UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.
Hoofdstuk III. De rechtvaardigheid is uit het geloof : niet uit de werken. Wie zijn Abrahams kinderen ? Vers 6—14
Hoofdstuk III
Vervolg laatste gedeelte vers 12.
Paulus noemt dus hèn rechtvaardig, die zonder de Wet door Gods belofte of door het geloof in Zijn beloften gerechtvaardigd worden.
„De Wet doen" is derhalve een zaak, die buiten het geloof geen beteekenis heeft. Daarom „doen" degenen, die voor daders der Wet willen aangezien worden, nog niet in werkelijkheid hetgeen der Wet is, om de eenvoudige reden, dat de apostel zonder meer vaststelt, dat allen, die de werken der Wet doen, zich bevinden onder den vloek, waaronder zij niet zouden verkeeren, wanneer zij werkelijk de Wet vervulden.
Wel is het waar, dat de mensch, die de Wet vervult, daardoor zal leven. Zoo iemand wordt ongetwijfeld gezegend, doch waar vindt men zulk een mensch ? Nergens !
Wijl echter het gebruik der Wet tweeledig is (burgerlijk en geestelijk), mag men, als men dat wil, de woorden : „wie deze dingen doet zal door dezelve leven", gezien vanuit burgerlijk oogpunt, gerust aldus opvatten : wanneer een mensch de overheid gehoorzaamt, dan wordt hij niet gestraft of ter dood veroordeeld. De wereldlijke overheid heeft dan geen recht op hem. We hebben hier te doen met het burgerlijk gebruik der Wet; zij heeft dan de strekking, ruwe lieden te beteugelen en in toom te houden.
Paulus spreekt hier echter niet over het burgerlijk gebruik der Wet; hij heeft de theologische kant der kwestie op het oog, en drukt zich onderstellenderwijs uit, als wil hij zeggen: wanneer de menschen inderdaad de Wet konden vervullen, dan waren zij zalig. Maar waar zijn dezulken ? Bijgevolg zijn er dus geen ware daders der Wet, tenzij ze gerechtvaardigd zijn door het geloof, afgezien van de Wet.
Wanneer Paulus hen vervloekt, die de Wet meenen te vervullen, dan heeft hij het niet over degenen, die door het geloof gerechtvaardigd zijn, doch over hen, die zonder geloof in Christus door de werken der Wet meenen gerechtvaardigd te kunnen worden.
Ik merik deze dingen op, opdat men niet lijde aan dezelfde inbeelding als Hieronymus, die, bedrogen door Origenes, niets van Paulus begrepen heeft, doch in hem niet meer zag dan een burgerlijk leeraar der Wet.
De redeneering van Hieronymus is aldus : de patriarchen, profeten en koningen zijn besneden en hebben offers gebracht. Zij hebben dus de Wet in acht genomen. Daar het echter goddeloos zou zijn, om te zeggen, dat zij onder den vloek verkeerd hebben, en daaronder gebleven zijn, moeten wij dus aannemen, dat niet al degenen, die gedaan hebben hetgeen der Wet is, onder den vloek verkeeren.
Tot zoover Hieronymus.
De man struikelt echter over de geschriften van Paulus, geen onderscheid makende tusschen werkelijke daders der Wet, die door het geloof gerechtvaardigd zijn, en de werkheiligen, die buiten het geloof om door de Wet gerechtvaardigd willen worden.
De apostel treedt in geenen deele op tegen hen, die door het geloof gerechtvaardigd zijn, en die dus ware daders der Wet kunnen genoemd worden. Veeleer handelt hij over hen, die niet alleen de Wet niet houden, maar zelfs tegen haar zondigen!
De Wet toch gebiedt, dat wij God vreezen, liefhebben, en in het geloof dienen zullen. De werkers van eigen gerechtigheid doen dat echter niet, doch prefereeren een nieuwen vorm van Godsvereering, welke God niet verordend heeft, en waardoor Hij niet wordt verzoend. Integendeel wordt God er nog meer door geprikkeld, gelijk Hij zegt in Mattheüs 15 vers 9: „Doch tevergeefs eeren zij Mij, leerende leeringen, die geboden van menschen zijn".
Evenmin als de patriarchen, profeten en koningen des Ouden Testaments, zijn wij door de werken der Wet gerechtvaardigd. Voor zoover wij echter in het vleesch overblijfselen der zonde gewaar worden, verkeeren wij onder de Wet. Wij bevinden ons niet onder den vloek, omdat hetgeen in ons nog aan zonde over is, om Christus' wil ons niet wordt toegerekend. Tot op zekere hoogte zijn wij echter onder de Wet, omdat ons vleesch tegenover de Wet Gods vijandig staat; en de booze lusten, welke in ons huizen, vervullen niet alleen de Wet niet, maar zij zondigen zelfs tegen haar ; zij nemen ons bovendien in slavernij gevangen.
Wanneer nu reeds de Wet door heiligen niet kan worden volbracht, wijl er vele begeerlijkheden en zonden in hen overblijven, welke hen beletten God recht te vreezen en te dienen, — hoeveel te meer zullen zij, die door het geloof vooralsnog niet gerechtvaardigd zijn, en zich steeds van Hem afkeeren, tot het volbrengen der Wet niet in staat zijn.
Ge ziet dus, dat Paulus spreekt over degenen, die de Wet vervullen en gerechtvaardigd worden willen, alvorens het geloof ontvangen te hebben. Geenszins heeft de apostel het hier over de aartsvaders en andere heiligen des Ouden Testaments, gelijk Hieronymus zich inbeeldt, want ook deze zijn door het geloof gerechtvaardigd.
Christus heeft ons verlost van den vloek der Wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt, opdat de zegening van Abraham tot de heidenen komen zou in Christus Jezus, en opdat wij de belofte des Geestes verkrijgen zouden door het geloof. Vers 13 en 14.
Paulus zegt niet, dat Christus een vloek geworden is voor zichzelf, maar voor ons. De nadruk ligt op de woorden „voor ons''.
Wat Zijn eigen Persoon betreft, was Christus onschuldig ; bijgevolg behoefde Hij ook niet aan het hout gehangen te worden. Waar echter volgens de Wet iedere moordenaar moest worden opgehangen, moest ook Christus overeenkomstig de Wet van Mozes dit lot ondergaan, omdat Hij zich in de plaats gesteld had van alk zondaren en moordenaars; want dat zijn wij, weshalve wij des doods en der eeuwige verdoemenis schuldig zijn.
Christus evenwel heeft onze zonden op Zich genomen, en voor deze zonden is Hij aan het kruis gestorven. Daarom moest Hij een veroordeelde worden, gelijk staat in Jesaja 53 vers 12: „en met de overtreders is Hij geteld geweest.
Ook de profeten hebben in den geest gezien, dat Christus de grootste misdadiger, moordenaar, echtbreker, dief, heiligschenner en lasteraar moest worden, wiens gelijke in de gansche wereld niet te vinden is. En omdat Hij nu het offer voor de zonde der geheele wereld is, daarom is Hij niet meer onschuldig en zonder zonde, niet meer Gods Zoon, geboren uit de maagd Maria, maar een zondaar, die de zonde van Paulus op zich neemt, welke een lasteraar en vervolger van Christus was. Ook neemt Hij op zich de zonde van Petrus, die Hem verloochende, benevens die van David, welke een overspeler en doodslager geweest is, en door wien de Naam des Heeren onder de heidenen ten zeerste is gelasterd. Alle zonde der menschheid heeft Christus op zich genomen : niet, omdat Hij ze zelf begaan had, maar opdat Hij de| zonde van ons door Zijn eigen bloed verzoenen zou.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's