Uit de kerkelijke Pers.
De prediking.--Wat er van de Kerk verwacht wordt!
De prediking.
Over wat de prediker in zijne prediking moet zeggen of niet zeggen, is er in zekere opzichten niet altijd eenstemmigheid bij degenen die van dezelfde belijdenis zijn. In Credo behandelt Prof. Hepp 't spreken en zwijgen op de kansel. Het volle, rijke evangelie moet worden gebracht. De volle raad Gods moet worden verkondigd. „En al ware het dat magistraat of welke macht ook hem dit zou willen verbieden, hij mag daaraan geen gehoor geven. Indien 't kerkgebouw voor hem werd gesloten, zou hij desnoods op de markt moeten prediken in den naam van Jezus". Op de kansel mag echter het woord niet gegeven worden aan een nationalen held. Niet de Nederlander preekt, maar de dienstknecht van Jezus Christus. We mogen de kansel niet beklimmen als politicus of als sociaal leider.
Gewaarschuwd wordt tegen het verrukken van de grenzen tusschen de levensterreinen. De Kerk als instituut heeft dan het evangelie te prediken aan alle creaturen, de sacramenten te bedienen, de tucht te oefenen. De Kerk als organisme moet dan o.m. door concrete middelen zorgen, dat God tot Zijn eer komt op alle terrein des levens. De DienaaT des Woords nu heeft zijn ambt in de Kerk als instituut. Op den kansel heeft hij daarom het evangelie te verbergen als zuurdeesem in het meel, maar hij mag zich geen uitstapjes veroorloven naar de wetenschap, de kunst, de politiek, het sociale leven. Maar, mogen er dan geen politieke, sociale enz. beginselen worden gepredikt ? Het antwoord hierop wordt afhankelijk gesteld van de vraag wat men dan onder „beginselen" verstaat. Van primaire beteekenis worden geacht aanwijzingen, zooals de uitspraak van Jezus : Geef den keizer wat des keizers is en Gode wat Gods is ; van Paulus : Alle ziel zij de machten over haar gesteld onderworpen; van Jacobus : het loon der werklieden mag niet verkort worden en de rijke mag in de gemeente geen voorrang hebben boven den arme, om zijn rijkdom. Dit worden dan zedelijke en geen uiterlijke rechtsbeginselen genoemd. De zedelijke behooren op den kansel, de uiterlijke niet. Deze zijn afgeleid en moeten naar Gods Woord worden ontwikkeld.
Over beginselen moet niet lichtvaardig worden gesproken. Politieke beginselen b.v. worden tot op zekere hoogte vergeleken met dogma's. Zooals de Schrift geen dogma's biedt, zoo biedt ook de Schrift geen politieke beginselen. Het dogma „ontstaat door de uitspraak der Kerk na langdurig nadenken over de Schrift". Zoo worden politieke beginselen ook „gevonden door politici, die leven uit de Schrift en nauwkeurig de politieke verschijnselen in hun wording hebben bestudeerd''. En waar politieke beginselen bestemd zijn om practisch te worden benut, is er dus verband tusschen practische politiek en politieke beginselen. De hieruit door Prof. H. getrokken consequentie is deze: „De Kerk heeft zich niet alleen te onthouden van het voeren van practische politiek, maar ook van het afkondigen van concrete politieke beginselen".
Alleen de zedelijke beginselen, waarover straks gesproken werd, moeten worden verkondigd.
Vanzelfsprekend hebben de lezers van deze artikelen over de hierin aangesneden hoogst belangrijke stof gedacht en nog eens gedacht. Het is goed, wanneer dit ook onder óns geschiedt. Zoo spoedig wordt met bekende woorden gezegd: dit of dat hoort in een preek niet of wèl thuis, terwijl er niet bij nagedacht wordt wat men nu eigenlijk zegt en welke consequenties daaraan verbonden zijn. Wanneer ik het goed heb, zal er in Januari een bizondere Classicale Vergadering worden gehouden, waarin niet alleen gesproken zal worden over „Gemeenteopbouw", maar ook over „de prediking", 't Is van belang, dat de afgevaardigden zich op deze onderwerpen bezinnen en weten te spreken zoonoodig wat naar gereformeerd beginsel is. Nu zijn er, zooals Prof. H. zelf meedeelt, tegen zijn artikel bezwaren geopperd. Waartegen dan weer opgemerkt wordt : men toone concreet aan wat thans in de preek moet worden gezegd. Zonder vrees moet men schrijven, hoe het dan wèl moet. Dit verzoek wordt speciaal gericht tot Ds Rietberg, als redacteur van De Wachter. Ds R. heeft n.l. zich in een artikel tot Prof. H. gericht met bedenkingen en vragen. Hij is het met Prof. H. eens, dat wij de kansel niet beklimmen als politicus of nationaal held. Dit spreekt vanzelf. Maar toch zijn wij Nederlandsche dienstknechten van onzen Zender! Vooral wordt het Prof. H. kwalijk genomen dat deze doet alsof er predikanten zijn die de kansel misbruikt hebben „als politicus of sociaal leider". Ds R. wil er niet van weten dat er een terrein is voor de „Kerk als instituut" en daarnaast verschillende terreinen waar „de Kerk als organisme optreedt. Van deze verwarring moeten wij af. Voor alle terrein van het leven moet terdege en zeer concreet Gods wil worden gepredikt. Prof. H. moet maar eens duidelijk zeggen, wat hij onder „uitstapjes" verstaat, uitstapjes naar de wetenschap, kunst, sociale leven, politiek, enz. Inderdaad zal het noodig zijn tot overeenstemming te komen over wat beginselen zijn. De primaire beginselen, boven genoemd, moeten gepredikt worden. Goed. Maar hoe?
Hier laat Prof. H. ons met het mes in de buik zitten....... Niet ingegaan wordt op de onderscheiding tusschen zedelijke en uiterlijke rechtsbeginselen. Maar wèl wordt gevraagd: Zijn de eerste niet de basis van de tweede ? En hoe zal men tot de tweede komen, indien niet eerst de Kerk, aan wie de uitlegging van Gods Woord is toebetrouwd, concreet en duidelijk die „zedelijke" beginselen uit Gods Woord verkondigt en dus zegt wat hierin de wil van God is ? Volgens Ds R. is de consequentie van Prof. H.'s redeneering een sterke beperking van de taak der prediking. „Hetgeen tekort doet aan de roeping der Kerk om den wil van God te prediken voor alle terreinen".
We zien dus duidelijk, dat hier de zoozeer gewenschte eenstemmigheid nog niet aanwezig is. Met dit „hoor en wederhoor" kunnen wij onze winste doen bij het overwegen en doordenken van deze materie. Terwijl het niet ondienstig kan zijn te wijzen op wat Calvijn in dit opzicht doet, zooals wij dat vonden in „Het gepredikte Woord", deel I, bladz. 28, 29, 30. Calvijn spreekt zich vrij uit over sociale misstanden van onderscheiden aard. Hij behandelt in de prediking de rente. Hij waarschuwt tegen overbodige weelde en onmatige opsmuk. Hij spreekt gaarne over de gewichtige beteekenis van een geordend staatsieven. Tegen de Wederdoopers in verklaart hij dat zij zelfs geen „onsje verstand" hebben, die leeren, dat een christen zich niet met politieke zaken mag afgeven of geen overheidsambt mag begeeren. Het woord van Ambrosius wordt overgenomen, dat het de hoogste eer van een koning is om „zoon der Kerk" te zijn. Een goed koning is binnen de Kerk, niet er boven of er buiten. Hij brengt in zijn preeken ter sprake het vraagstuk van oorlog en vrede, van het mogen dragen van wapenen. Hij verklaart dat een vorst, die zonder reden een oorlog begint, de naam van struïkroover ten volle waard is. En wie voor een onrechtvaardige zaak een oorlog begint, kan zich beter honderdmaal de keel laten afsnijden, enz. enz. Hij heeft het over wetenschap en kunst. Zelfs de literatuur gaat hij niet voorbij. Hij spreekt met een zekere geestdrift over muziek en zang. Hij stelt de grenzen van alle onderzoek vast. Wij moeten niet raken aan de geheimen Gods. Vanzelf heeft hij het over het kerkelijk leven. Voortdurend is zijn vermaan tegen de R.K. Kerk. De ware Kerk wordt tot trouw opgeroepen. De predikantstractementen brengt hij ter sprake. Het particuliere leven van de kerkleden wordt niet vergeten. Dringend wordt gewaarschuwd tegen gemengde huwelijken.
Ziehier een en ander, waaruit richtlijnen zijn te trekken.
Deze zijn noodig, opdat de prediker wete wat hij op de kansel hebbe te spreken en opdat de gemeente wete wat ze heeft te verwachten en mag verwachten. Ook daarover is al veel gesproken.
Wat er van de Kerk verwacht wordt!
Volgens een verslag in het Evangelisch Zondagsblad heeft voor de Geldersch- Overijsselsche Pred. Ver. Dr C. G. Gunning van Amsterdam, voorzitter van de Vereen, van Ouderlingen der Ned. Herv. Kerk, een inleiding gehouden over „Wat verwacht men van de Kerk in dezen tijd ? "
Eerst werd aangestipt de onkerkelijkheid van drie groepen : arbeiders, intellectueelen, jeugd. Hier dreigt terrein verloren te gaan en juist hier wordt weer een sterk verlangen levendig naar datgene wat alleen de Kerk geven kan. De Kerk heeft geen andere opdracht dan het Woord te prediken. Dit doende, zal zij kunnen getuigen, opwekken, vereenigen, demonstreeren, mobiliseeren, unificeeren. Door 't ontbreken van getuigen en demonstreeren werden de arbeiders vervreemd. Priesterlijke roeping der Kerk is het een antwoord te helpen vinden op de vragen van het heden. Thans wordt verwacht dat de Kerk haar sociale roeping trouw zal zijn. Opwekken, mobiliseeren, activeeren, dit heeft vooral betrekking op de intellectueelen. Fout der Kerk is, dat zij een „domineeskerk" is geworden. Ze moet weer een gemeenschap van geloovigen worden, die cellen, op eigen wijze en in eigen mate meedoen, meehelpen, meezingen. Aandacht zal moeten worden besteed aan de stijl van het kerkelijk leven, de waardigheid van alles wat van haar uitgaat in woord en daad. En dan het unificeeren. Luider dan ooit klinkt de roep om de Una Sancta. Een gespleten of verdeelde Kerk zal de jeugd nooit grijpen. De Kerk moet het Woord Gods spreken, luide getuigen, onversaagd.
Hierbij willen we ook wijzen op een artikel van Prof. Grosheide in Belijden en Beleven : Behoud of vooruitgang ? Hierin wordt gewezen op het feit, dat de Kerk ten allen tijde beschuldigd is van te zijn profetes van het behoud. „Zij zou het nieuwe tegenhouden en zich krampachtig vastklampen aan wat nu eenmaal bestaat". De Kerk zou te weinig oog hebben voor wat er gebeurt en maar voort blijven dommelen in een halven slaap. Niet beweerd wordt, dat de Kerk nooit eens verkeerde behoudzucht aan den dag zal hebben gelegd, maar de Kerk heeft méér dan eens krachtig het nieuwe gepropageerd. In de oudheid heeft de Kerk betere begrippen van recht en mensehelijkheid tot heerschappij gebracht. In de Middeleeuwen heeft ze de cultuur bewaard in een barbaarsche wereld. In de Hervorming zijn de beginselen gepredikt die geleidelijk aan het aanzijn gegeven hebben aan een vernieuwd Europa. Nu heeft de Kerk er zich niet voor te schamen als ze door de wereld wordt gezien als een macht des behouds. De Kerk moet het haar toebetrouwde Woord behouden. Hierdoor kan ze oude, maar ook nieuwe dingen voortbrengen, onder alle omstandigheden. Van die omstandigheden hangt het af wat het meest naar voren moet komen. Worden de wegen Gods verlaten, doen ongeloofstheorieën opgeld, dan moet de Kerk zien te bewaren het Woord des Heeren. Is er in de wereld slaphsiJ. en lijdelijkheid, dan moet de Kerk de vooruitgang prediken, oproepen tot den strijd. Zoo is het ook met de toestand in de Kerk. Tegen een toestand van slaap zal anders moeten worden opgetreden dan tegen een sterke strooming welke van God afgaat. Nu is het hier voor de Kerk gemakkelijker om handelend op te treden, 't Gaat hier over eigen huis. Hier kan ordenend en regelend worden opgetreden. Gaat het over het getuigenis naar buiten, dan wordt het anders. Er kan eens een getuigenis uitgaan naar buiten tot de overheid, tot andere organen, 't Voornaamste is ook hier echter de kerkleden zelf te treffen in het geweten, opdat deze op de hun door God gegeven plaats, naar dat Woord leven.
Daarom hebben wij in de prediking rekening te houden met de omstandigheden, met het wereldgebeuren. „Zoo houdt — volgens Calvijn — de ware profetie zich bezig met de konkrete dingen van den dag, zooals ze op allerlei levensterrein zich voordoen''. We hébben boven gezien dat Calvijn dit beginsel is trouw gebleven. Daarom hebben wij niet in de eerste plaats te vragen : wat verwacht men nu van de Kerk. Wat verwacht de wereld of wat verwachten de kerkleden — neen, we hebben te vragen: Wat vraagt GOD van Zijn Kerk, overeenkomstig de opdracht door Hem aan die Kerk gegeven, naar het Woord, die Kerk geschonken, naar het wezen van die Kerk. Wat vraagt God dan altijd en ook nu in onze huidige situatie. In het Weekblad van de Ned. Herv. Kerk schrijft W. J. de Wilde dat dit de zonde is der Ker dat haar bestaan niet is in overeenstemming met haar geloof, dat zij belijdt in haar symbola. Want de Kerk die leeft uit dit geloof is een waarlijk levende Kerk en leeft als ware Kerk.
Dit is dan wel het eerste wat God vraagt van de Kerk!!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's