De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus' Brief aau de Galaten.

6 minuten leestijd

De rechtvaardigheid is uit het geloof : niet uit de werken. Wie zijn Abrahams kinderen ? Vers 6—14

Hoofdstuk III.

Vervolg vers 13.

De algemeene Wet van Mozes sluit ook Christus in, hoewel Hij persoonlijk onschuldig is. Doch de Wet treft Hem: nu eenmaal aan onder zondaren en moordenaars. Ook de burgerlijke overheid straft iemand, wanneer zij hem vindt en betrapt onder moordenaars, al heeft zoo iemand te voren nimmer iets kwaads of hetgeen des doods schuldig is gedaan.

Christus is niet alleen , maar aangetroffen onder zondaren; vrijwillig en krachtens den wil Zijns Vaders is Hij hun metgezel geweest. Hij heeft hun vleesch en bloed aangenomen, en met al hun zonden is Hij overladen geworden.

Wijl nu de Wet Hem vond onder de moordenaars, — daarom heeft zij Hem als een moordenaar veroordeeld en gedood.

De Sophisten berooven ons van deze kennis van Hem, en zij ontnemen ons daardoor de zoetste troost, welke bestaat in het feit, dat Hij voor ons een vloek geworden is, ten einde ons van den vloek der Wet te verlossen. Zij maken namelijk Christus van de zonden en van de zondaren los, en zij stellen Hem ons slechts als een voorbeeld voor, dat wij moeten navolgen.

Op deze wijze ontnemen zij ons het nut, dat Christus heeft, en zij doen het voorkomen, alsof Hij een rechter en tiran is, die over de zonden toornt, en de zondaren veroordeelt.

Wij moeten echter Christus mede onder den vloek besluiten, en erkennen, dat - Hij ónze zonden, onzen vloek, ónzen dood en al ónze rampzaligheden op Zich geladen heeft, gelijk Hij ook deel heeft gehad aan óns vleesch en óns bloed.

Wellicht zegt er iemand : het is toch wel wat ongerijmd en smadelijk, den Zoon Gods een zondaar te noemen, en Hem te beladen met ónzen vloek.

Hierop antwoord ik : wanneer ge loochenen wilt, dat Hij een zondaar en onder den vloek geweest is, dan moet ge óók ontkennen, dat Hij geleden heeft, gekruisigd en gestorven is. Want het is niet minder ongerijmd, om te zeggen, dat de Zoon Gods gekruisigd is en de straffen over zonden en dood gedragen heeft, dan om te beweren, dat Hij een zondaar en vervloekt is geweest.

Wanneer het dus niet ongerijmd is, om te belijden en te gelooven, dat Christus onder moordenaars is gekruisigd, — zoo is het evenmin ongerijmd, om te zeggen, dat Hij vervloekt en de grootste zondaar geweest is.

Het zijn voorwaar geen ijdele woorden, als Paulus zegt: „Christus is voor ons een vloek geworden''. En insgelijks zegt hij in 2 Korinthe 5 vers 21 : „Want dien, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem". Evenzoo zegt Johannes in hoofdstuk 1 vers 29: „Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt".

Weliswaar is Christus onschuldig, omdat Hij het onbesmette en onbevlekte Lam Gods is, maar omdat Hij de zonden der gansche wereld wegdraagt, wordt Zijn onschuld beladen met de zonden en de schuld eener geheele wereld. Alle zonden, die ik, gij en wij, gedaan hebben, en in de toekomst nog doen zullen, zijn zonden van Christus geworden. Kortom: onze zonden moesten Christus' zonden worden, en ware dit niet geschied, dan zouden wij voor eeuwig verloren geweest zijn.

Deze rechte kennis van Christus, welke door Paulus en de profeten steeds helder en klaar geleerd is, hebben de Sophisten verduisterd door hun goddeloosheden.

Jesaja 53 teekent ons Christus, gelijk Hij is in vers 6 : „De Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanloopen".

Wij moeten deze woorden niet hun zin en strekking ontnemen, maar ze in hun eigenlijke beteekenis aanvaarden. Want God laat Zijn profeet maar niet wat zeggen. Integendeel. Hij spreekt wel degelijk ernstig en serieus, en bewogen door groote liefde, als hij betuigt, dat Christus het Lam Gods is, dat al onze zonden en ongerechtigheden heeft moeten dragen.

Wat beteekent dit „dragen"?

De Sophisten zeggen : „Christus moest gestraft worden''.

Goed!

Maar wij vragen : waaróm moest Christus gestraft worden ? Toch zeker omdat Hij zonden had?

Welnu dan.

Dat Christus zonden gehad heeft, betuigt de Heilige Geest toch duidelijk in Psalm 40 vers 13 : „Want kwaden, tot zonder tal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; ze zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten".

Voorts lezen we :

„Ik zeide : o Heere, wees mij genadig ; genees mijn ziel, want ik heb tegen u gezondigd" (Psalm 41 vers 5).

„O God, Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn zonden zijn voor U niet verborgen" (Psalm 69 vers 6).

In al deze Psalmen spreekt de Heilige Geest in den Persoon van Christus, en nadrukkelijk betuigt Hij, dat Christus zonden had. Deze getuigenissen zijn geen woorden, van een onschuldige, maar van den lijdenden Christus, die op Zich genomen had om de personen van alle zondaren op zich te nemen en te vertegenwoordigen. Bijgevolg is Hij een schuldenaar geworden voor de zondaren der geheele wereld.

Zoo is Christus dus niet alleen gekruisigd en gestorven, maar ook is de zonde Hem opgelegd door de liefde Gods. Toen kwam de Wet tot Hem, en zeide : een iegelijk zondaar moet sterven. Wanneer Gij, Christus, dus Borg wilt zijn, en voor de zondaren de straf dragen wilt, dan moet Ge ook de zonde en den vloek torsen.

Te recht past dus de apostel op Christus toe, wat geschreven staat in Deuteronomium 21 vers 23 : „een opgehangene is Gode een vloek". Christus heeft aan het hout gehangen : dus is Hij door God vervloekt.

Het is een groote troost voor alle geloovigen, dat Christus de zonden van mij, van u en van de geheele wereld op zich heeft willen nemen, en dat Hij al die zonden draagt, waardoor de begrippen aangaande een rechtvaardiging op grond van eigen werken zijn komen te vervallen.

Wanneer het waar was, dat wij door de werken der Wet en door de liefde de zonden konden te niet doen, dan zou Christus niet degene zijn, die ze wegneemt. Nu Hij echter het Lam Gods is, en van eeuwigheid werd verordineerd, om de zonde der wereld weg te nemen, en nu Hij zich vrijwillig met ónze zonden ingelaten heeft, en ten bate van ons een vloek geworden is, — nu volgt hier noodwendig uit, dat wij door de liefde niet gerechtvaardigd kunnen worden, en dat de zonden door haar niet weg te nemen zijn.

God heeft onze zonden niet op onszelf gelegd, maar op Zijnen Zoon Christus, opdat wij, terwijl Hij voor onze zonden de straf droeg, vrede zouden hebben, en door Zijne striemen ons genezing zou geworden.

Dit betuigt de gansche Heilige Schrift, en zulks belijden wij in de Twaalf Artikelen des geloofs, wanneer wij plechtig uit­ spreken : Ik geloof in Jezus Christus, den Zoon Gods, die voor ons geleden heeft, gekruisigd is en gestorven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's