De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NIENKE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NIENKE

FEUILLETON

5 minuten leestijd

VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN

(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 70)

Door de verzorging van Zuster Ina waren de beide vreemdelingen daarop vroegtijdig naar den steiger gebracht, waar de boot afvoer, dankbaar, dat zij den terugweg weer aanvaarden konden en buiten 't gewoel waren van die groote stad, waar zij later nooit over uitgepraat waren en het hun onbegrijpelijk leek, dat er niet meer dooden kwamen te midden van dat drukke verkeer.

Evenwel ging de genezing van de kranke niet vlug. Eerst zeer langzaam keerden de krachten in het gesloopte lichaam terug. Toen de koorts eindelijk overwonnen was, moest de voeding het overige doen, maar juist hiermede liep het niet hard. ELken dag moesten de Zusters aansporen om toch maar meer te gebruiken, tot op een zonnigen dag de dokter voorschreef om maar eens in den tuin te wandelen. Het was alsof de natuur wonderen deed. Hoe weldadig was die buitenlucht! Hoe heerlijk geurden die bloemen, waarlangs de bijtjes zoemden om honig te puren en dan dat vogelgekweel tusschen 't frissche groen, waar de pas geboren jongen piepten, zoovaak het ouderpaar kwam aanvliegen om hen te voeden. Wat zorgden die kleine, teere vogeltjes voor hun kroost. Hoe scheen er een wedijver tusschen hen te zijn, wie het eerst en het meest aanbracht. Ternauwernood gunden zij zichzelven rust, en deden al dien arbeid onder vroolijk gefluit. Zoo vaak zij maar mocht en kon, was hier haar plaats om te zien hoe de vogeltjes deden, maar tevens om te leeren en na te denken. Maakten die teere schepseltjes niet menigmaal de menschen beschaamd? Had dat vogelpaar niet samen eendrachtig aan het nestje gebouwd, om het op tijd klaar te hebben en verder alle lief en leed gemeenschappelijk te deelen ?

En de menschen?

En onder die menschen zij zelf in de eerste plaats ?

Zoo vond een paar weken, na het aanvankelijk herstel, Zuster Ina haar hier, die zich nog steeds bizonder tot haar voelde aangetrokken.

„Wat nu; tranen ? " vroeg zij, op deelnemenden toon. En toen kwam de nieuwe zorg van het wachtend leven tot uiting. Weldra waren de dagen hier geteld. Zoodra het maar even kon, zou zij het ziekenhuis moeten verlaten èn met het oog op de verpleegkosten èn om wéér ruimte te maken voor anderen. Eigenlijk was de termijn, voor haar besproken, al overschreden en was het een bizondere gunst, dat men uit medelijden haar zóó lang hield. Maar, waar moest zij heen ? Zij, en haar kind ? Dat géén nestje had, gelijk die vogeltjes, en geen ouderpaar, dat voor haar zorgde ?

Dat waren vragen, die hier, onder het lommerrijk geboomte, vol balsemgeur, op haar losstormden, doch zonder dat een antwoord kwam. Dat wisten de bloemen niet en de heesters niet en de vogeltjes óók niet en niet een met wie zij daarover spreken kon. Anders niet, dan misschien met deze vriendelijke Zuster, die altijd zoo'n belang in haar stelde, zij wist zelf niet waarom.

„Weet je wat, Béa, morgen na negen heb ik een vrijen dag. Kom morgenmiddag na den rusttijd eens bij me op mijn kamer in het paviljoen hier naast. Je vraagt maar naar Zuster Ina; dan kunnen wij eens rustig praten".

Zoo werd afgesproken en zoo kwam Liesbet Paulussen hier. 't Was niet zoo erg gemakkelijk om op kiesche wijze, zonder indringerig te zijn en noodeloos pijn te doen, een onderwerp aan te roeren, waar we gewoonlijk spoedig mee klaar zijn om over te oordeelen, zonder iets te verstaan van het diepe smartenwee, dat daaraan vaak verbonden is. Omdat noch de macht van het kwaad en de listen van den vorst der duisternis, noch het zondeleed gekend wordt, noch iets van die innerlijke barmhartigheid Om Christus' wil, welke Hem zelf eenmaal drong om uit te gaan, zoekende hetgeen verloren was. Onverschillig of dit gevonden werd onder de vromen, of onder de goddeloozen, in Jeruzalem, of op den weg naar Jericho. Maar Zuster Ina kende zichzelven en het léven en Hém, Die kwam om uit den nood van het leven te verlossen.

„Ook al weer bericht van moeder gehad ? " aldus begon zij.

„Anders niet dan een briefkaart van oom, dat beiden weer goed en wel zijn thuisgekomen. Moeder is niet gewoon om te schrijven, moet u denken, en mijn broer evenmin".

„Dat is waar; 'k heb wel eens menschen ontmoet, die liever den heelen dag stonden te werken dan één enkelen brief te schrijven. Trouwens, het ging mij vroeger ook al weinig beter. En hebt u de familie al eens bericht hoe goed het gaat? Ze zullen natuurlijk zeer verlangend zijn".

„'k Heb naar huis geschreven, dat ik nu elken dag in den tuin mag wandelen, maar wellicht de volgende week, of een daarna, vertrekken moet".

Hier was men gekomen op het gewichtige punt. Waar beiden voor huiverden om 't aan te raken en dat toch niet vermeden kon worden.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

NIENKE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's