De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

ers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.

6 minuten leestijd

De rechtvaardigheid is uit het geloof : niet uit de werken. Wie zijn Abrahams kinderen ? Vers 6—14. (XIV).

Hoofdstuk III.

Vervolg laatste gedeelte vers 12.

Door de woorden: „de mensch, die deze dingen doet, zal door dezelve leven", wil Paulus nu eens precies aangeven, waarin de gerechtigheid, die uit de Wet is, bestaat. De gerechtigheid des geloofs kwam tot uiting in de woorden : „de rechtvaardige zal uit het geloof leven". De Wet vordert dus, dat wij God iets toebrengen zullen, in tegenstelling met het geloof, dat wil, dat wij, geloof hechtende aan Zijn belofte, van Hem aannemen hetgeen Hij schenkt.

Het hoogste wat de Wet van ons eischt is het doen van (goede) werken ; het geloof daarentegen verwacht, dat wij ons zullen verlaten op Gods beloften.

De apostel blijft bij het woordje „doen" zoo lang staan, om duidelijk te laten zien, welke de gerechtigheid der Wet, en welke die des geloofs is. Hij stelt Gods belofte tegenover de Wet, en het geloof tegenover de werken.

Deze vier zaken (Gods belofte ; de Wet; het geloof, en de werken) moeten dus terdege onderscheiden worden. Want evenals de Wet haar eigen strekking heeft, zoo is dat ook met Gods belofte het geval. En zoo behoort bij de Wet 't woordje „doen", terwijl bij Gods belofte het geloof, past. Zoo ver als de Wet en de belofte van elkaar verwijderd zijn, zoo principieel zijn ook „doen" en „gelooven" onderscheiden, wanneer men „doen" tenminste theologisch neemt.

Paulus wil echter met de onderscheiding van „doen" en „gelooven" de liefde van het geloof scheiden, en aantoonen, dat alleen het geloof rechtvaardigt, omdat de Wet in geenerlei opzicht daartoe in staat is. Ten opzichte van de rechtvaardigmaking doet de Wet ten eenenmale niets, daar zij uitsluitend op het „doen" van werken gericht is ; het geloof heeft echter een geheel ander karakter, en gaat in ieder geval aan het doen van werken vooraf. Waar geloof en doen evenwel samengaan, daar wordt een schoone harmonie verkregen.

Hoewel dus het geloof rechtvaardig en levend maakt, staat het niet geheel op zichzelf. Ook neemt het geloof vleesch aan, en het wordt mensch, dat wil zeggen: het blijft niet zonder practisch effect op zichzelf staan, en het werkt niet buiten de liefde om.

Naar Zijn Godheid is Christus een goddelijk en eeuwig wezen, dat geen begin heeft. Zijn menschheid is echter in den tijd tot stand gebracht. Beide naturen zijn in Christus evenwel onvermengd, en de eigenschappen, welke elke natuur afzonderlijk heeft, moeten onderscheiden worden. Christus' menschheid heeft in den tijd een aanvang genomen; Zijn Godheid daarentegen is eeuwig en zonder begin. Toch komen beide naturen samen, zoodat de Godheid, die geen aanvang kent, verbonden wordt met de menschheid, die wel een begin heeft. Men moet evenwel onderscheid blijven maken tusschen Christus' Godheid en menschheid, en zeggen : Zijn menschheid is geen Godheid, hoewel Christus als mensch toch tegelijk God is.

Zoo moeten wij ook onderscheid maken tusschen het geloof en de Wet. Weliswaar „werkt" ook het geloof, maar nochtans is het geloof van de Wet onderscheiden. Tusschen het geloof en de werken behoort een harmonische eenheid tot stand te komen, hoewel elk voor zich eigen karakter en inhoud heeft en behoudt.

Om deze reden wil Paulus hier, dat ge grondig onderscheid maakt tusschen het geloof en de liefde.

Weg dus met dat vervloekte sophisme, als zou het geloof zonder de liefde niet volmaakt zijn!

Zooiets is een hersenschim van den duivel, en door hem uitgedacht, om de zuivere leer en het christelijk geloof te verderven en ten onder te brengen, om Christus te lasteren. Hem met voeten te treden, en de gerechtigheid, die uit de werken is, ten troon te verheffen.

Laten wij gerust zoo spreken, willen wij ten minste het zuivere en rechte geloof ongerept handhaven en behouden.

Het is wel zoo, dat de werken uit het geloof volgen moeten, maar daarmede is nog niet gezegd, dat „geloof" en „werken" hetzelfde zijn.

De grenzen van Wet, werken en geloof, moeten niet uitgewischt worden, doch men dient hier juist te onderscheiden.

Wanneer wij dus gelooven, dan leven wij eenvoudig uit het geloof in Christus, die zonder zonde is, en die, om het kort te zeggen, ons Deksel, onze Verzoening en Vergeving van zonden is.

Doen wij echter zonder meer de werken der Wet, dan derven wij de gerechtigheid en het leven. Want de Wet is nu eenmaal niet in staat, om rechtvaardig en levend te kunnen maken; zij wijst slechts onze zonde aan, en zij doodt ons. Weliswaar zegt de Wet: „de mensch, die deze dingen doet, zal door dezelve leven", maar waar is de mensch, die de Wet waarlijk kan volbrengen, en die God van harte liefheeft, en den naaste als zichzelf ?

Er is bijgevolg dus niemand, die de Wet volbrengt, hoezeer men zich daartoe ook inspant. Want het „doen" der Wet is nog geen „doen" in den waren zin van het woord. Iemand, die dus zonder meer de Wet poogt te volbrengen, blijft verkeeren onder den vloek.

Het geloof „doet" echter zelf niets ; het gelooft in God, en verwacht van Hem de reohtvaardigmaking. Een geloovige leeft dan ook niet op grond van hetgeen hij doet, maar krachtens zijn geloof in God. Wel streeft ook een geloovige naar de volbrenging der Wet, maar hetgeen waarin hij tekort schiet, wordt hem om Christus' wil door de vergeving der zonden geschonken, en wat aan zonde in hem nog over is, wordt hem niet toegerekend.

Het is als wil Paulus hier zeggen : het zou wel mooi zijn, wanneer de mensch de Wet hield ; maar omdat er nu eenmaal niemand is, die zulks kan, moet men zijn toevlucht nemen tot Christus, die het einde der Wet is. Wie in Hem gelooft, is gerechtvaardigd. Hij is „geworden onder de Wet, opdat Hij degenen, die onder de Wet waren, verlossen zou'' (Galaten 4 vers 4 en 5).

Gelooven wij in Hem, dan ontvangen wij den Heiligen Geest, en beginnen wij de Wet te betrachten.

Wat wij niet kunnen volbrengen, wordt ons wegens het geloof in Christus niet toegerekend.

In het toekomende leven zullen wij dat geloof echter niet meer noodig hebben, omdat wij dan niet meer zullen zien door een spiegel in een duistere rede, maar aangezicht tot aangezicht. (1 Korinthe 13 vs. 12). Dat wil zeggen, dat we leven zullen in de klaarheid der eeuwige heerlijkheid, waarin wij God zullen zien, zooals Hij is.

Daar zal dus een ware en volkomen kennis Gods zijn, en een oprechte liefde jegens Hem. Ook zal daar gevonden worden : een goede wil en gezindheid, welke niet van aardsche makelij, maar hemelsch, Goddelijk en eeuwig is.

Zoolang wij echter in dit leven zijn, verwachten wij in den geest, door het geloof, de gerechtigheid, waarop wij thans nog hopen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's