Uit de kerkelijke Pers.
Een lied.
Een lied.
Men zou bij het hierboven geplaatste opschrift kunnen denken, dat wij in de aangebroken adventsdagen de aandacht willen vestigen op het lied, dat rondom Kerstfeest zoo veelvuldig wordt gehoord. Uit kindermonden niet het minst. En — klinkt het niet schoon, het Kerstlied, gezongen door tientallen onzer kleinen ? Het Kerstfeest zou men wel kunnen noemen 't feest van het lied. Niet — het feest met een lied. Want dan lijkt het alsof het lied er maar bijhangt, een beetje franje is, op één lijn geplaatst kan worden met de Kerstboom en wat dies meer zij. Zoo is het intusschen met Kerstfeest niet. Daar is het lied zelf het getuigenis van Gods groote daden. De Engelen zingen, Zacharias zingt, Maria zingt, Simeon zingt. In deze dagen zullen de gemeenten zeker, ook in de prediking des Woords bij deze „stof" wel eens worden bepaald. Maar wij willen het hierover althans nu niet hebben. Wij hebben het oog op een artikel van Dr Evenhuis, zooals dit in de Geref. Kerk is overgenomen uit Nieuw Kerkelijk Leven. We willen de inhoud daarvan weergeven.
Toen de president van onze Synode de Commissie voor kerkeliik overleg installeerde, heeft hij er op gewezen dat er een lied sluimert in de belijdenis der Kerk. Wel schijnt de Catechismus velen een dor betoog, zonder innerlijke geestelijke bewogenheid, maar deze beschouwing ten opzichte van de belijdenis der Kerk komt voort uit onkunde of onwil. Wie goed luistert naar de prediking, die in de belijdenis der Kerk tot ons komt, hoort daarin de stem van Hem, Die ons geroeper; heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Maar volgens de president onzer Synode sluimert nu datzelfde lied eveneens in de reglementen der Kerk. Hij keerde zich sterk tegen degenen, die geen goed woord voor de reglementenbundel over hebben. Dit spruit dan ook uit „vooringenomenheid''. Als we goed luisteren, hooren we hier in de meest dorre wetsartikelen het Evangelie. Ter illustratie wordt dan genoemd het bekende artikel 11 van het Algemeen Reglement:
,,De zorg voor de belangen, zoo van de Christelijke Kerk in het algemeen, als van de Hervormde in het bijzonder, de handhaving harer leer, de vermeerdering der godsdienstige kennis, de behartiging van de Zending, de bevordering van Christelijke zeden, de bewaring van orde en eendracht en de aankweeking van liefde voor Koning en Vaderland, moeten steeds het hoofddoel zijn van allen, die in onderscheidene betrekkingen met het kerkelijk bestuur belast zijn".
Ook kan genomen worden artikel 1 van het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht. „Het beginsel van alle kerkelijk opzicht en van alle kerkelijke tucht moet zijn de christelijke liefde en barmhartigheid. Kerkelijk opzicht wordt gehouden en kerkelijke tucht wordt geoefend tot bevordering van christelijk leven, tot voorkoming en wegneming van alles wat het godsdienstige en zedelijke welzijn der gemeente belemmert, tot behoud van wie dreigen af te dwalen en verloren te gaan, tot handhaving der kerkelijke reglementen en verordeningen".
Als hier alle vooringenomenheid wordt uitgebannen, aldus de voorz. der Synode, dan hooren we hier de naklank van de stem van Hem, die, als het Hoofd Zijner Kerk, ook tot ons het zijne te zeggen heeft. Nu is Dr Evenhuis volkomen bereid naar deze waarschuwing te luisteren, maar hij is niet bereid om de artikelen slechts ten halve te lezen. Daarom begint hij met te verwijzen naar de noot, die in de reglementenbundel staat bij het reeds aangehaalde Art. 11. Het volgende staat o.a. in die noot: „De handhaving der leer is niet te verstaan als het zitten als rechter over leergeschillen, maar als het besturen en bevorderen van zulke instellingen, waardoor de bewaring der Christelijke leer wordt bevorderd". Normaal gezegd, beteekent dit dus : onder handhaving der leer moet in onze Kerk niet worden verstaan handhaving der leer! Als ge argeloos leest, zoudt ge dit kunnen denken, maar toch is dit niet zoo. Wat moet nu worden uitgebannen ? Onze vooringenomenheid tegen Art. 11 of deze noot, die tegen de letterlijke en nadrukkelijke bedoeling van Art. 11 ingaat?
En dan Art. 1, boven aangehaald. Een prachtig artikel. Maar ook hierop volgt iets anders, n.l. Art. 6. Dit Art. 6 luidt als volgt: „Aan de kerkelijke tucht zijn onderworpen alle Hdmaten en inzonderheid de leeraren, ouderlingen, diakenen en andere leden van kerkelijke Besturen, ter zake van onchristelijken wandel en van openbaren strijd met den geest en de beginselen van de belijdenis der Hervormde Kerk. (Art. 39 van het Reglement op het godsdienstonderwijs en wat de leeraren in het bizonder betreft Art. 27 van het Reglement op het examen). Door dit Art. 6 nu wordt Art. 1 krachteloos gemaakt. Zie maar de uitdrukking : „de geest en de beginselen van de belijdenis der Hervormde Kerk". Wat een ellende is daar al door veroorzaakt. En van de verwijzing naar Art. 39, Regl. op het godsdienstonderwijs en Art. 27, Regl. op het examen. Hierdoor komen we terecht bij de belijdenisvragen en de proponentsformule, 't Wordt voorgesteld alsof in deze twee en niet in de drie formulieren de belijdenis van onze Kerk te vinden is. Wat moet nu worden uitgebannen ? Onze vooringenomenheid tegen Art. 1 of de verkrachting van Art. 1 door Art. 6? Herinnerd wordt dan aan het geschrift van Groen van Prinsterer: „De maatregelen tegen de afgescheidenen aan het Staatsrecht getoetst". Groen noemt daarin de hier besproken zaak een : Maneuvre! Hij schrikt voor die krasse, veroordeelende, afkeurende naam niet terug. Want het is een maneuvre „waardoor de Synode de leer en tevens het eigenlijke wezen der Kerk aan de willekeur der geestelijken, aan elks redeverbeelding of gevoel, aan elks geloof, ongeloof of halfgeloof prijs gegeven had", 't Wordt zoo steeds moeilijker de vooringenomenheid tegen de reglementenbundel uit te bannen. Niet alleen de stem des Heeren wordt er in beluisterd, maar ook de stem van dien ander, die reeds in het paradijs sprak: „Is het ook dat God gezegd heeft? " Als deze stem tot zwijgen is gebracht, zullen wij, evenals in het dogma der Kerk, ook in de reglementen een lied kunnen beluisteren".
Met deze meening van Dr E. zullen we ons meer] kunnen vereenigen dan met de beschouwing van den president der Synode, wanneer deze het heeft over het lied, dat sluimert in de reglementenbundel. We zouden geneigd zijn om te zeggen: dat lied moet dan wel een diepe doodsslaap slapen — want als men de reglementenbundel juist zonder vooringenomenheid leest, legt naast de Schrift, en naast de belijdenis der Kerk, waar blijft dan het lied, zooals de voorzitter dat bedoelt ? Met een opmerking onder dit artikel mogen we ongetwijfeld zeggen : „Hier is de wanklank, die het lied in zijn geheel zoo bitter valsch doet klinken, de reglementaire dubbeltongigheid, die het maakt tot een lied, gezongen als met dubbelslaande tong — ja, als 't niet zoo valsch was, zouden we spreken van een syrenenlied, dat de Kerk van haar belijdenis weglokt en haar alle belijdend karakter ontrooft".
Zoo is het. Niet te kras wordt het hier uitgedrukt. Wij zullen onze vooringenomenheid, laat ons het sterker zeggen, onze afkeer niet uit laten bannen. Maar met kracht moet er geprotesteerd worden juist in onze dagen tegen wat onwaarachtig en dubbelzinnig is. Tegen alles wat niet overeenkomt met het wezen der Kerk.
En dan kan men het wel als mooi, als een lied, als onschuldig gaan voorstellen. Dan kan men zeggen, dat we het goede moeten waardeeren, dat we elkaar eens wat beter ook in deze dingen moeten gaan verstaan en begrijpen. Best. Als dit dan ook maar eens inhoudt dat men eerlijk zegt waar het op staat. Dat er geen spelen zij met woorden en allerlei stichtelijkheden, maar dat er volle ernst zij met de belijdenis der Kerk, waarover ieder thans zoo gaarne spreekt en de mond vol heeft. Laat men er eens op nalezen „Over de Leervrijheid", door Ds M. van Grieken, Uitgave Administratie „De Waarheidsvriend", Maassluis. Dan kan men zien hoe een en ander in zijn werk is gegaan en in elkaar zit. Bij iedere wijziging, welke werd aangebracht in de reglementen, was het natuurlijk nooit — zoogezegd — de bedoeling der Synode om „de deur voor subjectieve willekeur te openen, zoodat het aan ieder zou vrijstaan, voor wezen en hoofdzaak te doen gelden, wat hem goed dacht — maar wel degelijk om hetgeen naar den geest en de beginselen der opstellers als het wezen en de hoofdzaak der Formulieren behoort aangemerkt te worden", enz. „Kan het — zie bldz. 69 van genoemd boekje — duidelijker verklaard worden, dat bij de nieuwe formuleering de oude leer en de vroegere belijdenis der Kerk dezelfde was en moest blijven? Geen confessielooze Kerk. Geen vereeniging van elk wat wils. Geen vrijheid voor subjectieve willekeur....... Geen vrees behoefde er dus te wezen voor de woorden geest en hoofdzaak. De waarheid, de leer, de belijdenis was veilig.
Niet ieder stelsel zou recht hebben. Geen subjectieve meening. Geen ........ O, heilige onschuld!
Zóó kwamen de woorden geest en hoofdzaak in onze reglementen ........Maar, waarom ging het tenslotte? Ook bij de proponentsformule ?
Om wèl het wezen der Hervormde Kerk te kunnen veranderen.
Om van de belijdenis naar eigen verkiezing te kunnen afwijken. Wat dan ook inderdaad is geschied en nóg geschiedt. Daarom kunnen we zeggen met Ds v. Gr. — „alles bij elkaar genomen is 't zoo'n armzalig peuteren, beknibbelen, knoeien, schipperen. Het is een onwaarachtig en onwaardig spel, dat er gespeeld wordt. Want alles wat wordt geformuleerd en voorgeschreven is te lang voor een servet en te kort voor een tafellaken; 't is te weinig om te leven en te veel om te sterven; men weet niet of het ja of neen is ; 't is dubbelzinnig, dubbelhartig, met opzet voor tweeërlei uitlegging vatbaar, hoewel het telkens weer duidelijk is gezegd dat het gaat om de belijdenis der Kerk.
't Is zoo'n onmannelijk spelen met woorden. Zoo'n verachtelijk goochelen met uitdrukkingen en omschrijvingen. 't Is zoo onwaarachtig, dat eigenlijk ieder er van overtuigd is, dat het zoo niet langer blijven mag. Er moet verandering komen.
De Kerk staat te hoog, dan dat er zóó den draak gestoken wordt met haar belijdenis, haar beginsel, haar karakter, haar historie, haar naam".
Hoe het dan moet worden? De stem „Is het ook dat God gezegd heeft" moet tot zwijgen worden gebracht. Welnu, dit zal alleen kunnen door het lied, dat sluimert in de belijdenis. Want hierin kunnen we den Synode-voorzitter bijvallen, dat er een lied sluimert in de belijdenis. Als men dat niet hoort, is het vooringenomenheid, onwil of onkunde. We zouden het graag nog anders zeggen. Dat lied sluimert niet in de belijdenis. De belijdenis is zelf een lied. Een lied des geloofs, gezongen door met den Geest vervulde harten te midden van strijd, brandstapels, dood. Het is het lied van Gods Kerk, haar geleerd door den Heere Zelf. Het is het lied, waarin ze getuigt van wat Hij; haar heeft willen openbaren. Als er eens een volk verwekt werd, dat dit lied krachtiglijk leerde aanheffen, dat zou ten zegen kunnen zijn. Maar ach — nu hangt de harp zoo vaak aan de wilgen. Want het goud is verdonkerd en door velen wordt het lied gehoord als een mooi stuk uit vroeger tijden. Maar de inhoud en de toonzetting kunnen we nu niet meer gebruiken. Daarom — gij, die door genade iets van dit lied kent, o zing het, zing het in dezen donkeren nacht. Én smeek den Heere om Zijn Geest, opdat Deze die lied meerderen leere en het „lied" der reglementen doorbroken en overstemd worde door het lied der belijdenis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's