NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen 73)
Als de heeren en dannes van alles eerste klas ontvingen, waarom zouden dan de ondergeschikten geen derde of vierderangs genot mogen smaken ? 't Was toch maar zóó in de wereld, dat elk op zijne wijze er zag te komen en dat elk voor zich zélf had toe te zien. Men was nu nog jong en wat jong is, speelt graag en geniet graag, gelijk alle jonge leven zich zoekt uit te leven. Zóó redeneerden de vriendinnen, en zóó werd de kracht aan liet woord der vermaning ontnomen.
Daarop gebeurde er iets, wat voor het verdere leven van groote gevolgen zou zijn. Op een avond, toen als gewoonlijk, werd uitgegaan en voor een bioscoop in de Kalverstraat met begeerigen blik naar de bonte reclame-platen werd gekeken, vol emotie en sensatie, stond zij plotseling voor een bekend gelaat, dat haar van top tot teen opnam, 't Was Gabe Santema, van „Donia-state", te Zevenhuizen. Een dorpsgenoot, wel is waar enkele jaren ouder dan Liesbet, omdat deze van den leeftijd van Mini was, maar niettemin haar door en door bekend. Aanstonds wierp zij het oog in andere richting, om te doen alsof zij hem niet zag, meteen zich schamend, dat zij, de dochter van een arme weduwe, hier voor de bioscoop gevonden werd. Werd zij niet plotseling herinnerd aan haar moeder in haar need'rig kamertje, wie zij in geen tijden iets van zich had doen hooren ?
Doch het volgend oogenblik werden haar gedachten in andere banen geleid.
„Hé, een oude bekende, '' had Gabe gezegd en haar de hand toegestoken. „Liesbet Paulussen, hoe gaat het met je ? "
Toen schoot een donkerrood haar over het gelaat. „Liesbet!" Wat klonk dat platboersch. Net zoo, als de menschen in Zevenhuizen allen waren. Men noemde haar hier algemeen „Béa", zooals alle meisjes en ook vele jongens hier verbasterde namen droegen. Dat klonk veel beschaafder en voornamer. In Zevenhuizen was het ook altijd „Jantje en Pietje en Klaske", en hoe die hoerenkinderen meer mochten heeten. Alleen op ,,Donia-state" werd het jongste meisje „Mini'' genoemd, maar daarvoor was men dan ook rijk en zij zelf de lieveling van allen. O ja, bij dien mijnheer Krips, wiens vrouw ook uit Holland kwam, sprak men van Theo en Betty, maar daar hadden die dorpelingen eerst ook den mond vol van gehad, dat men deze groote kinderen zoo klein hield in hun naam.
Vreemd hadden de vriendinnen opgezien, toen die vreemdeling, blijkbaar een heer, haar zoo aansprak. Doch het volgend oogenblik werd haar ijdelheid gestreeld, dat de zoon van een rijken boer haar hier in den vreemde herkende en toesprak. Dat was iets, dat hij in Zevenhuizen zeker niet gedaan zou hebben. Natuurlijk werd de groet beantwoord en toen Gabe dadelijk daarop vroeg of de dames misschien plan hadden naar binnen te gaan en hij hen mocht vrij houden, was, zonder verder een woord te spreken, op den avond beslag gelegd. Een viertal kaarten werd aan het loket gekocht en kort daarop zat Liesbet Paulussen naast Gabe Santema van „Donia-state'' in de bioscoop, 't Was haar, alsof zij droomde. Van de op het doek getooverde beelden, hoe spannend ook, zag zij ternauwernood iets ; soms was zij met haar gedachten heel ver weg en moest oppassen, dat zij geen verward antwoord gaf op de vragen en opmerkingen van haar buurman. Gelukkig maar, dat het bijna geheel donker in de zaal was, zoodat niemand haar gelaat kon zien. Alleen meende zij te merken, dat er telkens een oog was, dat haar aankeek, 't Was een avond van wisselende aandoeningen, die zij voor geen geld zou willen missen en welke haar toch ook soms deden huiveren en vreezen.
Waarom ? In de pauze bestelde hij aan het buffet eenige ververschingen, die het gezelschap opgetogen maakten. Men bofte vanavond. Die „Béa" had toch maar voorname kennissen en bleek dus niets te veel gezegd te hebben, als zij soms in vertrouwelijke oogenblikken gesproken had van haar familie en vrienden, waaronder van de rijksten uit het dorp. Die mijnheer Santema behoorde er al vast onder.
Na afloop bood hij aan, om haar thuis te brengen. Elf uur was de uiterste tijd van thuis komen, maar mijnheer was in 't buitenland, mevrouw ging zelf vroeg naar bed en het personeel was het wel met elkaar eens. Bovendien, de Heerengracht was niet ver. Eigenlijk veel te dicht bij voor een paar kennissen, die elkaar in zoo langen tijd niet gezien hadden. Zoo kwam het, dat dien avond eerst om middernacht op geheimzinnige wijze de deur van het sousterrain ontsloten werd ; zij had haar uitgangsavond gehad.
Èn op dezen, volgden er meer. Een paar dagen later kreeg zij een onbenullige ansichtkaart, maar die door haar als een kostbaar kleinood in het taschje, dat altijd mee uitging, bewaard werd en weldra met anderen vermeerderd. Eén enkele letter gaf den naam van den afzender aan, welke haar evenwel genoeg was en bij elke gelegenheid aan anderen getoond werd.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's