De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

HIJ, DIE HELPT IN NOOD

6 minuten leestijd

Daar is geen andere God, Die alzoo verlossen kan. Daniël 3 vers 29b.

HIJ, DIE HELPT IN NOOD

Welke lippen deze woorden doorliet, is op zichzelve reeds een prediking.

Ge weet het, wie dit getuigenis gaf : „een heidensche koning, een machtige onder de machtigen, Nebucadnezar".

Welke gevolgtrekking mag en moet nu hierbij worden gemaakt ? Zou dit niet de bedoeling Godes zijn, dat alle aandacht hierop wordt saamgetrokken: wie in kinderlijk vertrouwen zich aan dezen God en Heere mag overgeven, heeft geen kwaad te duchten.

En wat evenmin uit het oog mag worden verloren : het behoud schuilt niet voor nog zulk een gering deel in den mensch, aan wien deze reddende hand wordt toegestoken, 't Ligt alles in Godes hand. Wij, menschenkinderen, zijn altijd geneigd meer op menschen acht te geven dan op God. Onmiddellijk leggen wij verband tusschen wat wij zien gebeuren en de gesteldheid van de personen, die iets ondergaan. Wat natuurlijk niet juist kan zijn. Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen". Dit wordt maar zeer geregeld door ons vergeten. De namen van deze drie mannen leest ge na deze geschiedenis niet meer. Gode komt alleen de eere toe.

Wat ge wel moogt opmerken, is dit, dat deze mannen volkomen zich stelden onder de bescherming en leiding Gods.

God is machtig ons te verlossen, zoo was hun eenstemmige belijdenis, waaruit zij leefden. Zoo luidde ook hun getuigenis: Hij zal ons uit uwe hand, o koning, verlossen, maar zoo niet: nu 't is even goed. Onze wil is geheel gevangen genomen onder Gods wil.

Zie, in deze overgave schuilt het geheim van hun behoud.

Dat „zoo niet" leeft bij den natuurlijken mensch niet. Deze denkt er niet aan om zijn heele hebben en houden in Godes hand te geven.

Men hoort wel eens vaak spreken in dezen zin: „ge moet maar op God vertrouwen, veel bidden" — maar wat blijkt telkens weer, dat wij God voorzeggen hoe wij het willen hebben.

Zou dit niet de nood en de kommer zijn in onze ellende en nood ? Niemand brengt daarin eenige wijziging dan God Zelf door Zijn Geest en Woord.

Dan wordt het grif toegegeven: ik sta mijzelven in den weg. Al mijn zorgen en tobben helpt mij geen haarbreed vooruit.

Ik zal geen verzet meer aanteekenen. Gij moogt doen en laten wat Gij wilt. Daar is geen andere God, Die alzoo verlossen kan, doch U dwingen kan ik niet en durf ik niet. Gij zijt de Almachtige, doch ook tevens de Goedertierene Uithelper.

Wie zoo naderen mag, staat nooit beschaamd vanwege de uitkomst. Waar iedereen omkomt, waar niemand veilig uitkomt, daar blijft hij staande, die op God vertrouwt.

Is dit het eerste, wat wij opmerken — daar is nóg iets, wat wij niet ongemerkt mogen laten passeeren. Wat door de benauwers als een oordeel was bedoeld, werd door Godes vingeren omgesmeed tot hun voordeel, 't Vuur brandde de banden door en gaf hun, die gebonden waren, vrije wandeling.

Wonderlijk, zegt ge. Onbegrijpelijk, zoo klinkt het van alle kanten, waar men van Godes heerlijke redding niet afweet.

Hoe kan dit toch mogelijk zijn?

Waar de koorden door kundige hand waren aangelegd, zoó vastgeknoopt, dat niemand deze kon ontwarren, vallen deze vanzelf af. Hetzelfde wat eenmaal gezegd werd van wat Gods tand wrocht in Egypteland: „het is Gods vinger", deed zich hier andermaal voor.

Luistert naar de uitspraak van Babels machtigen gebieder : „Zie ik niet een vierde man aan dit drietal toegevoegd ? Is niet zijn gedaante gelijk een zoon der goden? " Gewis, hier wordt bevestigd : „de Engel des Heeren legert zich rondom degenen, die Hem vreezen". De dekkende vleugelen des Almachtigen overschaduwen hen van alle kanten. Geen kwaad kan hen genaken.

Hoe het den vrienden Daniels te moede was in deze voor ieders aanblik vreesaanjagende en schrikbarende omgeving, blijkt uit deze omschrijving: „ik zie vier mannen, los wandelend in het midden des vuurs en daar is geen verderf aan hen". Zoo sprak de verbaasde Koning. Zij kenden geen vrees meer. Hier werd het bewaarheid : wie in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. Hij zal Zijn Engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in alle uwe wegen. Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uwen voet aan geen steen stoot. De Heere bevestigt Zijn Woord: „Hij zal Mij aanroepen en Ik zal hem verhooren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn en Ik zal er hem uittrekken en zal hem verheerlijken".

In de benauwdheid bij Hem, wijkt de vrees voor dood en omkomen, om plaats te maken voor een wandelen voor Zijn aangezicht.

Wat de Heere doet toekomen aan hen, die op Hem betrouwen, blijkt nooit half werk te zijn. Dat is af.

Waren die mannen op bevel van Babels Koning aan handen en voeten gebonden ingeworpen in den vuurmond — weerloos in den meest volstrekten zin — als de Heere hun de banden losmaakt, zijn zij niet enkel vrij om de handen te bewegen, maar hun voeten zijn vaardig om te wandelen, m.a.w. geheel vrij.

Nu nog één vraag, zoo hoor ik van meer dan ééne zijde : Waarom werd niet onmiddellijk gevolg gegeven aan wat een ieder onzer onmiddellijk gedaan zou hebben, n.l. dadelijk den Koning beteekenen wat zij uit de hand des Heeren hadden verkregen. Zij hadden niet tevergeefs op Zijn bijstand gewacht.

Waarom bleven zij nu, na de volle vrijheid verkregen te hebben, temidden van deze plaats vol gevaren ?

Mag ik het u eens zeggen ?

Opdat heel het volk, vriend en vijand, getuige zou zijn van de wonderdoende hand des Almachtigen.

Ja, zou juist daarop niet hun wachten geweest zijn, dat de machtige wereldgebieder Nebucadnezar deze woorden zou uiten: „daar is geen God, Die alzoo verlossen kan.

Hebben wij dit woord gehoord en verstaan, lezers?

't Pleit wel heel sterk tegen ons. natuurlijk zijn, dat wij zoo heel slecht ons kunnen geven, overgeven aan deze zorgende en verzorgende hand des Heeren. Wanneer dan ook aan de wereld onzer dagen een moment aandacht wordt geschonken, zoo wordt dadelijk wakker geroepen deze gedachte : waar vindt gij dit volkomen vertrouwen, die kinderlijke overgave in Gods hand ? Hij is de eenige Bevrijder. Hij doet banden afvallen, die niemand kan losmaken dan Hij alleen. Zou het nog niet gelden, evenals vanouds :

Wie Hem aanroept in den nood Vindt Zijn gunst oneindig groot.

Was het een machtig moment voor die Godsmannen in Babelsche ballingschap — voor allen, die op den Naam des Heeren betrouwen is dat en wenk des hemels :

„zoekt hetgeen gij behoeft op geen andere plaats", zeg het den Dichter na :

Ik blijf den Heer' verwachten, Mijn ziel wacht ongestoord; Ik hoop in al mijn klachten Op Zijn onfeilbaar Woord.

Daar is geen andere God, Die alzoo verlossen kan. Hij maakt niet alleen banden los, maar onder de aanraking Zijner vingeren door de ademtocht Zijner lippen versmelten ze tot de laatste draad.

Hij maakt die gebonden waren: geheel vrij.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's