerkinstituut" lezen een alle kerken omvattende gemeenschap, dan zouden wij het er mede eens zijn. Want zoozeer de gemeenschap der heiligen door de Schrift geleerd en geëischt wordt, zoo weinig wordt een eenheidsinstituut geboden.

In alle opzichten biedt het beginsel der plaatselijke kerk als zelfstandige openbaring van het lichaam van Christus voordeeliger condities voor de onderhouding van een gezond kerkelijk leven.

Vooreerst kan de plaatselijke kerk, die aanspraak mag maken op den naam. en het gezag, die aan de openbaring van de Kerk des Heeren van Zijnentwege toekomen, de roeping dier kerk, waarvoor zij aansprakelijk is, gemakkelijker vervullen en waken over de kenmerken, die haar behooren te onderscheiden. Zij draagt meer het intieme karakter van de familia Christi.

Ten andere laat zij ruimte voor den eigenaard en de verscheidenheid, die met den volksaard en de historie saamhangen, zonder dat de gemeenschap des geloofs met de andere kerken daardoor schade behoeft te lijden.

In de derde plaats kunnen de ambten in de plaatselijke kerk beter tot hun recht komen.

De dorpsgemeente met haar eenigsn herder en leeraar en kleinen kerkeraad, dient zich aan als het type van de plaatselijke kerk. Ondanks de invloeden, die ook op het platteland het kerkelijk leven bedreigen, steekt zij gunstig af bij de stadsche kerk, die bovendien in veel sterker mate de bezwaren van het eenheidsinstituut ondervindt.

De groote stad heeft practisch wellicht een aanmerkelijk aandeel in de ontwikkeling van zulk een instituut. Zelfs als men uitgaat van de zelfstandigheid der plaatselijke kerk en men stelt zich haar uitbreiding in de groote volkscentra voor, zooals die zich klaarblijkelijk heeft ontwikkeld, zoodat tengevolge van den toeloop der geloovigen het aantal predikanten, ouderlingen, diakenen en kerkgebouwen steeds toenam, terwijl zij toch één plaatselijke kerk met één consistorie bleven vormen, dan zit men plaatselijk reeds in al de practische bezwaren van het eenheidsinstituut. In ieder geval heeft ook de reformatorische kerk zulk een weg gevolgd. Als de gemeente te groot werd voor één predikant, beriep men een tweede, een derde enz., zoodat een kerkeraad met b.v. 2 tot 30 predikanten, minstens dubbel zooveel ouderlingen en een beduidend aantal diakenen, de kerkeraden deed uitbreiden tot colleges, die ongeschikt werden om hun taak, te volbrengen.

Parochiestelsel en wijkverdeeling kunnen geen oplossing brengen om de eenvoudige reden, dat zij principieel in strijd zijn met den aard van het kerkelijk leven. De kerk is openbaring van Christus' lichaam en daarom is een kerk een organische eenheid, die men niet in stukken kan snijden zonder het leven ernstig te krenken.

Daarom had men organische eenheden moeten behouden naar het voorbeeld van de dorpsgemeente met één predikant en zoodra een kerk te groot werd voor de zorg van één herder en leeraar, een nieuwe kerk met eigen kerkeraad (en kerkgebouw) moeten afzonderen, die op haar beurt haar eigen predikant zou beroepen en onderhouden.

Dan zou dus een stad, die bij de nu gevolgde methode twee, drie tot dertig predikantsplaatsen ging tellen, twee, drie tot dertig kerken tellen, hetgeen zijn prototype vindt in de meerdere gemeenten te Jeruzalem.

Of zulk een orde het separatisme zou voorkomen ? Dat zeker niet, want de oorzaak schuilt allermeest in de zonde en zwakheid der menschen. Het separatisme zou echter niet zoozeer doorwerken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Separatisme en Kerkorde

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's