Uit de kerkelijke Pers.
Het Woord.--Niet alleen de Dominees, maar Gij!
Het Woord.
In twee op elkaar volgende nummers van het Hervorind Zondagsblad is opgenomen een referaat over „Moet het Woord het doen ? "
„Het Woord moet het doen is een theologische uitspraak, en theologische uitspraken zijn grenswachters, d.w.z. ze waarschuwen voor gevaren. Ze trekken ons terug als er gevaar is voor deraillementen. Als zoodanig zullen we deze in de huidige tijd zooveel gebruikte uitdrukking hebben te beschouwen". Het Woord moet het doen — dit wil dan in de eerste plaats zeggen : God zelf moet het doen. Want 't gaat niet om een woord over God, maar het is juist God Zelf die het Woord spreekt, niet maar in het luchtledig, maar altijd tot een concreet menschenkind. Wij hebben over dat Woord in de prediking geen zeggenschap. God Zelf spreekt het Woord. We willen dus hiermee uitdrukken, dat God alleen de bekeering werkt. Zijn Koninkrijk doet komen. De Heilige Geest werkt volstrekt vrij en souverein. Hij schept de wedergeboorte. Het Woord moet het doen fungeert hier dus als grenswachter om ons te waarschuwen geen bekwaamheid in de mensch te zoeken. Het geloof en de bekeering zijn niet uit ons. Het werk van den Heiligen Geest mag niet aangetast worden. Voor 't ambtelijk werk van den prediker is dit ook van beteekenis. Alle heimelijke of openlijke overschatting van eigen werk, alle trotsch zijn op en zelf prijzen van eigen prestaties — maar ook 't gevoel van minderwaardigheid en pessimisme ten opzichte van eigen werk moeten er door vóórkomen worden. Wij doen het niet. Wij behoeven het ook niet te doen. God doet het. Tot Spurgeon werd eens gezegd : „Verbazend, zijt gij nu de groote Spurgeon, die zooveel menschen hebt bekeerd ? '' „Ja", zei Spurgeon, — „inderdaad ! Maar alléén die paar, die God bekeerd heeft, komen in den hemel". Vervolgens beteekent de uitdrukking, volkomen onderwerping aan den Bijbel. Dat zegt ons de grenswachter. Aangewezen zijt ge op de Heilige Schrift. God bindt ons aan de Schrift. Alle menschelijke wijsheid van hoorder en prediker wordt hierdoor afgewezen. Inhoud van de preek is inhoud van de Bijbel.
Preeken buiten den Bijbel om zijn derhalve geen preeken. Preeken, die aan een tekst als aan een kapstok worden opgehangen, zijn ook geen preeken. We mogen de bijbelsche inhoud niet opofferen aan de actualiteit der omstandigheden. Belangrijk is alléén om te zeggen wat de Schrift te zeggen heeft.
Dit beteekent echter niet, dat de Heere bij Zijn werk geen menschen zoude betrekken. Hij wil menschen betrekken bij het doen komen van Zijn Koninkrijk. We mogen Gods water niet over Gods akker laten loopen. Geen luiheid, geen lijdelijkheid. Waar God ons bindt aan Woord en Sacramenten, daar moet de arbeid, waartoe God roept, juist consciëntieus worden opgevat. Paulus heeft dag en nacht gewerkt, hoewel hij wel wist dat Gods Geest het moest doen. Zoo ook Calvijn en Luther. Voor de preek beteekent dit duchtige voorbereiding. Eveneens voor huis- en ziekenbezoek en andere narticuliere zielszorg. Hierop moet bij de uitdrukking : „Het Woord moet het doen" gelet worden. De uitdrukking is eenzijdig, ze is een fascet. Het wil dus ook niet zeggen dat er eenzijdige concentreering op het Woord is. De naaste moet er mee gediend worden en daarom is er ook concentreering op den naaste. Dat wil zeggen, dat het Woord verstaanbaar moet zijn voor de hoorders. Ze moeten het kunnen volgen. Aanknoopingspunten moeten worden gezocht. Men moet zich aanpassen aan de gedachtengang van dezen tijd. Er moet dus een meeleven zijn met alles wat er in de wereld geschiedt.
We zullen goed doen de beide hier getoonde zijden ter harte te nemen, 't Is zoo, dat het Woord het moet doen. Verstaan in den zin, dat God het moet doen door Zijnen Heiligen Geest. De Heere houdt de eer om een zondaar tot het licht in Christus te doen komen, geheel aan Zichzelf. Dat is een waarheid, welke alle hoogheid en eigendunk moet ternederwerpen, alsof wij, nietige menschen, het Koninkrijk Gods wel konden bouwen en de Kerk wel in stand konden houden. Dit moet Ware ootmoed leeren en afhankelijkheid. Bij prediker en hoorders beide moet het dringen om de bede op te zenden, dat God met Zijn levendmakenden Geest, die Christus verwierf, wil arbeiden in de Gemeente. Dit kan echter ook bemoedigen als wij zien op eigen zwakke krachten en op eigen stamelend woord, 't Zal wel meermalen geschied zijn dat God Zijn werk deed in een zondaarshart, wanneer wij dachten in somberheid : Ach, wat kan door zoo'n prediking nu geschieden. Dat kan bij het besef van eigen zwakheid doen voortgaan in de wetenschap dat God Zijn Huis bouwt en dat Hij wel weet welke zondige, zwakke menschen Hij in Zijn dienst geroepen heeft. Er is waarlijk geen overvloed aan echte afhankelijkheid. Die mocht er wel wat méér zijn. Altijd afhangen van Gods kracht. Van Gods werking. Wij zijn maar, naar Calvijn's woord, uiterlijke dienaren, maar de inwendige Dienaar is Christus, die de aangekondigde zaak ons ook meedeelt. Dit geschiedt echter door middel der prediking. Vandaar is het begrijpelijk, dat Calvijn herhaaldelijk een loflied op de prediking heeft gezongen. In het „Gepredikte Woord", deel I, kunnen we in hfdst. IV hierover een en ander vinden. „Daardoor is de Kerk de plaats, waar wij God ontmoeten. Waar het Woord Gods gebracht wordt is God Zelf tegenwoordig, daar is Jezus Christus. Want wel is Christus niet meer op aarde, maar Hij verkeert toch met ons en onder ons. En vraagt ge : op welke wijze ? Zoo antwoordt Calvijn: door de prediking. Immers in de prediking des Woords hebben wij een zeker teeken, dat Hij ons niet verlaten heeft. Hij spreekt hardop in eiken dienst des Woords. De stem van Christus is dan hoorbaar. Hij richt Zijn Koninklijken troon voor ons op.
't Is of Hij persoonlijk uit den hemel tot ons is neergedaald en van aangezicht tot aangezicht ons verschijnt. Het eigen aangezicht Gods straalt ons nu tegen. Hij strekt Zijn handen naar ons uit. Hij reikt Zijn schepter ons toe. Daarom is het een bizonder bewijs van Gods gunst, als we de prediking des Woords hooren mogen. Dit was reeds het geval onder het Oude Verbond. Maar voor een prediking onder het Nieuwe Verbond geldt dit nog zooveel sterker.
De mond van den prediker is als de mond van Christus. Zijn tong is als de tong van Christus. God beweegt daarin hemel en aarde. Hij formeert dan een nieuwen hemel en een nieuwe aarde. Ja, wanneer het evangelie gepredikt wordt, begint tegelijk met de stem van den prediker het heilig bloed van Christus te droppelen. Want het is de altijd doorgaande inwijding van den weg tot God, dat voor het aangezicht des Vaders steeds, om zoo te zeggen, het bloed van Christus droppelt tot besprenging van hemel en aarde''. Waar het met de prediking zóó staat, moet wel volle ernst gemaakt worden met de onderwerping aan de Schrift, 't Gaat er toch niet: om, menschen rond onze wijsheid te verzamelen, of aan onszelf vast te binden. Neen — 't gaat om het buigen onder de Schrift, om het kennen van het Woord als een lamp voor den voet en een licht op het pad. Daarom moet toegezien worden wat men predikt en hóé men luistert. En ieder prediker heeft dat te doen voor zichzelf, maar hier ligt ook een ernstige taak voor den ouderling, ja voor de gansche Kerk. 't Is onwaardig en onwaarachtig: en goddeloos, in de Kerk te komen met eigen inzichten en eigen waarheden. We kunnen dat dekken met allerlei schijnschoon, met geestelijke vrijheid en wat dies meer zij, met zelfstandigheid e.d. Maar in de Kerk bestaat een dergelijke zelfstandigheid niet. In de Kerk is Christus Koning en Heere. De gebrachte boodschap moet Zijn boodschap zijn, met klaar geluid, met eenparige stem. De Almachtige doe de dag aanlicJiten, dat we ons in het tot stand komen hiervan verblijden mogen. Dat zou ook een stap zijn in de richting van de eenheid, waarover nog steeds geschreven wordt. Bij dit alles hebben echter niet alleen predikanten een roeping en taak. Maar alle gemeenteleden. Over
Niet alleen de Dominees, maar Gij!
verscheen een artikel in het Algemeen Weekblad.
Hierin wordt er op gewezen, dat wij bij het zoeken van nieuwe wegen niet weer moeten vervallen in een oude fout. Al te veel is er altijd overgelaten alleen aan de predikanten. Daardoor werd het gevoel gewekt bij kerkmenschen en ook bij de buitenwacht, dat de zaak van de Kerk de zaak van de dominees is, hoogstens de ouderlingen en de diakenen er bij. Maar wij konden redeneeren, alsof wij er geen belang bij hadden. De dominees hadden de ver antwoordelijkheid, tijd en verstand. Wij gaven ons geld en wilden ook nog wel een baantje. De motor was echter de dominee. Diepe bewondering wordt uitgesproken voor 't werk van verscheidene predikanten. Anderen kregen soms een verkeerde plooi, doordat de gemeenteleden hun taak verwaarloosden. Wij moeten beseffen, dat wij allen de Kerk zijn. „Maar als God van Zijn Geest uitstort, dan kunnen wij niet volstaan met Zondag aan Zondag in de kerk te zitten en ons te laten vermanen en troosten en opbouwen in ons geloof. U begrijpt mij goed : ik ben blij, dat ik dit doen kan, maar het is niet genoeg. Wij hebben bovendien een taak". Deze taak wordt dan aangewezen met betrekking tot de eenheid onder de Christenen. De dominees komen samen, uitstekend, maar.... er moet ook contact zijn tusschen leden van verschillende kerken in kleineren kring. Wij moeten bereid zijn God te vragen wat wij te doen hebben. Als alles bij het oude blijft, dan kunnen we daarvan niet de dominees de schuld laten dragen, maar wij, wij, wij.
We willen terloops opmerken, dat hier weer een middel wordt aangewezen om mogelijk tot eenheid te geraken. Daarop willen we echter niet verder ingaan, t Is er ons om te doen te onderstrepen dat inderdaad niet alleen de predikanten, maar wij allen in de Kerk een ro'eping hebben als leden dier Kerk. Terwijl het weldadig aandoet, dat nu eens geen steenen worden opgenomen om predikanten te treffen, maar de schuld voor eigen rekening wordt genomen, voor rekening der kerkleden. We weten wel, dat de dominees al heel wat te verdragen hebben. Over 't algemeen doen ze maar zelden genoeg. En men weet precies wie er ijverig en wie er lui is. Ik geloof, dat de Heere hierin nog wel eens een ander oordeel velt dan de menschen. Wordt die vaak niet voor 't ijverigst aangezien, die zelf veel spreekt over wat zooal gedaan is en gedaan wordt ? Is die niet getrouw, die zich met veel en velerlei bemoeit en draaft van 't een naar het ander ? Maar is er dan steeds de trouw als Herder en Leeraar ? Zou dit soms ook wel eens niet veel meer aangetroffen kunnen worden bij hem, die stil zijn weg gaat, maar onopvallend arbeidt, misschien wel met tranen, dag en nacht in de wijngaard des Heeren. O, laat men hier met zijn oordeel voorzichtig zijn. Wij weten zoo weinig van elkander af. Wij kennen zoo vaak alleen de buitenkant. Wij weten de motieven niet waardoor anderen gedreven worden. En dan — wat doen de gemeenteleden zelf ? Staan aan de zijde van de weg ? Spreken over den dominee, de Kerk, alsof men er verder niets mee te maken had ? Helaas is het zoo vaak aldus gesteld. Dit is ongetwijfeld wel een van de belangrijkste oorzaken, waardoor de Kerk zooveel invloed verspeelt. Zondags in de kerk zitten en luisteren is niet genoeg. We moeten niet alleen hoorders, maar daders des Woords zijn. De klacht van Mozes verstaan we wel: Och, dat al het volk profeten waren. Wat zou het dan anders worden. Als de roeping in 't midden der wereld werd verstaan. Als er gevraagd werd : Heere, wat is U behagelijk. Als er een getuigen was van Christus, den grooten Hoogepriester. Een ieder op zijn plaats en in zijn omgeving. Dat hebben we noodig. Dat komt nu op ons af. Ook in deze tijden. Dat stelt voor de ernstige vraag : Hoe leeft ge ? Voor wie leeft ge ? Hoe verkeert ge in des Heeren Huis ?
Er zij ernst met deze vragen, óók onder ons, en gebed om dien Geest, Die den Christus verheerlijkt, door welke arbeid de Kerk alleen kan zijn een licht op den kandelaar, een stad op den berg, een zoutend zout.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1940
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1940
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's