NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 71)
„En wat is dan de bedoeling ? " vroeg Zuster op 'n toon, waar niet enkel nieuwsgierigheid uit sprak.
Enkele oogenblikken was het stil in het kamertje, dat door zijn gezellige aankleeding zoo tot vertrouwen noodigde. Toen sprak Liesbet: „Ik weet het niet, Zuster, 'k Heb al heel wat plannen overwogen, maar even spoedig als ik ze gemaakt heb, zijn ze ook weer weg, omdat er niets van komen kan".
„Moeder heeft u dus ook niet doen schrijven om naar huis te komen ? 't Is anders nergens beter en nergens veiliger, dunkt mij, dan onder de hoede en in de nabijheid van een goede moeder".
Een ontkennend hoofdschudden was het antwoord, „'t Zou ook niet gaan'', klonk het daarop droef. „Vooreerst heeft moeder maar een klein kamertje van 't Armbestuur, waar men mij zeker niet zou willen hebben, en dan 't kind! O, neen. Zuster, al wat kan, maar niet naar huis, ten minste nu nog niet". En voor de zooveelste maal vloeiden haar tranen over 't geen een bron van blijdschap voor anderen was.
„Is er dan niemand, dien u mede aansprakelijk kunt stellen en u de lasten kan helpen verlichten ? U weet misschien, dat er een wet is, die daartoe verplichten kan. „Deze is er wel, Zuster, maar of het mij wel gelukkiger maken zou. Bovendien, de familie ..........."
Weer was het stil. „Drink eens uit; de thee wordt koud, en ik had nog wel een extra kopje geschonken", zei de vriendelijke verpleegster. Toen schoof zij haar eigen stoel wat nader, en de hand van Liesbet in de hare nemend, vervolgde zij : „Het voornaamste van, alles is, kind, dat de zaak tusschen God en uw ziel in orde is. Boven aller verwachting heeft de Heere u opgericht en verhoord, toen uit de benauwdheid tot Hem geroepen werd. Als wij onze zonden hebben leeren kennen en belijden, is Hij getrouw en rechtvaardig, dat Hij ze ons vergeeft, en wanneer ons wachten dan op Hém mag zijn, zal Hij óók de uitkomst geven".
„Dat alles klinkt mij zoo schoon toe. Zuster, en als ik hier in uw plaats was, zou ik daar zéker ook graag in gelooven en daarbij blijven, maar nu moet ik de wereld weer in, en waarheen ? " „We kunnen overal God dienen en Hij kan en wil overal Zijne genade aan ons verheerlijken, kind".
„Maar U moet niet vergeten, dat mij dit alles vreemd is, en de verleiding van het leven, in het midden der wereld, zoo groot. Hier is het geheel iets anders. Alle menschen, die hier komen, zijn in een toestand waarin zij zich afhankelijk gevoelen en bang zijn voor den dood, evenals ik, en waarin zij daarom graag een goed, vertroostend woord ontvangen, maar zoodra je weer in het gewone leven bent, is er zooveel, dat daar vanaf brengt".
„'t Hangt er veel vanaf in welke richting iemand zich beweegt en wat gezelschap hij zoekt. Voor een vreemde is Amsterdam een stad vol gevaren, waar van alle zijden de zonde lacht en lonkt, en waar zeker ook vele jonge menschen voor altijd ondergaan, maar daar is toch ook nog veel goeds. Daar wordt óók veel gedaan om te redden en te behouden en voor den ondergang te bewaren. Zeker, 't leven is vol gevaar, en als de menschen hier komen, zijn zij gewoonlijk anders dan wanneer de vleugels breed kunnen worden uitgeslagen, maar niettemin is het mogelijk, dat God in het midden der wereld wordt gediend, 't Is maar de vraag, of het hart naar Hem uitgaat of dat het de zonde kiest. Toch is haar dienst zoo hard, Béa. Precies zooals het gezangvers zegt : „De zondedienst is d' ergste slavernij. Zij knelt te meer naar dat de jaren snellen".
„'k Ben zoo bang, dat ik toch niet tegen de verzoeking bestand ben. Ik houd veel van vroolijkheid en van licht en van alles wat mooi is en van muziek en gezelschap, en dan weet men wel hoe 't gaat".
„Ja, juist, dan kan men althans weten hoe het gaat. Ge hebt daarvan zélf de bittere ervaring opgedaan, gelijk zoovelen. Als de nachtvlinder, die net zoo lang om het licht heen vliegt tot zij met verzengde vleugels neervalt en sterft. Hoevele jonge menschen, en ook wel ouderen, zouden hier te midden van die zoogenaamde vroolijkheid, bij dans en spel en onder het uitbundig vermaak van opwindende muziek voor lichaam en ziel niet verloren hebben, wat later met heete tranen te vergeefs werd terug verlangd. O, als de menschen, die in het lichtzinnig wereldgenot hun vermaak en afleiding zoeken, eens meer bedachten wat een nameloos leed vaak verborgen ligt achter die schijnbare vroolijkheid, en hoe het hart dikwijls schreit, terwijl de mond lacht!"
Onder het uitspreken dezer woorden was er vuur gekomen in het oog van de Zuster, en een ongewone gloed op haar gelaat. Terwijl zij, al maar in de verte staarde, scheen het, alsof zij een beeltenis zag van iemand, die haar zeer van nabij bestond, waardoor alles, wat zij sprak, voor haar leven en werkelijkheid werd.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1940
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1940
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's