Binden en ontbinden
I.
Het is wel een rijke schat, die ons in ons Hervormd (of wat historisch gesproken hetzelfde is : ons Gereformeerd) Kerkboek van de vaderen is overgeleverd. Onder dit „Kerkboek" verstaan wij : de Belijdenisschriften, de Christelijke Gebeden en de verschillende Formulieren. Deze geschriften zijn ons kerkelijk patrimonium, d.i. ons vaderlijk erfdeel.
En nu is het welhaast ondenkbaar, dat iemand een belangrijke erfenis zou ontvangen eri dat hij zich niet aanstonds tot in alle onderdeden op de hoogte zou laten brengen aangaande de waarden, die in zijn bezit zijn gekomen. Zoo iemand zouden wij ons niet kunnen voorstellen. Neen, dat komt in het gewone leven niet voor.
Des te vaker helaas in het kerkelijke en geestelijke leven.
In onze Hervormde Kerk zijn er niet alleen duizenden, die de Belijdenisschriften hunner eigen Kerk verwerpen, zonder dat zij den inhoud daarvan dan ook maar ©enigermate kennen ; wel even bedenkelijk is het, dat menig voorstander van de leer der vaderen evenmin hiermede op de hoogte is; óók niet ernstig onderzoekt en meent, dat zijn opvatting geheel en al overeenkomt met wat onze Belijdenisschriften belijden en leeren.
Hier ligt wel een van de oorzaken van de heiaas schier grenzenlooze verwarring onzer dagen; vaak gaat voor bij uitstek „gereformeerd" door, wat het gemeten aan de officieele oorkonden der Hervorming, bij lange na niet is !
Daarom is het zoo dringend noodzakelijk, dat wij ons bezinnen op den inhoud van die geschriften, waarin de Kerk der Hervorming in onze landen haar geloof beleden heeft, opdat wij n.l. zouden begeeren om naar dienzelfden regel des geloofs te handelen en te wandelen. Omdat onze Belijdenisschriften zoo bij uitstek Schriftuurlijk zijn.
Kennen wij onzen ouden Catechismus wel werkelijk? Welk ©en kostelijk leerboek, voor ouderen en jongeren ; voor wie aanvankelijk geleid werd op den weg der zaligheid, dooh evenzeer voor wie dieper in- en doorgeleid mocht worden.
Welk een verkwikking kan de geloofstaal van onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis bieden en welk een vertroosting de inhoud van, de Dordtsche Leerregels ; deze laatste wel bijzonder dengenen, voor wie de troost der verkiezing nog verborgen is ! Hebt ge dé Christelijke Gebeden voor kerkelijk en huiselijk gebruik wel eens aandachtig doorgelezen ? Als voorbeelden zijn zij bedoeld; zij mogen ook als zoodanig weer beteekenis verkrijgen.
En wat de liturgische Formulieren betreft : die voor Doop en Avondmaal mogen wat klank en letter betreft het meest bekend zijn, wie zou durven beweren, dat zij in hun rijkdom ook door de gemeente, in wier midden zij regelmatig gebruikt worden, verstaan worden ? Het is niet voldoende, dat wij er stellig tegen zouden zijn als zij afgeschaft zouden worden en ons verzetten zouden, als zij thans ook maar gewijzigd zouden worden (want wat zouden wij dan te zien krijgen ? ), wij moeten er weer bij leeren leven ! Dat geldt evenzeer van de andere Formulieren, die alleen bij bijzondere gelegenheden gebruikt worden.
Onder de Formulieren nu bevindt zich ook een tweetal, dat in ons kerkelijk leven in onbruik geraakt is, ja, helaas niet gebruikt kan worden onder de huidige omstandigheden. Ik bedoel het Formulier van den Ban, of der afsnijding van de Gemeente van Christus en het daaraan onmiddellijk aansluitende Formulier van wederopneming des afgesnedenen in de Gemeente van Christus.
Voor deze beide wilde ik uw aandacht vragen. Wij wagen het, hoezeer wij ons kunnen indenken, dat iemand zou vragen, of er dan geen meer actueele onderwerpen zijn, dan twee Formulieren, die ons uit de praktijk van ons zieke kerkelijke leven in het geheel niet bekend zijn!
Wij wagen het met volle vrijmoedigheid, want de bespreking van deze historische documenten is niet alleen van belang voor een nadere bezinning op onzen kerkelijken toestand, doch onder 's Heeren onmisbaren zegen kan deze profijtelijk zijn voor het persoonlijk geloofsleven. Immers worden wij daarbij bepaald bij den ernst der zonde, maar niet minder bij den rijkdom der genade, bij de heerlijkheid van het Evangelie, dat ook onder ons nog verkondigd wordt; bij „hetgeen wij in Christus hebben".
Allereerst zullen wij nu ons onderwerp nader omschrijven en begrenzen (I). Vervolgens willen wij de beide genoemde Formulieren bespreken (II). Daarna zien wij de vraag onder de oogen, waarom zij in ons kerkelijk leven in onbruik zijn (III). Om tenslotte na te gaan, waartoe deze geschriften ons roepen met betrekking tot ons persoonlijk en kerkelijk leven (IV).
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's